De Zonnebeekse Heemvrienden organiseerden donderdagavond 9 februari een boeiende lezing in Bib De Letterschuur. Mario Dujardin, redactielid en historicus, weidde uit over een bijzondere woelige periode in onze geschiedenis met religieus fanatisme en de gekende Beeldenstorm in 1566 als een van de dieptepunten. Aansluitend kaderde en projecteerde Luc Devoldere, afgevaardigd bestuurder en hoofdredacteur van Ons Erfdeel V.Z.W. , het gegeven van (religieuze) in-tolerantie op onze huidige maatschappij en hoe daar mee om te gaan.
We staan er zelden of nooit bij stil, maar de periode van de Beeldenstorm en de daarop volgende 80-jarige oorlog (1568-1648), was samen met de Eerste Wereldoorlog de grootste catastrofe die onze streek ooit teisterde. Die Beeldenstorm, was als het ware het plaatselijke lont aan een kruitvat, een explosief mengsel van maatschappelijke ontwikkelingen op religieus, filosofisch, cultureel, economisch en politiek vlak.
Christus is de enige middelaar
Het
Protestantisme
begon als een hervormingsbeweging binnen de Katholieke Kerk zelf. Een
goedbedoelde reactie tegen allerlei mistoestanden en uitwassen die
met het geloof zelf nog weinig van doen hadden. De opleiding van de
clerus was helemaal ondermaats of onbestaande. Vaak was het ambt
louter een lucratief inkomen met status geworden voor aan lager wal
verzeilde edellieden. Sommigen waren niet eens geletterd. Er was het
misbruik en gesjacher rond aflaten, gekoppeld aan zogenaamde goede
werken. Als reactie werd gepleit voor een radicale (vaak letterlijke)
interpretatie en handelswijze vanuit de Schrift zelf. Alle vormen van
bemiddeling via heiligen en geestelijken werden afgewezen. Christus
is de enige middelaar tussen God en de mens. Een reden te meer om
alle beelden, schilderijen, brandramen in kerken te vernietigen en ze
zo klaar te maken voor de nieuwe eredienst.
Het
opkomende Humanisme
en z’n belangstelling voor de antieke cultuur, klassieke
bronteksten, betere bijbelvertalingen, bepleit tolerantie en
vertrouwt vooral op het vermogen van de mens om zelf zijn leven zin
te geven. Erasmus
en
Spinoza
zijn hier de bekendste protagonisten. Mede door de ontwikkelingen van
de boekdrukkunst – het internet van die tijd – drongen de nieuwe
inzichten en ideeën ook tot hier door. In de lokale Latijnse scholen
van de streek en de rederijkerskamers met hun vaak gewaagde
toneelspelen werd het nieuwe gedachtengoed weid verspreid.
Hagepreken
Bijbellezingen waarop
bijbelpassages gelezen en bediscussieerd werden, kregen grote
belangstelling en moesten buiten gehouden worden. Uit angst voor de
overheid verstopten de predikanten en hun volgelingen zich achter
hagen en bomen, wat de term hagepreken verklaart. De slechte
economische toestand, de teloorgang van de lakennijverheid, mislukte
oogsten, wakkerde de ontevredenheid van de verpauperde bevolking
alleen maar aan en maakte ze des te vatbaarder voor radicale
opvattingen.
Contra-reformatie en
inquisitie
Het antwoord van de De Katholieke
Kerk was de Contra-reformatie die het protestantisme in al zijn
varianten als dwaalleer bestempelde en o.a. bestrijdde via de
inquisitie. De opleiding van de clerus werd nu geregeld via
semiaries. Het eerste seminarie in de Lage Landen kwam in Ieper tot
stand onder bisschop Riethovius. Hij begeleidde ook de graaf Egmont
naar het schavot en speelde een matigende rol tijdens het
schrikbewind van de hertog van Alva.
