Pagina's

donderdag 30 maart 2017

De Augustijnen in Roeselare

Begin 2017, kwam het na enkele persoonlijke gesprekken tot een verruiming van de Zonnebeekse familia Augustiniana naar Ieper toe. Samen met priester Arnold Loose, priester bij de Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen en Augustinessen, diaken Lode Caes, priester Mathias Parret en transeunt-diaken Ettien Leon N’guessan die op 30 april tot priester wordt gewijd, begonnen we een fraterniteit. We komen maandelijks samen, leggen ons pastoraat en ons leven op Augustinus’ spiritualiteit en maken we plannen, nemen we gelegenheden te baat
om die ook uit te dragen in ons decanaat en daarbuiten. Zo waren we op woensdag 29 maart te gast in het Klein Seminarie in Roeselare, het oudste bisschoppelijke college (1806) in Vlaanderen met Augustijnse roots. Paul Thoen was onze gastheer legde voor ons die wortels bloot, een boeiende geschiedenis in een notendop.

Het prille begin was een hospitaaltje, toegewijd aan Sint-Jan op de plaats waar de Mandel
– nu ondergronds – de Zuidstraat dwarst. In het gasthuis vonden behoeftige zieken en voorbijtrekkende pelgrims een onderkomen. Als gevolg van de godsdiensttwisten en het oorlogsgeweld in de 16de eeuw raakte het in onbruik.

Moeizame vestiging
Toen de paters Augustijnen in 1631 Roeselare bezochten met het oog op een mogelijke stichting troffen zij deze gebouwen in erge staat van verval aan. De vestiging gebeurde niet zonder slag of stoot. Om allerlei – lees vooral financële – redenen waren de pastoor en de stadsmagistraat en de toenmalige bisschop van Brugge weinig opgezet met het initiatief.

Pater Paludanus had al vlug begrepen dat hij het hogerop moest zoeken en kon uiteindelijk de heer van Roeselare en Wijnendale, Wolfgang Wilhelm, hertog van Neuburg overhalen
om in 1635 de goederen en de daaraan verbonden inkomsten van het voormalig hospitaal aan de paters Augustijnen te schenken. De stad kon er slechts wel bij varen. De erediensten zouden frequenter en beter verzorgd kunnen plaatsvinden. Geloofsafval en ketterijen zouden bestreden en zelfs uitgeroeid kunnen worden en bovenal de jeugd zou er met de oprichting van een Latijnse school onderwijs kunnen genieten. Voor de goede orde werd alles tussen alle belanghebbenden met een concordaat geregeld.

Bouw
Na veel administratief getalm vond in 1642 de eerste steenlegging van het hoofdgebouw plaats. De bouw schoot eerst aardig op en een jaar later werd reeds in het westelijke deel van het klooster een voorlopige kapel in gebruik genomen, toegewijd aan ‘O.-L.-Vrouw van Loreto’. Oorlogsomstandigheden en financiële problemen legden de werken stil tot ongeveer 1660. Pas in 1672 was het klooster – met uitzondering van de kerk – afgewerkt. Op de voorgevel staat gebeiteld ‘Anno Domini 1725’ maar pas in 1737 wordt de Augustijnerkerk ingezegend door pastoor-deken Norbertus de la Salie. Mgr. Caïmo, bisschop van Brugge, consacreerde op 24 juni 1757 de kerk, ter ere van’ God Almachtig en van O.-L.-Vrouw van Troost’.

Kloosterleven
De kloosterbevolking bestond uit paters, broeders en enkele knechten. Waar nodig, sprongen de paters bij in de parochiedienst. In de stad en in de omgeving predikten de Augustijnen, dienden sacramenten toe en vervingen pastoors en onderpastoors voor langere of korte tijd. De plechtigheden in de kerk van de paters Augustijnen vielen weldra in de smaak bij bevolking. Verschillende devoties, o.a. een bloeiende verering voor de heilige ‘Nicolaas van Tolentijn’, trokken de mensen aan.

De paterskerk kende geregeld een grote volkstoeloop voor deze heilige, niet het minst op zijn patroonsfeest op 10 september. Deze devotie, die de paters overigens een aardige stuiver opbracht, werd wel eens met lede ogen aanzien door de plaatselijke kerkelijke overheid. Nadat het Augustijnerklooster omgevormd was tot Klein Seminarie, werd het houten devotiebeeldje geschonken aan de nieuwe O.-L.-Vrouwparochie van de stad waar de heilige tot op heden nog altijd wordt vereerd.

