Pagina's

Posts tonen met het label Lode Aerts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lode Aerts. Alle posts tonen

woensdag 28 maart 2018

De gezindheid van Jezus



Op woensdag 21 maart nam onze bisschop Mgr. Lode Aerts – in de kapel van de zusters karmelietessen in Vlamertinge – ons bij wijze van decanale vastenbezinning mee in een reflectie over ‘de gezindheid van Jezus’. Dat deed hij aan de hand van een heel mooie passage uit één van de brieven van Paulus, namelijk Fil. 2,6-11, beter gekend als de ‘Filippenzen- of Christushymne’. Hierbij een verwerking.

We staan hier stil bij een van de oudste teksten over Jezus uit een brief van Paulus aan de christenen van Filippi. Daarin lezen we een lofzang, een soort credo avant-la-lettre. Deze passage is voor sommigen wellicht geen onbekende tekst, want ze wordt ieder jaar opnieuw op Palmzondag gelezen, vlak voordat het Passieverhaal wordt voorgedragen. Ze dringt werkelijk door tot de kern van het hele Goede Weekgebeuren. Daarin roept de apostel ons op de gezindheid van Jezus ook tot de onze te maken.

Christus eren in mekaar
De tekst wordt ingeleid met een oproep tot eenheid in de liefde, door eensgezindheid in voelen en denken, samenhorigheid, gemeenschap van Geest, samengevat de gezindheid van Jezus Christus zelf. (Fil 2,1-5). Paulus drukt de gelovigen – en meteen ook ons – op het hart elkaar graag te zien, niet toe te geven aan ijdelheid of eigenbelang, de ander altijd wat hoger te achten dan zichzelf. Christus spreekt tot ons vanuit onze diverse kwaliteiten. Al die positieve eigenschappen – charisma's – mogen we vanuit Hem bij elkaar waarderen. Als we al die gegeven positiviteit dan nog eens samenvoegen, elkaar aanvaarden zoals we zijn, worden we één en komen we beduidend sterker voor de dag dan anders.

Dat is geen kwestie van moraal (doen omdat het zo moet) maar van ethiek die voortkomt uit mystiek (éénwording), dixit Kardinaal Danneels. Hoe eensgezinder we zijn hoe meer Jezus in ons tot leven komt en wij in hem. Dat geldt evenzeer in een relatie, werk-, verenigings- of pastoraal verband. Zo komen we tot de (eens-)gezindheid van Jezus zelf. Daarmee eren en loven we Hem ook in ons gezamenlijk handelen.

De gezindheid – zijn manier van zijn en bestaan of mindset – van Jezus wordt verder vertolkt in voornoemde filippenzenhymne. (Fil 2,6-11) We vinden ze trouwens in varianten tot tweemaal toe in ons zangboek Zingt Jubilate (364 en 382).

[6] Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn.
[7] Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden.
[8] En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis.
[9] Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat,
[10] opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
[11] en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer dat is Jezus Christus.



Het lied beschrijft als het ware een kosmische reis – heen en terug – een duikvlucht vanuit de hoge hemel naar de diepste diepte en dan weer steil omhoog, want zover reikt Gods liefde in wie Hij is. Wie iemand liefheeft, die blijft ook niet passief zitten maar wil naar zijn geliefde toe en wil hem of haar voor zich winnen. Daarom is God in Jezus mens geworden en is Hij onder ons komen wonen.

Hij heeft niet genoeg aan zichzelf en is niet zelfzuchtig. Hij trekt geen muren op. Kerkvader Augustinus (354-430) verwoordt het mooi en helder in deze zin: “Wie begint lief te hebben, begint uit zichzelf te treden”. Zo is God en in Jezus komt Hij naar ons toe. Paus Benedictus XVI schrijft dat God zich in Jezus buiten haakjes zet om onder ons als mensen te kunnen zijn. Hij cijfert zich dus weg zoals ook ouders dat doen voor hun kinderen. Want wie teveel op zijn strepen gaat staan komt gemakkelijk tot onverschil.

