Pagina's

donderdag 25 oktober 2012

Geloofsavond

Zelf geloven met kinderen

Elke cultuur kent z'n overgangsriten, een manier om stappen vooruit te zetten in het leven.
We hebben er vast al over gehoord bij Afrikaanse of Indiaanse stammen. Vaak zijn het bizarre gebruiken die verwondering, soms ook afschuw wekken omdat we ze niet ten volle snappen. Maar ook wij kennen dergelijke tradities in het Westen. Eerste Communie en Vormsel zijn gelegenheden waar geuit wordt dat kinderen groot worden. Maar het is ook méér dan dat, ze zijn ingebed in een geloofspraktijk. Maar die traditie stokt en mankt vandaag. Het vormelijke blijft overeind maar wat steekt erachter? Eigenlijk zijn jonge ouders daar niet mee bezig. Ze hebben als dertigers, soms prille veertigers hun hoofd en handen vol met materiële beslommeringen. Ze worden opgeslorpt en opgejaagd door hun carrière en financiële kopbrekens. De waarom-vraag, waarom ze zo bezig zijn en waartoe het allemaal leidt kan voorlopig niet op tegen de harde realiteit. Het is een periode waar we allemaal doorgaan.

Zo kinderen opvoeden is niet gemakkelijk. Gelovig opvoeden, al helemaal niet want je hebt er (nog) geen taal voor, het is schimmig, je kan het het niet plaatsen en het lijkt in tegenspraak met de dingen die er nu toe doen. Zo'n ouderavond is geen verplicht nummertje. Je kan als ouder doorheen het parcours van de Eerste Communie en het Vormsel slalommen zonder je ook maar een moer aan te trekken van het geloof zelf. The show must go on!

We opteren op zo'n geloofsavond niet te spreken over praktische zaken. Zo van, 'wanneer start de viering … mooi dan kan ik nu al op tijd een afspraak maken met de coiffeuse om m'n haar te doen'. Niet dat die vragen niet mogen gesteld worden, maar op een geloofsavond zijn ze niet terzake. Het is dan ook bewonderenswaardig dat toch nogal wat ouders – een minderheid weliswaar – op onze uitnodiging ingaan. Dit jaar nodigden we Inge Cordemans uit om samen met haar op dat vlak onze weg wat te zoeken. Want daar komt het op aan. Je hoeft als Inge geen theoloog te zijn om het geloof door te geven. Het begint met op te staan en bescheiden stappen te zetten op de weg van het geloof. Augustinus zei: “Bemin en doe wat je wil!” M.a.w. als je liefde oprecht is, kan je gerust je intuïtie volgen. Als ouders van eerste communicanten en vormelingen uit Beselare, Geluveld en Zandvoorde kwamen we samen in de parochiekerk van Geluveld. Een knusse ruimte die tot inkeer wekt.

Bij overgangsrituelen valt ons leven even stil, we kunnen ons dan verwonderen, ook dankbaar zijn om het gegeven leven, z'n ontstaan en z'n voortgang. Hoewel we veel weten kan het ons verstand te boven gaan. Niet dat we stom of achterlijk zijn. Integendeel we proberen 'out of the box' te denken en zoeken zin buiten onszelf. We hebben niet alles in handen, we vermoeden dat 'meer' dat 'iets' of die 'Iemand' en we verbinden ons ermee, niet altijd zo bewust en zo kunnen we bij God terecht komen.

In het doopsel bevestigen we in een plechtigheid nadrukkelijk onze, meer nog God's liefde voor onze kinderen. Het beste is werkelijk nog niet goed genoeg. Ook dat zou een omschrijving van het goddelijke kunnen zijn. Met de Eerste Communie drukken wij opnieuw onze liefde uit en niet toevallig door onze kinderen voor het eerst te laten deelnemen aan de eucharistie. De betekenis van de eucharistie wordt duidelijk als we de Bijbel ter hand nemen. Wie de Schrift benadert als een verzamel verzinsels ontgaat de inhoud compleet. Het is een allesomvattend liefdesdrama met alles erop en eraan, in goede en kwade dagen, niets menselijks is de Bijbel vreemd. Het is het verhaal van God die langs de Wet en de Profeten de mensen in hun onvolkomenheid nabij is.
Hij drijft het zelfs zover om in Jezus zelf mens te worden en te tonen wat liefde eigenlijk is:
zich klein maken (het stalleke) alles delen (het Laatste Avondmaal) en z'n leven geven voor de mensen die hem gegeven waren (de Kruisdood). Op het eerste zicht leek het een fiasco, achteraf leek er een ontzettende kracht van uit te gaan (de Verrijzenis en Pinksteren). En zo blijft God door zijn Geest tot ons spreken via het Vormsel in duizend kleine dingen en mensen, niet in het minst door onze kinderen. Zij zijn het die ons bij de zaak en bij het geloof houden.