Het klooster bezat verder nog enkele huizen, een hofstede en wat land en bos, door aankoop of schenkingen. Dit alles zorgde voor een inkomen. Bedeltochten en mis-stipendia zorgden voor bijkomende inkomsten.

Het ‘Collegium Augustino-Rollariense’


Het Latijns college telde in de 18de eeuw jaarlijks ongeveer 35 leerlingen. Een drietal paters namen het onderricht op zich. Het zegel dat in het Augustijnercollege gebruikt werd vertoont het embleem van de Augustijnerorde: een ontvlammend hart dat kruiselings doorspietst is door twee pijlen. Het randschrift luidt: ‘Col Aug. Roul’

De stadsrekeningen uit die tijd vermelden extra toelagen ‘tot becosten vande prijzen uytghedeelt aende studenten teynden den cours’. Daartegenover stonden vaak toneelopvoeringen waarvan nog enkele programma’s bekend zijn.
In 1756 bracht men ‘Chosroës Koning van Persien van Syroës vermoordt’, ten tonele, opgedragen’. Na dit treurspel volgde nog een kluchtspel: ‘Den Gierighaert om synen pot Die wordt al wetens noch bespot Doch uyt liefde tot syn geldt ‘t Spotten hem niet eens en quelt.’
Dit laatste programma geeft ook de namen van twaalf spelers. Onder hen zijn er zeven inwoners van Roeselare, o.a. Lodewijk Caytan, die bij het tot stand komen van het latere Klein Seminarie een hoofdrol speelde.

Franse overheersing
De Franse bemoeienissen vanaf 1794 en daarna de bezetting zouden het einde betekenen voor het Roeselaarse klooster en de daaraan verbonden school. De Franse overheid wilde de vele onderwijsinstellingen hervormen en onder één staatsbestuur brengen.
Door de wet van 15 Fructidor IV (1 september 1796) werden alle ‘geestelijke opvoedingsgestichten’ afgeschaft. Daarna werd de beoefening van de eredienst bemoeilijkt en geestelijke klederdracht verboden. Kerkelijke goederen werden aangeslagen. Op 21 januari 1797 werden de paters uit het klooster gezet. Eerst verbleven zij verspreid bij burgers in de stad. Nadien moesten ze onderduiken.

Het klooster van de Augustijnen kreeg verschillende bestemmingen. Een tijdje logeerden er gendarmen, later werden er aangeslagen goederen opgeslagen en openbaar verkocht. Het klooster werd zelf openbaar te koop gesteld in twee loten. De Augustijnen in de ‘diaspora’ beslisten alles zelf terug te kopen. Daartoe werd een vennootschap aangegaan met zes burgers van Roeselare. Deze vennoten machtigden Pater Canijn tot de aankoop van het eerste lot en Alexander L’hermite tot de aankoop van het tweede. Alles verliep naar wens. Pater Canijn en L’hermite konden het klooster met aangrenzende tuin, land en inboedel, met uitzondering van enkele kunstvoorwerpen en kerkmeubelen, terugkopen. Enkele bezittingen van de Roeselaarse Augustijnen te Rumbeke, Oostnieuwkerke en Moorslede werden later als ’zwart goed’ verkocht.

Maar de paters konden niet lang genieten van hun teruggekochte klooster en kerk. Alle geestelijken werden verplicht een eed van haat af te leggen tegen het koningdom en trouw te beloven aan de republiek. Niemand van de Roeselaarse dekenij, met inbegrip van alle Augustijnen, legde de eed af. De reactie bleef niet uit: een besluit van 15 Ventôse VI (5 maart 1798) gebood alle scholen te sluiten die door onbeëdigde priesters werden geleid.

Weer moesten de Roeselaarse Augustijnen onderduiken. Enkelen gingen in het verzet. Pater Bernardus Six (foto) en enkele jongeren waren actief in de Boerenkrijg. Pater Marinus Doom werd door de Fransen aangehouden en gedeporteerd.

Met het Concordaat van 1801 gaf Napoleon de Kerk gelukkig wat meer bewegingsvrijheid. Zo kende de Roeselaarse kloosterschool nog een kleine heropflakkering. De vennoten, eigenaars van de goederen van het klooster, heropenden het pensionaat in 1803. Het werd bestuurd door de teruggekeerde paters Six en Doom. Deze inrichting bleef bestaan tot januari 1805. Het hoger bestuur van de paters Augustijnen rekende, er toen echter niet meer op dat hun orde door het gouvernement zou erkend worden. Om uit de onverdeeldheid te geraken besloot men het klooster te verkopen.