Voor de fijnproevers: Adam maakt in het scheppingsverhaal precies de omgekeerde beweging van Jezus en denkt hetzelfde te kunnen bereiken: één te worden met God. Hij laat zich door de ‘slang’ in de (zonde)val strikken en wil slechts uit pure, aangewakkerde ik-zucht aan God gelijk worden. Een ander beeld van hoe Jezus zich geeft is dat van van de rivier de Jordaan. Die van het visrijke meer van Genesareth (Galilea) zuidwaarts voorbij Jeruzalem afwatert naar de Dode Zee, het laagst gelegen meer ter wereld waar alle leven ophoudt. Geven maakt gelukkig, tot in de dood zelf. Dat is ook de paradox van de liefde.

Waarom en hoever Jezus wil gaan in dat geven of ‘zichzelf ontledigen’, schrijft dezelfde Paulus in hoofdstuk 8 vers 9 in de tweede brief aan de Korinthiërs : “Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.” Het is meteen menens want Hij wordt geboren in een stal in een uithoek van het Romeinse rijk. Alleen enkele herders zijn er in de marge getuige van.

Erfzonde
Meer nog: ‘Hij neemt de gestalte aan van een slaaf.’ Paulus verbindt slavernij vaak met zondigheid, onvrijheid of verslaving, het onderworpen zijn aan het kwaad. Het kwaad is in Satan een duivelse kracht. Het komt niet alleen uit onszelf, kan ons gaandeweg overmeesteren en ons meesleuren in een spiraal van geweld.

De Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) schreef ooit dat de erfzonde de enige christelijke geloofswaarheid was die zich empirisch laat bewijzen. Om de geneigdheid van de mens tot het kwade te zien – ondanks al zijn pogingen om het goede te doen – hoef je maar om je heen te kijken. De bewijzen hiervan zijn legio en onomstotelijk. Je kan kiezen uit een enorme hoeveelheid beschrijvingen door overlevenden van de vernietigingskampen van de nazi’s, van Stalins goelag en van de talloze imitaties hiervan in onze wereld tot op de dag van vandaag. Of, gewoon met de apostel Paulus, in je eigen hart gaan kijken: “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Jezus, de enige mens, die zonder zonde is verwerpt dan wel de zonde maar nooit de zondaar zelf.


(Aan de voeten van de gekruisigde - Jaap Schruers)
God lijdt met ons
Meer nog: Hij gaat zelfs zover dat hij zich in gehoorzaamheid – uit vrije wil – vernedert tot de marteldood aan het kruis. Gruwelijk als die was en boosaardig gericht op het eindeloos rekken van het lijden was dergelijke vorm van executie een ondenkbaar, onuitsprekelijk vonnis voor elke Romeinse – wat meer mens dan een andere – burger. Een straf, enkel voorbehouden voor slaven, vreemdelingen, gepeupel of godloochenaars in de ogen van de toenmalige religieuze leiders. Maar God blijft in Jezus, mensen – wat ze ook tot hun eigen schande gedaan hebben – nabij tot in hun diepste ellende, lijdt zelfs fysiek met hen mee en beantwoordt het minste greintje berouw met zijn liefde.

Kerkvader Origenes (185-254) schrijft daarover: “Beseft gij niet dat wanneer God zich inlaat met de avonturen van de mensen, Hij dan ook menselijk lijden aanvoelt. De Heer uw God droeg u zoals iemand zijn kinderen. God neemt onze manier van leven in de wereld op zich, juist als Jezus ons leven op zich neemt. God is echt niet ongevoelig. Als we tot Hem bidden heeft hij altijd mededogen. Hij lijdt met ons mee.”

Gods liefde gaat alles te boven
Met deze hymne wil Paulus ons binnenvoeren in het mysterie van Jezus Christus. Jezus hoort tot de wereld van het goddelijke, maar Hij laat zich daarop niet voorstaan. Hij stelt zich juist dienstbaar op, als een slaaf, en aanvaardt in alle vrijheid het ergste lijden en een vreselijke dood. Het is een extreem bewijs van trouw en het toppunt van liefde, als je dit allemaal voor God, voor het volk en voor de hele mensheid overhebt.