God kan je net als het leven ook vergelijken met een puzzel. Wanneer je snel en succesvol een puzzel wil bijeen leggen zoek je eerst de kantjes om tot de omtrek, het kader te komen. Dat levenskader is bij uitstek dat wat ouders doen. Wat vinden we belangrijk in het leven, waar bouwen we op voort, wat willen we daarvan doorgeven aan onze kinderen? Vertrouwen? Respect voor anderen? Solidariteit? Geleidelijk aan lost het leven zich op en weten we een plaats te geven aan fraaie en minder fraaie gebeurtenissen in ons bestaan. Het tafelblad, die de puzzelstukken draagt is de vastheid die God ons biedt, Hij is de grond van ons bestaan.

We kunnen reuzenstappen zetten in ons geloof als we God elke dag zouden proberen te danken voor drie dingen. Het kan je leven grondig veranderen in de manier waarop je naar mensen en dingen kijkt omdat je dan pas echt gaat beseffen wat ze voor jou betekenen en dat ze je zomaar gegeven zijn. Zo kweek je ook met vallen en opstaan vertrouwen in het leven. Je ervaart lijfelijk dat er voor jou wordt gezorgd!

Hoe kunnen we leven als christen?
Ook op deze vraag kunnen we ons voordeel doen met een ongewone vergelijking. Inge schotelt ons drie biermerken voor. Een Brugse zot, een Leffe en een Trappist.
Wie vandaag nog gelooft moet wel zot zijn. Wie straks op het werk vertelt dat hij op een dinsdagavond in de kerk vertoefde, wordt half gek verklaard. Had je niets beters te doen? Je moet ook verdorie wel wat lef hebben om daar voor uit te komen of om vanuit je geloof bepaalde zaken aan de kaak te stellen of om je gewoon belangeloos voor niets in te zetten voor mensen. Tenslotte kunnen we veel leren van een trappist. Hij staat midden in de nacht op om te bidden. Dat is z'n werk. Net zoals bakkers, postbodes, zorgkundigen en verpleegsters 's nachts in de weer zijn voor mensen. Gans zijn leven is hij op zoek naar God. We hoeven geen zeven maal daags te bidden. Die aandacht zit hem vaak in kleine dingen en momenten van dankbaarheid of een schietgebed om steun. Een trappistenbier is lekker omdat het een tijd kan gisten en rijpen. Christenen zijn ook maar smaakvolle mensen als ze in stilte de tijd nemen om hun geloof te laten bezinken. Biddende mensen zijn vaak ook mensen van grote inzet omdat ze er kracht uit putten in uitzichtloze situaties.

Geloof groeit als een mosterdzaadje
Deze vergelijking komt van Jezus zelf. Je kan ontzettend klein beginnen, ook als ouders zonder veel bagage. Als je het geloof toelaat, kan het uitgroeien tot een grote wijd vertakte boom die soelaas biedt aan al wie er zich komt in nestelen. Geloof kan bergen verzetten. Het is het proberen meer dan waard!