Klein Seminarie
Na het Concordaat werden de bisdommen Brugge en leper bij dat van Gent gevoegd. Aan het hoofd van dit uitgestrekte bisdom kwam Mgr. Fallot de Beaumont. Het was een van zijn eerste zorgen zijn bisdom terug van voldoende priesters te voorzien. Daartoe heropende hij reeds op 5 november 1804 het Groot Seminarie van Gent. Maar een seminarie alleen kon niet volstaan. Er moesten ook degelijke inrichtingen komen waar humaniora-onderwijs verstrekt werd. Daaruit konden dan leerlingen gerekruteerd worden voor het Groot Seminarie.

Van de zeventien Westvlaamse colleges uit de tijd van Maria-Theresia, waren er na de Franse Revolutie en zijn nasleep slechts een vijftal weer moeizaam op gang gekomen: Veurne en Poperinge onder leiding van diocesane geestelijken, Tielt onder die van de paters Recoletten, en Brugge en Roeselare onder die van de paters Augustijnen. Dit laatste college echter hadden de Augustijnen nu opgegeven.

Dat Mgr. Fallot de Beaumont in 1806 al het eerste Klein Seminarie van zijn bisdom te Roeselare zou oprichten is voornamelijk te danken aan Lodewijk-Albert Caytan, de gewezen vicaris-generaal van de Brugse bisschop. Als oudleerling van de Roeselaarse Augustijnen, kende Caytan de klooster-en collegegebouwen heel goed. Daarbij was hij bevriend met pater Leblanc, lid van de Franse orde van de ‘paters van het Geloof’. Deze orde hield zich vooral bezig met het verstrekken van onderwijs. Ondanks de tegenkantingen van de Franse regering kenden hun inrichtingen en onderwijsmethoden grote bijval. Ook Caytan was gewonnen voor hun opvoedingssysteem en samen met Leblanc wenste hij meer zulke opvoedingsinrichtingen tot stand te zien komen.

vrijdag 17 maart 2017

Church Dugout


Naar aanleiding van '100 jaar Slag bij Passendale' opent het Memorial Museum Passchendaele 1917 de 'Zonnebeke Church Dugout'. Tussen 31 juli en 10 november 2017 kan het grote publiek deze unieke ondergrondse WOl constructie bezoeken.

Het ondergrondse complex is één van de best bewaarde dugouts in de regio doordat de geallieerden de dugout onder de fundamenten van de voormalige kerk bouwden. De constructie bestaat uit een hoofdgalerij van bijna 29 meter lang, zijgangen, 5 kamers en 2 toegangstrappen en ligt zo'n 5 meter onder de grond. De oorspronkelijke uitgang wordt vervangen door een nieuwe uitgang waardoor de bezoekers door de volledige hoofdgalerij kunnen wandelen.

'Gezien het historische belang van deze dugout en het tijdelijke karakter van dit project, zijn wij rotsvast overtuigd van de meerwaarde en de bijhorende internationale belangstelling tijdens de komende herdenkingsperiode. Deze 'once in a lifetime experience' sluit volledig aan bij de filosofie die wij vanuit het Memorial Museum Passchendaele 1917 hanteren: een militair-historisch museum waar de experience een belangrijk aspect vormt', aldus Steven Vandenbussche, directeur van het Memorial Museum Passchendaele 1917.

HISTORIEK

De meest vernietigende en bloedigste oorlogsgebeurtenis in de Westhoek was de Derde Slag bij leper, ook wel de Slag om Passendale genoemd. Op 31 juli 1917 werd de slag ingezet. De geallieerden wilden in drie weken tijd de Duitse verdediging bij leper doorbreken en daarna de Belgische kust bevrijden. Na meer dan honderd dagen liep de strijd vast in het puin van wat ooit Passendale was. De Derde Slag bij leper had een allesvernietigend effect op het landschap. Geschikte accommodatie vinden dicht bij de frontlijn werd dan ook steeds moeilijker. Een oplossing was de aanleg van talrijke deep dugouts.


Leven als mollen
De Britten begonnen al vanaf 1916 met de aanleg van deep dugouts (letterlijk 'diep uitgegraven'). De ondergrondse schuilplaatsen waren het werk van Tunneling Companies, speciale eenheden van mijnwerkers en ondergrondse specialisten. De grootste werden meestal een tiental meter onder de grond aangelegd en boden beschutting aan 50 tot 2000 man. De militairen leefden er als mollen. Het was er vochtig, het stonk er en de gangen zaten vol met ongedierte. Toch was een dug-out vooral een veilige plaats met enig comfort.