Omdat God zelf de bron van alle liefde is, heeft Hij Hem hoog verheven en heeft Hij zijn naam aan Jezus’ naam verbonden. In bijbelse taal betekent dat de hoogst denkbare plaats en waardigheid. Met verwijzing naar Jesaja 45, 23 wordt Hem nu alle eer toegeschreven in de hemel en op aarde en zelfs daaronder. Hem wordt een naam gegeven die boven alle namen is: ‘Jezus Christus is de Heer’. Wie dit ziet – zoals zo vaak bekeerlingen – zal Hem erkennen als zijn Heer en als de gezondene van God. Zelfs de duivel, de verpersoonlijking van het kwaad, kan hier niet tegenop. Zo voert de hymne ons binnen in het geheim van de liefde zoals dit in het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus wordt geopenbaard.

De Goede Week nodigt ons uit stil te staan bij de kern van ons geloven. Het verhaal over Jezus Christus, dat zich in de verschillende vieringen voor ons afspeelt, maakt ons tot getuigen van iets waarvoor wij geen woorden hebben. De Goede Week aandachtig meevieren kan ons niet echt alles uitleggen, maar ons misschien wel verder tot de kern doen naderen.

donderdag 8 februari 2018

Verdiepen en verbinden



Dat is de titel die bisschop Lode Aerts meegaf aan zijn eerste pastorale beleidsbrief, waarin hij een lans breekt voor ‘eenheidspastoraal’. We lazen mee met Geert De Cubber in het Tertio-dossier ‘Gemeenschapsopbouw in een seculiere cultuur’ (2018/938) en lichten de krachtlijnen van zijn pastorale beleid toe.

Aan het einde van zijn eerste volledige jaar als bisschop van Brugge valt Lode Aerts met de titel van zijn beleidsbrief ‘Verdiepen en verbinden’ met de deur in huis. De woorden vatten de twee zwaartepunten van zijn visie samen. Op de gespreksbrief die hij voorafgaand in september rondstuurde, reageerden 500 mensen. Uit de antwoorden kwamen twee lijnen duidelijk naar voor: mensen willen hun geloof verdiepen en verlangen ze naar een verbindend leven in de breedte.

Kostbaar
“We mogen als kerkgemeenschap zelf het evangelie herontdekken”, vindt hij. “Er is Iemand die naar ons omziet, niet omdat we zo vroom of ijverig zijn, maar gewoon omdat we zijn wie we zijn. Die vriendschap met Jezus mogen we gerust cultiveren. Elke mens is kostbaar in zijn ogen. Hoe meer verdieping, hoe meer de deur naar anderen opengaat.”

Het Tweede Vaticaans Concilie wees erop dat de Kerk de banden best binnen en buiten haar muren aanhaalt. Bruggen slaan en muren afbreken. Dat betekent meer samenwerken binnen de Kerk zelf en ook niet bang zijn naar buiten te gaan, in een sterk veranderde en veranderende omgeving. 

Concreet zagen we bijvoorbeeld dat de gelovigen – toen iedereen nog massaal ter kerke trok – versnipperd raakten volgens geslacht, leeftijd en (toes)standen in allerlei bewegingen en instellingen. Hoewel daar nog steeds heel veel goeds gebeurt, ging iedereen vaak z’n eigen weg en werd de band met de parochie steeds losser en beperkte deze laatste zich steeds vaker tot loutere liturgie.

Missionair
Met zijn beleidsbrief ziet de bisschop mogelijkheden. “Mijn eerste indruk is dat we – zoals paus Franciscus zegt – missionair worden. Het evangelie is goed nieuws voor iedereen. Het geeft ons de kans meer Kerk te zijn. Om het met de woorden van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer te zeggen: ze is er voor de anderen. Daar zit een zekere broosheid in, maar dat maakt het ook mooi. We stellen vast dat de begeleiding van catechumenen – mensen die op volwassen leeftijd vragen om het doopsel – nieuw leven geeft. Zij houden ons een spiegel voor: hoe zit het met ons gelovige leven?”


Uitdaging
Dat de kerk die missionaire taak opnieuw tracht op te nemen, hebben we eveneens aan de huidige paus te danken. “En om die Kerk meer Kerk te maken, moeten we ons bij alles in de Kerk afvragen: helpt het of hindert het veeleer om het evangelie door te geven? Zeker in een cultuur die het goed doet zonder God en waar geloof niet te veel in de bredere samenleving mag binnenkomen, is dat een grote uitdaging. Toch is het onze roeping dat ook gelovigen de samenleving kunnen inspireren, zonder zich op te dringen.”