woensdag 24 oktober 2012

Open Leerhuis


Het Leerhuis wil mensen de kans geven om hun geloof te verdiepen. We vertrekken dit jaar vanuit bijbelse teksten om stil te staan bij enkele aspecten van samen kerk-zijn. In zijn pastorale brief roept bisschop De Kesel niet alleen op tot het vormen van pastorale eenheden, nieuwe kerkstructuren. Hij benadrukt de noodzaak om als christen aandachtig en vasthoudend te luisteren naar Gods Woord en van daaruit samen te handelen en kerk te vormen. Het Leerhuis wil daartoe een bijdrage leveren. We begrijpen dat niet iedereen zich zomaar gemakkelijk kan engageren om een jaar lang (negen beurten) met geloofsgenoten op weg te gaan. Zelfs als je er graag bij was geweest. Er zijn duizend-en-één redenen om er niet aan te beginnen: andere engagementen, familiale of werkomstandigheden, vroegere opleidingen … vul maar aan. Volstaat het dan niet dat we op zondag geregeld naar de mis komen? In deze barre geloofstijden helaas niet. Zo vorm je geen kerk. Het gaat om meer dan cultus. En het geloof draagt maar vruchten als je het samen in vriendschap kunt beleven. Dat beleven is meer dan een vage gemoedstoestand. Het gaat over een nooit eindigend proces van het geloof te leren, het geloof te vieren en het geloof om te zetten in concrete dienstbaarheid en elkaar daar wederzijds in te steunen. Je kunt niet op je eentje in God geloven en je medemensen links laten liggen. Het 'christelijk' geloof heeft geen toekomst als iedereen in het wilde weg op eigen houtje gelooft en handelt. Kerk-zijn is geen kwestie van bevoogden, knechten, inbinden maar juist Gods Geest de vrijheid geven en uitbreken uit individualisme en eigenbelang.
Dat is ook de essentie van het Pinksterverhaal.
Dat verhaal is aan de orde in de volgende beurt van het Leerhuis op maandag 29 oktober om 19.30 u. in de Sint-Martinuskerk te Beselare.

De deuren van het Leerhuis staan dan open voor iedereen uit de federatie– ingeschreven of niet – die op welke wijze dan ook kerkbetrokken is of zich gelovig weet en dat ook in samen gedragen verantwoordelijkheid mee vorm wil geven.

Zoals eerder gesteld hangt de toekomst van onze Kerk (in ons kerkgebouw) in hoge mate af van de 'levende' stenen die wij vormen binnen de kerkgemeenschap. Als je het echt meent kan je dat niet op z'n beloop laten.

Diaken Lode Caes zal ons daarbij begeleiden.

maandag 15 oktober 2012

Pijnen van een Pachakuti

Gilberto Pauwels

Zondag 21 oktober is het missiezondag, bekend van de jaarlijkse omhaling. De dag dat Missio op het voorplan treedt. Via een zeer uitgebreid netwerk van scholen, kerken, parochies en vormingscentra geeft Missio financiële steun aan meer dan 1000 lokale geloofsgemeenschappen in Afrika, Latijns-Amerika, Azië… Zij bepalen zelf hun prioriteiten en zetten zich in voor mensenrechten, vredesopbouw, verdraagzaamheid en sociale ontwikkeling en milieu. De organisatie probeert in de eerste plaats om verschillende culturen samen te brengen in ontmoeting met leeftijdgenoten, geloofsgenoten, ook met mensen die er een andere levensovertuiging op na houden, … Als kerkorganisatie wijzen ze op de open houding die christenen aan de dag moeten leggen om hun geloof te kunnen delen met anderen. Om concreet tijd te maken en te luisteren naar mensen met een andere huidskleur, religie of cultuur. Het gaat telkens weer om mensen die zich op een onopvallende, maar zeer dynamische manier inzetten voor anderen.

Een man die perfect in die zienswijze past is Gilbert Pauwels, oblaat . Half september berichtten we over hem op de binnenbladzijde onder Geluveld. Om de twee jaar doet Gilbert de oversteek vanuit Oruro (Bolivia) naar de heimat om er z'n familie, vrienden en relaties te ontmoeten. Twee maanden lijken een zee van tijd, maar dan nog is het een heksentoer om wat tijd af te snoepen voor een kort rendez-vous. Veel tijd om bij te praten is er evenwel niet nodig. Dankzij het internet (www.kerkinzonnebeke.be) kan Gilbert de situatie hier ter plaatse op de voet volgen en geloof me dat hij beter op de hoogte is van de stand van zaken dan menig parochiaan.