Vandaag behoort de Zonnebeke Church Dugout tot de zeldzame, goed bewaarde dugouts in de streek. Van eind november 1917 tot begin april 1918werd eraan gewerkt. De dugout werd niet toevallig onder de kerk gegraven. Het puin van de verwoeste kerk vormde samen met de dikke funderingen een stevige bescherming tegen Duitse beschietingen. Dat verklaart ook de geringe diepte van de vloer, slechts een 5-tal meter onder de grond. Het bouwwerk bestaat uit hout en stalen I-profielen en heeft een hoofdgalerij van bijna 29 meter lang, zijgangen, vijf kamers en nog twee ingestorte toegangstrappen. De werken waren nog niet beëindigd wanneer in april 1918 de Duitsers hun Lenteoffensief lanceerden en Zonnebeke weer innamen. De exacte bestemming van de dugout is niet gekend maar ze werd vermoedelijk gebruikt om materiaal in op te slaan.


Augustijnenabdij
De naoorlogse kerk van Zonnebeke is van de hand van de modernistische architect Huib Hoste. Ze werd tussen 1923 en 1924 iets ten noorden van de vooroorlogse kerk opgetrokken, om onder meer archeologisch onderzoek mogelijk te maken. Pas in 1989 werd begonnen met dit onderzoek. Het doel was het bestuderen van de oudste resten van de Augustijnenabdij, een instituut dat van de middeleeuwen tot de Franse leven het leven in Zonnebeke had bepaald. Tijdens de graafwerken stootte men op de toegang van de Zonnebeke Church Dugout, die bijzonder goed bewaard bleek.

Na het archeologisch onderzoek werd de gang van de dugout opnieuw dichtgemaakt. In 2004 opende het Memorial Museum Passchendaele 1917 haar deuren. Het museum is gevestigd in het kasteel van Zonnebeke, in het naast de kerk gelegen kasteelpark. In de kelder van het museum werd een waarheidsgetrouwe replica van een dugout gemaakt, gebaseerd op het gangencomplex bij de kerk.

Terwijl het museum steeds meer bezoekers lokte werd begonnen met de herwaardering van het kasteeldomen. Eind 2008 werd gestart met de visualisering van de 17de-eeuwse abdijuitbreiding. Hagen en borduren tonen de positie van de vroegere abdijgebouwen. Aansluitend werd in 2011 een abdijtuin aangelegd, op de plaats waar in 1989 opgravingen waren verricht. Groen en verschillende types verharding tonen vandaag de verschillende bouwfases van de abdij. De toegang van de dugout werd tijdens de werken opnieuw blootgelegd en waarheidsgetrouw opgebouwd tot aan het maaiveld. Op de verharding kwamen er lijnen die de ligging van de constructie zichtbaar maakt.


Tickets
Vanaf 1 mei 2017 kunnen individuele bezoekers en groepen tickets voor de dugout reserveren via de website van het Memorial Museum Passchendaele 1917 (http://www.passchendaele.be/tickets).
Wie een bezoek aan de dugout combineert met het nabijgelegen museum, betaalt 2,5 euro bovenop het museumtarief. Een bezoek zonder de combinatie met het MMP1917 kost 6 euro.
Inwoners uit Zonnebeke kunnen net als het museum ook gratis de dugout bezoeken.

Omwille van veiligheidsredenen kunnen maximaal 50.000 personen tijdens de herdenkingsperiode van '100 jaar Slag bij Passendale' de dugout bezoeken. Na 10 november gaat de 'Zonnebeke Church Dugout' voorgoed dicht.


vrijdag 3 maart 2017

De Passie van Ieper

We trappen uiteraard een open deur in als we zeggen dat Ieper en WO I heel nauw met elkaar verbonden zijn en waren in leven en dood. De herinnering aan die pijnlijke omarming blijft leven en wij willen ze ook levend houden. Ook de Ieperse kerkgemeenschap voelt zich blijvend betrokken.

Vredeskerk
Vrede is dan ook een begrip en een verlangen dat heel dierbaar blijft in gebed, geloof en inzet. De ieperse Pastorale Eenheid draagt de naam van Onze-Lieve-Vrouw van Vrede en bedacht een tijd geleden al de Sint-Jacobskerk met de titel van ‘Vredeskerk’. ‘Nomen est omen’: In de naam steekt een oproep, een uitdaging. Er werd een werkgroep opgericht om die zending verder invulling en gestalte te geven.