Vieren, zeggen, doen
“Bovendien is het christelijke geloof ook bij gelovigen zelf niet zo goed bekend”, klinkt het verrassend. “Daarom zetten we volop in op vorming. Zonder te oordelen over hoe het vroeger was: we moeten het hart van het evangelie leren kennen.”

Daarvoor wil hij verder inzetten op wat hij in zijn beleidsbrief ‘eenheidspastoraal’ noemt. In de praktijk van lokale geloofsgemeenschappen ziet de bisschop verschillende manieren om tot een grotere eenheid te komen. “Er is nood aan eenheid tussen vieren, zeggen en doen. Die horen veel meer samen. Het hart van het geloof maak je mee in de liturgie, maar is ongeloofwaardig zonder zorg voor anderen. Daarnaast moeten we het geheel van de pastorale zorg zoveel mogelijk afstemmen op het concrete leven van de mens, in de meanders van zijn bestaan. Goede eenheidspastoraal heeft aandacht voor banden doorheen het leven van mensen, van jong tot oud.”

Beloftevol
Tijdens zijn eerste bisschopsjaar bezocht bisschop Lode de decanaten. “We hebben daar nog een vorm gezien van eenheidspastoraal”, getuigt hij. “Het gaat over de samenwerking tussen sommige pastorale eenheden en instellingen. Die is beloftevol. Nu mensen steeds korter worden opgenomen in het ziekenhuis, zijn goede contacten tussen de pastorale dienst van de zorginstelling en de pastorale eenheid uitermate belangrijk. Vaak zien we dat de zinvragen naar boven komen als het vertrouwen gegroeid is en als er – na een soms intensieve behandeling in het ziekenhuis – wat meer tijd is daarbij stil te staan als mensen opnieuw in hun vertrouwde thuisomgeving komen.”

Huwelijk en doop
Voor de sacramentenvoorbereiding pleit hij in zijn brief voor een ‘geleidelijke vernieuwing’. Hij wil eerst en vooral de huwelijks- en doopvoorbereiding verder uitbouwen. “Omdat het een voorsmaak geeft van hoe het steeds meer zal gaan: jonge koppels of ouders komen in alle vrijheid naar de kerk en verwachten onze hulp. Hun vragen dagen ons uit. Hoe steunen wij, christenen, hun broze relatie? Wat mogen ze verwachten van een doopsel in onze
parochiegemeenschap? Hoe meer we dan verbinden, hoe meer we zelf verdiepen.” “Dat doop en huwelijk voorrang krijgen, heeft ook een praktische aanleiding”, benadrukt de bisschop.

“Er waren de twee grote kerkvergaderingen en de tekst van de paus: de synodes over het gezin en Amoris Laetitia. Daarin staat dat de lokale kerkgemeenschap haar verantwoordelijkheid dient te nemen. We mogen de huwelijksvoorbereiding niet te lichtzinnig opvatten en mogen ons na het huwelijk ook niet zomaar wegtrekken van het pas gehuwde koppel. In een tijd waarin relaties niet zomaar standhouden, is ondersteuning eveneens een maatschappelijke zorg.”

Niet sluiten, maar ontsluiten
Vanaf september genieten de Brugse seminaristen het grootste deel van hun opleiding in Leuven, samen met de kandidaat-priesters van de andere Vlaamse bisdommen. “Voor de priesters van de toekomst is het beter samen de opleiding te volgen. We delen in elkaars rijkdom voor de vormingsploeg. En Leuven is een grote studentenstad. Dat de seminaristen met andere kerkvisies geconfronteerd worden, vind ik ook positief. We profiteren van de ervaring van andere bisdommen die al samenwerkten. De band met het eigen bisdom moet evenwel behouden blijven.”

Dat de seminaristen in Leuven studeren, betekent ook niet dat het Brugse seminarie sluit. Het wordt ontsloten als een diocesaan huis voor vorming en ontmoeting en het biedt een thuis aan wie de priesteropleiding volgt. “De begeleiding van hieruit blijft en ook de stage – de praktische opleiding – wordt vanuit het thuisbisdom aangestuurd. Die goede mix van de band met Brugge en genieten van het grotere geheel bereidt de kandidaat-priesters beter voor op de kerk van morgen.”