We hadden het o.m. over het nieuwe boek van Walter Lotens 'Pijnen van een Pachakuti, Bolivia onder Evo Morales' waar Gilbert uitgebreid ten tonele wordt gevoerd. Daaruit mag je afleiden dat Gilbert door z'n aanpak een niet onaardige rol heeft gespeeld in de omwentelingen (Pachakuti) die zich de laatste jaren in dat land hebben afgespeeld. Voor het eerst sinds de Spaanse kolonisator (16de eeuw) hebben ze nu een inheems staatshoofd in de persoon van Evo Morales. Een flink deel van de mensen die hij daar heeft opgeleid (CEPA) werken nu in de onmiddellijke entourage van de president. Voor z'n uitzonderlijke verdiensten in het departement Oruro ontving hij in 2010 uit handen van de president het ereteken 'Sebastian Pagador'. Een Geluveldnaar die vergeleken wordt met een Boliviaan avant la lettre die in 1781 de eerste bevrijdingskreet slaakte tegen de Spaanse koloniale overheerser, het kan tellen. Gilbert heeft dan ook dikwijls voor hete vuren gestaan. Zo lezen we op z'n blog, z'n Andeskrabbels van 9 juni 2002:

“Deze week was Oruro bezet door de mijnwerkers van Huanuni. Betogingen, versperringen, dynamietontploffingen. De coöperativisten versperden de weg naar La Paz en Oruro. Ik ging een kijkje nemen en in Cayhuasi troffen we zo'n tachtig soldaatjes aan, ingesloten door een paar honderd mijnwerkers. Ik besefte eerst niet hoe gevaarlijk de situatie wel was. Geweren tegenover dynamietstaven. Ik drentelde wat rond en nam enkele foto's. Het enige haalbare leek me dat het leger zich zou terugtrekken. Naar de gouverneur dus... maar ik werd er ontvangen door drie ministers die kwamen dialogeren. Het bevel tot terugtrekken was al gegeven. De volgende dag verscheen in de krant dat 'el hermano Gilberto' iedereen tot kalmte had aangemaand.”

Volksheld-tegen-heug-en-meug Gilbert blijft er uiterst bescheiden bij. Er waren ook minder glorievolle momenten. Z'n inzet voor het milieu bijvoorbeeld werd door de mijnwerkers niet altijd in dank afgenomen. Ze vreesden op korte termijn voor hun job en bestaan. Zo sleurden ze een pop van een dikke man met een bril door de straten en staken die nadien in brand. Dat ging over mij natuurlijk, lacht Gilbert en hij klopt zich op de buik.

Er zijn niet veel Belgen meer in Bolivia. Ook niet zoveel oblaten meer, zeker niet van buitenlandse afkomst. Gilbert heeft in al die jaren veel van zijn confraters zien verdwijnen. Na enig nadenken komt hij nog aan zeven namen voor heel Bolivia. Leeftijd, maar ook uittreding hebben hun werk gedaan. Heeft hij daar zelf ooit aan gedacht?
“Eigenlijk niet. Ik vind dat ik voldoende ruimte in de kerk heb gekregen om mijn ding te doen. Ik heb vijf jaar voor priester gestudeerd, maar ik ben het eindelijk niet geworden om als diaken een betere missionaris te kunnen zijn.”

In 2014 zien we hem terug. In dat jaar is hij precies 50 jaar oblaat en 40 jaar actief bij de Aymara-indianen. Mooie ronde getallen en wellicht de hoogste tijd om hem dan ook hier te lauweren, in de bloementjes te zetten en hem passend te bekronen voor z'n ongewone traject daar in Bolivia. Waarom zou er voor zo iemand met uitzonderlijke internationale erkende verdiensten geen ereburgerschap van de gemeente Zonnebeke inzitten? Lobbyen maar!

'Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales' van Walter Lotens is een uitgave van ASP 'Academic Scientific Publishers, 2012, ISBN 978 90 7028 917 1.

woensdag 10 oktober 2012

Augustinus over het gelukkige leven

Leven in balans

Zaterdag 22 september was een hoogdag voor de vrienden van Augustinus. Sinds 1986 organiseert het Augustijns Hoger Instituut in Heverlee jaarlijks een Augustinusdag rond een thema van zijn denken en spiritualiteit. Dit jaar over het geluk. Drie sprekers diepten het thema uit: Prof. Gerd Van Riel (KU Leuven – Hoger Instituut voor Wijsbegeerte) deed dit onder de titel 'Geluk als streven naar wijsheid'. Van de filosofie naar de pers, Monic Slingerland (Redactrice Religie & Filosofie, dagblad Trouw), wierp een hedendaagse, journalistieke blik op het thema: 'Geluk, als een streven naar iets dat ons overkomt' en Katrien Cornette (Pastoraal medewerker universitair psychiatrisch centrum Sint-Kamillus in Bierbeek) belichtte geluk vanuit de pastorale hoek en het gezin: 'In balans, een reflectie over geluk in de dagelijkse werkelijkheid.'