‘Passie van Ieper’ is het eerste initiatief waarmee ze vandaag naar buiten komen. Het gaat om een tijdelijke tentoonstelling in de Ieperse Sint-Jacobskerk die later ook kan uitgeleend worden aan andere kerkgemeenschappen of belangstellenden.

Menselijke WO I-verhalen in 14 staties
Tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen burgers en militairen door de hel van de Ypres Salient. Vandaag leven hun verhalen verder, niet alleen in brieven en dagboeken, maar ook in de mondelinge overlevering van de families die naar Ieper terugkeerden. Hun geschiedenis verdient het om voortverteld te worden.

De veertien staties van de kruisweg vormen het sjabloon voor evenveel Ieperse verhalen uit de Eerste Wereldoorlog. Van veroordeling tot troost. Tegelijk schrijnend en weerbaar. Het zijn emotionele en herkenbare verhalen van en over mensen uit Ieper, gebracht met schroom en diepe eerbied. Hun vaak dramatische ervaringen, hun ‘passie’, hun ijver, strijd en geloof. 
Ze worden gepresenteerd op veertien panelen bestaande uit tekst en foto.

Voor de verhalende tekst werd geput uit brieven, dagboeken, publicaties maar ook mondelinge verhalen van families die in die tijd in het Ieperse woonden of verbleven. Marc Dejonckheere uit Zonnebeke beet er zich in vast en redigeerde, bewerkte het verder met z’n vlotte pen tot een knap geheel. Zonder zijn toewijding was de kruisweg er nooit gekomen. De mooie gedichten erbij zijn van de hand van Herman Vanderplaetse uit Ieper.

In de prachtige Sint-Jacobskerk blijft natuurlijk de klassieke kruisweg uit de school van Maredsous te bewonderen. Ook het kunstwerk ‘De kruisweg van de liefde’ van Bernard Sercu uit Kemmel wordt er tentoongesteld. Dit abstraherende en sobere werk benadert het passieverhaal als een verhaal van licht en verrijzenis en maakt integrerend deel van de ‘Passie van Ieper’.

Opening tentoonstelling en boekvoorstelling
Iedereen is graag uitgenodigd op de opening van de tentoonstelling en de voorstelling van het bijhorend boek ‘Passie van Ieper’ op vrijdag 10 maart om 19.00 u. in de Sint-Jacobskerk. Er is een inleiding op de ‘Passie van Ieper’ door Marc Dejonckheere en priester-kunstkenner Mark Delrue spreekt over het werk van kunstenaar Bernard Sercu. Nadien wordt de tentoonstelling officieel geopend met een receptie. Alle geïnteresseerden zijn welkom. Gelieve wel aan te melden via vredes-kerk@kerkinieper.be

Tot eind juni zal de kerk en de tentoonstelling te bezichtigen zijn op zaterdag- en zondagnamiddag, telkens van 14.00 tot 18.00 u. (Schoolgroepen of andere groepen volgens afspraak).

Uit heel dit initiatief spreekt vooral een diepmenselijke droom van een vredevolle wereld, onze hoop en ons geloof in Gods Rijk van Gerechtigheid, onze afkeer van geweld, terreur en oorlog, onze nooit aflatende bekommernis om een aardbol waarop het goed is om te leven.

De Sint-Jacobskerk is in de loop der eeuwen steeds een rustplaats geweest voor pelgrims op hun weg naar Compostela. Wij hopen dat de sacrale ruimte van onze kerk en de ‘Passie van leper’ kan bekoren en uitnodigen tot stilte en rust. Gehoopt wordt ook dat deze tentoonstelling zeker de belangstelling zal krijgen van godsdienstleraren en -leraressen of catechesegroepen.

Gezocht!
En nu, in de staart zit...nee, niet het venijn, wel een warme oproep. Een tentoonstelling als deze vraagt ook wel wat toezicht. Liever dan dat te verzekeren door beveiliging wordt ingezet op een warm en vriendelijk onthaal. Dus wordt nog gezocht naar vrijwilligers die bereid zijn een paar uur aanwezig te zijn, vooral op zondagnamiddag, bijvoorbeeld van 14.00 tot 16.00 uur of van 16.00 tot 18.00 uur.

Wie zich aangesproken voelt kan contact opnemen met Pater Gaby Demeulenaere, G.Gezelleplein 5, 8900 Ieper – 0475 312 175 – gaby.demeulenaere@skynet.be.

Alvast welkom in de Sint-Jacobskerk voor de ‘Passie van Ieper’.