De
plaatselijke adel voelde zich door de maatregelen van de
Contra-reformatie en het neigende absolutisme van de Europese vorsten
buiten spel gezet en koos vaak uit opportunisme of overtuiging de
zijde van de opstandelingen. Aanvankelijk werden ze als tegenstanders
van de Spaanse koning Filips II met de term geuzen
bedacht. Later verwees de term specifiek naar de rebellen die te land
(bosgeuzen) of te water (watergeuzen) de Spanjaarden bevochten. In
1577 vond te Gent een calvinistische machtsgreep plaats, waarbij de
bisschoppen van Brugge en Ieper werden gevangen genomen. Door toedoen
van de hertog van Parma kwam pas in 1584 het bisdom weer onder zijn
gezag.
Op de vlucht
Tussen 1580 en 1600 ging de
bevolking massaal op de loop. Met have en goed vluchtten ze voor de
terreur als gevolg van religieuze en politieke spanningen. De
Menenaars bijvoorbeeld trokken in grote getale naar Haarlem, de
Wervikanen vormden dan weer een colonie in Leiden. Onze contreien
verloren op die manier ook hun leidende economische positie. Maar
voor het Noorden was het mede door deze instroom het begin van een
tot dan toe ongekende opbloei: de Gouden Eeuw.
Onze dorpen waren echte
spookdorpen geworden. De boerderijen waren verlaten, de landerijen
lagen er totaal verwilderd bij. Een serieuze streep door de rekening
van de grootgrondbezittters, de clerus (de abdijen, kloosters) en de
adel. Die zagen nauwelijks nog mogelijkheden om inkomsten te
genereren uit hun bezittingen.
Het duurde tientallen jaren om de
streek te herbevolken en de economie op een zeker peil te brengen.
Daarvoor trokken ze met belastingsvoordelen ‘goede’ katholieken
aan uit Noordfranse regio, Artesië … Dat verklaart hier meteen het
hoge aantal franstalige namen, zoals Dujardin, Leterme, Ghesquière,
Parmentier, Desramault, Descamps, Dumortier, Parez … en vele
anderen.
Holland-België
De uitkomst van de gebeurtenissen
toen, ligt verder weerspiegeld in de huidige Belgisch-Nederlandse
grens. De frontlinie van de strijdende partijen toen, het vastgelopen
conflict tussen Spanje en Oranje met de ‘Vrede van Munster’
(1648) tot gevolg. Ze bepaalt ook tegen wil en dank onze volksaard.
De Contra-reformatie als weerwerk tegen de Reformatie, in hoofdzaak
het Calvinisme, heeft z’n effect niet gemist.
Gelovig of niet, gedoopt of
ontdoopt, van welke politieke strekking ook, die katholieke
onderstroom van toen bepaalt nog grotendeels ons optreden, onze
normen en waarden. Wij zijn gezagsgetrouwer, bescheidener, bedeesder,
wolliger, vager, chaotischer … Een Nederlander is recht voor de
raap, mondiger, relaxer, zakelijker, principiëler, zuiniger,
geordend… Veralgemeningen die niet altijd opgaan maar toch globaal
herkenbaar zijn en vaak toe te schrijven zijn aan het toenmalig
conflict.
Het wezen van tolerantie
Meningsverschillen
en daarmee leren omgaan is van alle tijden. De Griekse schrijver
Herodotus
stelde al in de vierde eeuw voor Christus dat ‘de
conventie de koning is van alles’.
Dat is wat mensen onder elkaar afspreken wat ze vinden van de dingen,
wat ze normaal vinden. Hij kon op zijn reizen vaststellen dat van
streek tot landstreek gewoonten en gebruiken behoorlijk konden
verschillen. Tolerantie nu is het verdragen van ‘het andere’ of
van ‘iemands anders zijn’. Mede door toenemende migratie en
mobiliteit, de mogelijkheden ook van moderne communicatie is
tolerantie, het (vreedzaam) omgaan met meningsverschillen en het
vreemde meer dan ooit actueel.
Belangrijk is om te beginnen
gewoon al te aanvaarden dat het ons biologisch eigen is, dat het
gewoon menselijk is, al wat vreemd is, spontaan te wantrouwen, dat
het bron van angst kan zijn en tot agressie kan leiden. De meest
banale gedragingen als bijvoorbeeld slurpen kunnen al tot irritatie
leiden.