Drie uiteenlopende maar uiterst boeiende benaderingen. Zo legde professor Gerd Van Riel in een waar intellectueel hoogstandje een volstrekte overeenkomst bloot tussen de zeven gaven van de geest en de zaligheden. Augustinus was altijd al behept door z'n zoeken naar waarheid, wijsheid en geluk. Een tocht die hij begon vanuit de filosofie en hem naar het inzicht leidde dat de christelijke leer, die het schandaal van de kruisdood centraal stelt – een dwaasheid voor de heidenen, maar ware wijsheid en kracht van God – het haalt op alle andere filosofische overtuigingen.


Augustinus boekje 'Over het gelukkige leven' leest volgens Monic Slingerland dan weer als een geslaagde journalistieke reportage. “We willen gelukkig zijn”, riep de jonge Augustinus tegen zijn vrienden, zijn moeder en zijn zoon op een bewolkte novemberdag in het jaar 386. We zouden het hem vandaag zo willen naroepen. Naarmate hij ouder wordt ervaart Augustinus het geluk steeds meer als een genade, iets dat je niet zelf bekomt en kunt vasthouden. Hoe langer je probeert de kracht van het geluk te ontrafelen, hoe meer je op (schijnbare) tegenstrijdigheden botst zoals verlangen en bevrediging, vrijheid en verbondenheid. In dit verband een doordenkertje. Als er een dag is, die als de gelukkigste dag van ons leven bekendstaat, dan is dat de trouwdag. Eigenlijk is dat vreemd. Juist omdat wij in deze streken en in deze dagen zo sterk hechten aan onafhankelijkheid en aan individuele vrijheid. Toch noemen we de trouwdag de gelukkigste dag van ons leven.




Dr. Katrien Cornette  – een Ieperse, en dat schept sowieso een band – stelt dan weer “Fleurs de bonheur, il faut les ceuillir toi-même ...” Het geluk ligt voor het grijpen maar we zijn als het ware zo geconditioneerd dat we er willens nillens aan voorbijgaan. Geluk heeft iets van een apothekersschaaltje. Het bestaat erin te kunnen balanceren tussen beide polen in en in die nooit eindigende beweging een soort harmonie te vinden zonder ooit tot een evenwicht te komen. Dat klinkt heel cryptisch maar door het woord 'balans' als een acrostichon te gebruiken, waarbij elke letter voor een les staat die zo uit het dagelijkse leven gegrepen is, wordt snel heel wat duidelijk. 

De 'B' staat hierbij voor 'beperken' (kunnen begrenzen en 'neen' zeggen); de 'A' voor 'afstand houden' (niet samenvallen met); de 'L' voor 'leunen op' (je krachtbronnen kennen en inzetten); de 'A' voor 'aanvaarden wat onaf is' (je verzoenen met de imperfectie); de 'N' voor het kunnen bewonen van het 'nu'; en de 'S' voor het koesteren van de 'stilte'.

Het zijn zes taken die kunnen helpen om de weerspannigheid van het dagelijks leven te verdragen en toch in die continue spanning te blijven staan. Merkwaardig genoeg zijn deze taken of geluksvoorwaarden, zoveel eeuwen terug, ook door een geleerd man als Augustinus ontdekt. Hij raakt ze aan in zijn Belijdenissen en in zijn pittig tractaat 'De beata vita – Over het gelukkige leven'.

Augustinus klinkt aardig modern als hij schrijft: “Het geluk van de ziel is de wijsheid, als juiste maat van de ziel, waardoor deze niet in een teveel overloopt noch tot een minder dan het volle gedwongen wordt. In het genot, de ambities, de hoogmoed en dergelijke loopt de ziel over en meent men met deze mateloze en ellendige bewegingen van de ziel plezier en macht te verwerven. Wanneer de ziel zich echter op de wijsheid gericht heeft, moet zij niets meer vrezen.”

Denkend aan de gegeven spreuk “Fleurs de bonheur, il faut les ceuillir toi-même ...” , mogen we niet alleen focussen op taak(in)spanningen en opdrachten (het plukken) want dat resulteert alleen maar in meer stress, maar ook op hetgeen zich stil ontvouwt als een bloem langs de weg. Open komen dus voor de 'kleine genade van elke dag'.