Werken aan professionaliteit
De beleidsbrief beklemtoont een ‘waarderend medewerkersbeleid’. “Het valt op”, vindt de bisschop, “dat in de reacties op de gespreksbrief vaak klonk dat er nood is aan een professioneel personeelsbeleid. Mensen ervaren dat als urgent. Voor de kerk is het zoeken hoe we kunnen groeien in professionaliteit. En hoe we daarbij respect tonen voor ieders roeping en zending. Wie zijn leven vanuit zijn geloof aan de Kerk geeft, verdient ook goede begeleiding. We willen zoeken naar vormen van zo'n begeleiding en daarbij de verschillen respecteren en mensen spiritueel ondersteunen.”


Initiatieven aanmoedigen
Een laatste hoofdstuk in de beleidsbrief behandelt de jongerenpastoraal. “Zelfs zonder een volledig uitgewerkt stappenplan is de oriëntatie duidelijk. We willen – opnieuw – bruggen slaan en bijvoorbeeld onderwijs en jongerenpastoraal met elkaar in contact brengen. Beide kunnen elkaar alleen maar versterken. Ik neem graag het voorbeeld van Nederland. Daar zijn veel minder katholieke scholen. Toch rijden vanuit die scholen bussen naar Taizé. Niet dat we in Vlaanderen de katholieke scholen onder druk moeten zetten, maar we mogen die initiatieven wel aanmoedigen.

En ik vermeld graag nog de ‘actie Sjaal voor de kathedraal’ van IJD Brugge in het kader van de Warmste Week. Veel jongeren deden met een groot hart mee. Er werden zelfs heuse breimarathons georganiseerd. Er was ook een viering. En na de actie werden van de grote sjaal – die uiteindelijk meer dan twee kilometer lang was – dekens gemaakt voor vluchtelingen. Dat toont de verbondenheid. Geloof moetje niet voor jezelf houden. Zonder opdringerig te zijn, leert paus Franciscus ons vanuit de kern van ons geloof naar buiten te treden. Zo creëer je over generaties en plaatsen heen verbondenheid vanuit verdieping”, besluit bisschop Lode Aerts.

donderdag 26 oktober 2017

De oorlog en het Vaticaan


In het kader van de vele herdenkingen en publicaties van 100 jaar Eerste Wereldoorlog, mocht een boek met de gelijknamige titel én ondertitel ‘Geheim verzet na de brand van Leuven’ van de hand van Johan Ickx niet ontbreken. Als verantwoordelijke voor het historisch archief van de sectie buitenlandse betrekkingen van de Heilige Stoel is de auteur uitstekend geplaatst om de lezer binnen te leiden in de interne keuken van de Vaticaanse diplomatie tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een interview met de auteur verscheen eerder al in Tertio. Het boek werd voorgesteld op vrijdag 20 oktober in het museumcafé van het In Flanders Fields Museum te Ieper in aanwezigheid van heelwat prominenten. In de marge maakte bisschop Lode Aerts een overweging over de verhouding tussen God en geweld.

Kerkhistoricus Johan Ickx delft nu voor het eerst het geheime rapport op dat rector Paulin Ladeuze daarna aan de Heilige Stoel bezorgde. Zijn onderzoek in de archieven van het Staatssecretariaat leidde tot ‘een origineel verhaal met non-conformistische besluiten’, stelt kardinaal Pietro Parolin in het voorwoord van De oorlog en het Vaticaan.

Het Duitse leger legde in 1914 Leuven zo goed als plat. Ook de universiteitsbibliotheek ging in vlammen op.

Parallel met de Groote Oorlog woedde vanaf eind 1914 tot de helft van 1915 “een andere stille maar niet minder beslissende oorlog in de paleizen en salons van Rome en het Vaticaan”, schrijft staatssecretaris Pietro Parolin in zijn aanprijzing van het jongste boek van Johan Ickx. Wat was er loos in de interne keuken van de Vaticaanse diplomatie na de brand van Leuven eind augustus 1914?

Fabel staaft actie
“Twee documenten die ik vond in de archieven van het Staatssecretariaat, tonen aan dat er meer intriges gaande waren dan tot nu toe gedacht”, zegt de auteur. “Eerder was er al op gewezen dat de Duitsers een fabel verspreidden om hun actie te legitimeren, namelijk dat ze Leuven platbrandden als reactie op burger-sluipschutters - franc-tireurs - die hen aanvielen. Dat een scherpe veroordeling van de verwoesting van Leuven door de toenmalige paus, Benedictus XV, uitbleef, kon erop wijzen dat de Heilige Stoel geloofde in de Duitse propaganda. Net zoals Pius XII het stempel kreeg Hitler's Pope te zijn, zo werd van Benedictus XV een ‘vriend van de Duitsers’ gemaakt. In beide gevallen doet dat geen recht aan de waarheid. Beide pausen streefden onpartijdigheid en vrede na. Zodra het Vaticaan meer inzicht had in de zaak, deed de paus wat hij kon om zo snel mogelijk de glorie van Leuven en haar bibliotheek te herstellen, onder meer door boeken naar de universitei tte laten sturen.”



Eugenio Pacelli
“Helaas duurde het een jaar alvorens de Heilige Stoel over de nodige documenten beschikte die aantoonden dat die franc-tireurs een fabel waren", vervolgt Ickx. “Tot dan werd het Vaticaan inderdaad op een dwaalspoor gezet, onder meer vanuit de nuntiatuur in België die wel partij koos voor de Duitsers. Maar zodra het geheime rapport van rector Paulin Ladeuze met getuigenissen die wezen op de Duitse leugens, op het bureau van Eugenio Pacelli - de latere paus Pius XII was tijdens de Eerste Wereldoorlog de 'buitenland- minister' van het Vaticaan - belandde, geloofde Rome in die versie van de feiten en besefte de Heilige Stoel dat Leuven op basis van willekeur onterecht vernietigd was. Toch kwam er geen publiekelijke veroordeling omdat sommigen vonden dat het niet hard te maken was wie nu gelijk had.”

De kerkhistoricus beklemtoont dat het publieke zwijgen niet betekent dat er niets gebeurde. “Het diplomatieke corps werd gezuiverd: wie Duitse luizen had, werd weggestuurd. De
buitenwereld had evenwel niet door dat dat kwam door de zaak-Leuven. Dat Pacelli in 1917 nuntius in Duitsland werd, wees er volgens sommigen op dat hij niet bekwaam was een orgaan van de Romeinse Curie te leiden. Het was veeleer zo dat hij als een van de weinigen de onpartijdige koers kon verzekeren. Al te makkelijk heulden sommigen mee met de Duitsers. In 1930 werd Pacelli staatssecretaris, in 1939 paus. Van in het begin had hij ingezien dat de Duitse propaganda leugen en bedrog was. Volgens mij is hij daarover nooit meer van gedacht veranderd. Mijn boek stelt het gangbare beeld over hem bij.”

Club van vijf
Zoals de ondertitel aangeeft, draait Ickx' archiefstudie bovenal rond het ‘geheime verzet’. “Ladeuzes rapport paste in een bredere diplomatieke operatie waarbij Belgische professoren en geestelijken vanaf Kerstmis 1914 bondgenoten zochten in Rome. Met hun ondergrondse 'club van vijf' trachtten ze de neutrale houding van de paus - te verklaren omdat er katholieken aan weerszijden van de frontlijn stonden - om te buigen. Dat netwerk met als spilfiguur de Belg Simon Deploige, de Engelsman Duncan Gregory, de Fransman Louis Canet, de Roemeense prins Vladimir Ghika en de Japanner Shinjiro Yamamoto zou trouwens tot na het interbellum blijven functioneren. Over dat vijftal was zo goed als niets geweten. Ik vond in de archieven een korte nota aan Pacelli gericht, over kardinaal Désiré-Joseph Merciers houding in de oorlog. Dat is het enige archiefspoor dat naar een lid van de club verwijst”, verklaart Ickx.