Is het mogelijk God op het spoor te komen als Iemand die ons tegemoet treedt in wat ons mensen dagelijks bezighoudt? Omarmen vrijheid en genade elkaar in het dagelijkse leven?
Tegenover elk streven van de mens naar geluk staat een cadeau van Godswege:
Beperken versus Matigheid, Afstand houden vs. Geduld, Leunen vs. Vertrouwen, Aanvaarden wat onaf is vs. Zachtmoedigheid of Mildheid, het Nu bewonen vs. de Vreugde in het nu, de Stilte koesteren vs. Vrede. Daar zijn ze weer, de gaven van de Geest uit de Galatenbrief.
Augustinus verwoordt dit wondere samenspel als volgt:
“Geef mij iemand die liefheeft en die zal begrijpen wat ik zeg. Geef mij een ziel die hunkert van verlangen, en die zal weten wat ik zeg. Een koude of lauwe ziel begrijpt mijn woorden niet. Niemand komt tot Christus als de Vader hem niet trekt. En wie zijn zij die zich laten trekken? Wel, zij die gedreven worden door de Geest van God, zij zijn kinderen van God.”

Anno 2012 worden mensen nog steeds gedreven door de Geest in de richting van hun eigenste verlangen, ook al zijn zij zich daar niet van bewust. Omdat ze de God's taal niet kennen. Of omdat ze te zeer op hun vrijheid staan om extern werkende factoren in hun leven te onderkennen. Het kan voor hen bevrijdend zijn te horen van een God die werkzaam is, niet boven hen, maar diep in hun eigen binnenste (intimior intimo meo). Een God die hun verzuchtingen en talenten ernstig neemt en van daaruit vertrekkend hen stuwt om voller naar buiten te komen. Bidden hoeft dan niet iets wereldvreemd te zijn. Het kan met heel eenvoudige woorden... of daden.

Zoals Etty Hillesum ons voorbidt:
“God, het wordt me steeds duidelijker: Jij kunt ons niet helpen; wij moeten Jou helpen, en door dat laatste helpen wij onszelf. En misschien kunnen wij eraan meewerken Jou op te graven in de geteisterde harten van anderen en proberen iets van jouw aanwezigheid in hen naar boven te halen (...) Want binnen in de mens zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet Hij weer opgegraven worden.”

De volledig uitgeschreven tekst van deze drie voordrachten zijn samen met het artikel “Augustinus over het hart als de kern van het menselijk geluk” van Anthony Dupont en Pierre-Paul Walraet, OCS na te lezen in de traditioneel fraai uitgegeven syllabus van deze dag “Augustinus over het Gelukkige Leven” te verkrijgen bij het Augustijns Historisch Instituut , Pakenstraat 65, Heverlee – Leuven.

woensdag 3 oktober 2012

De toekomst van onze Kerk in ons kerkgebouw
















De toekomst van onze Kerk 'in' ons kerkgebouw hangt in hoge mate af van de 'levende' stenen die wij vormen binnen de kerkgemeenschap. Dat zou de conclusie kunnen zijn van een geanimeerd avondje gedachtenwisseling.