"Er was trouwens nog een groep discreet actief ten voordele van Leuven: de Benedictijnenorde, met dom Lambert Beauduin, kardinaal Francis Aidan Casquet en abt-primaat Fidelis von Stotzingen op kop. Monniken zijn meestal niet politiek of diplomatiek actief tenzij blijkbaar in crisistijden. Ik noem hen het slapende kapitaal van de kerk. Het was ook geen toeval dat Keizersberg gespaard bleef in 1914.”


Bisschop Lode over God en geweld
In de marge sprak bisschop Lode enkele verhelderende woorden over de verhouding tussen God en geweld vanuit de Bijbel. In New York staat het hoofdgebouw van de Verenigde Naties. Voor dat gebouw staat een monument dat de gekende bijbelse uitspraak van de profeet Jesaja verbeeldt over 'zwaarden die omgesmeed worden tot ploegscharen' (Jesaja 2:1-5). Het schetst het visioen van een wereld waar de oorlog zal gebannen zijn. Legers komen er dan niet meer aan te pas want 'ze zullen de oorlog niet meer leren'. Met de afschaffing van de verplichte legerdienst hier, zou je met een beetje goede wil kunnen zeggen dat al ietwat aan dat droombeeld wordt voldaan. Maar veel mensen hebben daar geen boodschap aan en voor hen is precies de godsdienst zelf de bron van geweld en oorlog. Toch is die tekst uit het Oude Testament, de meest toegelichte en becommentarieerde in de eerste christelijke gemeenschappen. Er leefde een sterk verlangen naar een wapenreconversie om het kostbare ijzer aan te wenden in de landbouw voor een betere voedselproductie.

Niet onbelangrijk is ook dat zo'n visioen zich op een heel concrete plaats afspeelt. We lezen bij de profeet Micha aan het begin van het vierde hoofdstuk met een paar varianten precies hetzelfde visioen. Daar wordt er nog aan toegevoegd hoe de mensen er in alle rust zullen kunnen vertoeven in de schaduw van de vijgenboom, dat er vrede zal heersen op die ene plaats. Ergens moet het beginnen.

het niet overal en zomaar ineens gebeurt. Het moet ergens beginnen en handen en voeten krijgen. In dat visioen wordt gesproken van een bepaalde plaats op een heuvel, de berg Sion, het huidige Jeruzalem. In die stad zou er een begin ontstaan van een soort geweldloze samenleving. Bij de

Dat heeft te maken met een bepaalde manier van leven. Bij Jesaja wordt verteld hoe de verhouding tussen arm en rijk moet veranderen. Dat leidt tot minder geweld. Het gebeurt niet ineens. Wie wil oogsten kan niet van de eerste keer alles binnenhalen. De wijngaardenier zal de trossen die nog niet volgroeid zijn nog wat laten hangen voor een na-oogst. Dan zeggen de profeten dat de tweede oogst bestemd is voor de armen, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Wie een geweldloze samenleving wil kan niet zomaar alles gaan claimen. We zijn in zekere mate eerder gebruiker dan eigenaar van alle goederen.

Gerust laten én fascineren
De verspreiding van dat ideaal gebeurt anders dan wij het ons zouden voorstellen. Het gebeurt niet met propaganda of indoctrinatie, het gebeurt door 'fascinatie'. Dat is een rechte lijn die we in de Bijbel of de Kerk veronachtzamen. Het is nu eenmaal zo dat 'goede dingen' veel vlugger worden verspreid omdat ze aantrekkelijk worden. Goede wijn behoeft geen krans. Woorden wekken maar voorbeelden trekken. Indoctrinatie stoot af, zeker bij moderne mensen. Bij Jesaja lezen we niet alleen dat de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen, niet alleen dat het op een bepaalde plaats gebeurt maar ook dat de mensen komen kijken, dat ze er toestromen om het te mogen meemaken. De volkeren zeggen tot elkaar: “Kom wij gaan ook naar de berg van de Heer”.

Zo kunnen ook binnen de Kerk en de Wereld - eerder dan grootschalige missionering of campagnes - kleine inspirerende modellen van vreedzaam samenleven mensen fascineren en inspireren om hetzelfde te gaan doen.

'De oorlog en het Vaticaan', Johan Ickx, 260 blz, 
verscheen bij Lannoo, 2017, 9789401443234 en kost 22,50 euro.