Een dertigtal mensen, die van hun kerk houden in de dubbele betekenis van het woord, waren naar het Lucaszaaltje in Zonnebeke getrokken om er zich o.l.v. Geert Vervaecke te verdiepen over deze prangende vraag. Geert is diaken op de Godelieve-parochie in Roeselare, vanouds bekend als een levendige geloofsgemeenschap. Hij leidt ook de Dienst Parochiepastoraal van het bisdom Brugge. De geknipte persoon dus om ons in alle objectiviteit in te leiden in deze toch wel kwellende problematiek. Aanleiding tot deze vraagstelling zijn 'de nota Bourgeois' en 'de pastorale brief van bisschop De Kesel'. Zij veruitwendigen, verwoorden als het ware
wat er al lang en nu versneld zit aan te komen: beantwoordt de immense kerkelijke infrastructuur en de instandhouding ervan nog aan de maatschappelijke realiteit vandaag? Belangrijk is daarbij dat noch de minister, noch de bisschop ons van bovenaf een regeling willen opleggen. Zij vragen ons gelovigen wel binnen een redelijke, korte termijn een antwoord. Wat zijn we van zins? En we kunnen ze niet zomaar met een kluitje in het riet sturen. We kunnen onze kop niet (blijven) in het zand steken, alsof er niets aan de hand is. In traditionele landelijke gebieden als de onze – en dat is geen verwijt – hinken we al achter op de evolutie in de stedelijke gebieden waar de geloofsafval en/of de verminderde kerkbetrokkenheid zich massaal doorzet. We mogen niet de illusie hebben daar immuun voor te zijn. De pastorale ervaring spreekt dat alles behalve tegen.
Toch is deze problematiek verre van eenvoudig. Onze kerken zijn meer dan louter religieus erfgoed. In een plattelandsgemeente als Zonnebeke maken ze deel uit van de lokale identiteit,
van de dorpen zelf. Het zijn bakens in het landschap. Om het scherp te stellen, breek ze af en je creëert een impact van vijf plaatselijke 'grand zero's', trauma's niet alleen in de ruimte maar ook in de hoofden van de mensen. Of de kerken voor de eredienst aangewend worden of niet maakt financieel voor de gemeente niet veel uit. Als je opteert ze te behouden, moet je ze ook onderhouden. Anders verloedert dat patrimonium. In steden waar veel kerken staan, is het al wat makkelijker kerken te herbestemmen, zeker als ze niet geklasseerd zijn. In onze dorpen niet. Ze worden als collectief bezit ervaren. Het zijn ook plaatsen waar mensen kortstondig asiel kunnen vinden voor hun dagelijkse al dan niet zware beslommeringen. Een soort vrijplaats waar ze zich kunnen herpakken, moed verzamelen om verder te gaan, waar ze zich doordeweeks ritueel kunnen verbinden met wat hun te boven gaan. Men kan daar lacherig over doen maar zo'n sacrale ruimtes kunnen weldadig zijn. Het zijn onze Lourdes, Santiago de Compostella's binnen handbereik. Ze zijn van levensbelang.

Omdat – gelovig of niet – onze kerkgebouwen deel uitmaken van onze collectiviteit ligt het voor de hand ze ook in wederzijds respect en gastvrij collectief aan te wenden. In de eerste plaats natuurlijk voor de eredienst of gelijksoortige initiatieven. In zo'n gebouw doet men ook niet zomaar om het even wat. Het zijn plaatsen van diepe ernst waar ook schoonheid, goedheid, ingetogenheid en zingeving gedijen en waar banaliteit taboe is. Het zijn plaatsen die zich te weer stellen tegenover plat en gevoelloos materialisme. Plaatsen die liefde uitstralen en daarom ook plaatsen waar uitgebluste, zielloze kerkelijke gemeenschappen eigenlijk niet meer thuishoren. Harde woorden, jawel, maar op de een of andere manier moeten ze deze thuishaven ook waardig zijn. Het mag nooit zomaar een verworven recht zijjn. Ze moeten er hun geloof ook echt vieren, het moeten uitvalbasissen zijn voor allerlei diaconale initiatieven, het geloof moet er ook verdiept en geleerd worden. Het horen bronnen van spiritualiteit te zijn. En daar mangelt het zo dikwijls aan. Alles wordt op de duur zo vanzelfsprekend gevonden of verondersteld dat het krachtloos wordt en eigenlijk nog weinig voorstelt. Zo'n gemeenschappen hoeven niet noodzakelijk groot te zijn maar hun werking moet dan wel 'groots' zijn en eerbied afdwingen. Dan is er hoegenaamd geen probleem!

Soms wordt geopperd dat we professioneler en minder amateuristisch te werk moeten gaan. Natuurlijk moeten we het beste van ons zelf geven maar we moeten ook beseffen – en dat geldt voor gans het verenigingsleven – dat we nooit op kunnen tornen tegen professionals.
Dat is al lang gebleken. Onze kracht ligt echter in medemenselijkheid en vriendschap en daar komt uiteindelijk weinig 'glitter' en 'high tech' aan te pas, en al kunnen ze wel nuttig zijn, daar hangt het zelden of nooit van af.

Vandaar onze conclusie dat de toekomst van onze Kerk in ons kerkgebouw in hoge mate afhangt van de 'levende' stenen die wij vormen binnen de kerkgemeenschap.