Een Europese vinding
Tolerantie lijkt wel een Europese
vinding. Het begon met het omgaan met andere opvattingen binnen het
Christendom. De Katholieke Kerk is al van in het begin belaagd
geweest met schisma’s. Maar gaandeweg vanaf de 17-de en 18-de eeuw
ging het niet louter meer over de correcte interpretatie van de leer,
maar werd ook de ultieme godsvraag gesteld. Bestaat Hij wel? Nietsche
stelde in de 19-de eeuw dat God dood was. Daarmee bedoelde hij dat de
absolute waarheid niet bestaat. Dat er alleen maar perspectieven zijn
op waarheden, die we dan nog zelf maken en tijdelijk zijn en met
mekaar kunnen botsen. Zo worden wij onszelf in chaos. Dat is de
werkelijkheid geworden van het hedendaagse, geseculariseerde
Vlaanderen, dat zich tenminste bevrijdt heeft van de macht van de
Kerk over zijn denken. Maar het zadelt ons meer dan ooit op met de
opgave tolerant te zijn.
Van rekkelijken en strikten
Tolerantie
is een delicate oefening tussen ‘rekkelijkheid’ en ‘striktheid’,
tussen ‘gedogen’ en ‘zuiveren’. Wetten opleggen en tegelijk
de nodige hypocrisie kunnen opbrengen, als olie die het samenleven
mogelijk maakt. Het ijkpunt is de openbare orde die niet in het
gedrang mag komen. De Oostenrijks-Britse filosoof Karl
Popper formuleert
voor ons de paradox
van de tolerantie, wanneer hij schrijft dat: “Onbeperkte
tolerantie leidt tot het verdwijnen van tolerantie”.
De netelige kwestie dus, wanneer we moeten ophouden tolerant te zijn
om tolerantie als basis van ons samenleven te behouden. Het heeft te
maken met het wezenlijke van onze democratie als het omgaan met
conflicten zonder dat het gewelddadig wordt. Het heeft te maken met
onze instituties, waar voldoende zoals naar Amerrikaans model “check
and balances” zijn ingebouwd.
Cruciaal
is ook de kunst om met ‘vrije meningsuiting’ om te gaan. Hoever
kun je daarin gaan? Is ze absoluut? De opkomst van de sociale media
maakt de vraag prangender dan ooit. Er zijn domme, smakeloze,
verwerpelijke en zelfs verboden meningen. Je kan deze laatste in
geval van racisme wettelijk verbieden, omdat ze hatelijk zijn en
geweld uitlokken. Maar je kan nooit beletten dat ze ‘gedacht’
worden. Je kan er correcte informatie tegenover plaatsen. Je kan er
ook goed fatsoen en hoogstaande morele principes tegenaan gooien,
maar die stoelen dan weer op conventies en die kunnen wel eens
verschillen. Karel
van het Reve,
de Nederlandse letterkundige en essayist, heeft het bij het rechte
eind als hij beweert dat: “Ik
geloof niet dat je meningen effectief kan bestrijden door ze te
verbieden”.
We agree, that we disagree
We
hebben misschien in de illusie geleefd, dat we in een multi-culturele
samenleving konden leven, waarbij we het idyllisch en fantastisch
vinden dat mensen zoveel
van elkaar verschillen. We leven eerder in een inter-culturele,
gesegregeerde maatschappij waar verschillende groepen mensen, naast
elkaar leven met diverse conventies hebben. In zo’n context hoeft
dat op zich geen onoverkomelijk probleem te zijn als integratie –
zo leert de geschiedenis het – maar geleidelijk kan gebeuren, als
we nieuwkomers perspectieven en mogelijkheden bieden. Het is geven en
nemen. Daarbij komt het er verder op aan tot een minimale consensus
te komen, ze minstens met de lippen te belijden als het gaat over de
gelijkheid van man en vrouw, de integriteit van het menselijk leven,
het aanvaarden van een democratische, soevereine rechtstaat, vrije
meningsuiting, vrijheid van religie of levensovertuiging en toch
scheiding van kerk en staat.
Het minste dat we moeten doen om
samen te leven, is het minimale aanvaarden van het andere en het
vreemde. Desnoods constateren en overeenkomen, dat we het eens zijn,
dat we het over alles niet eens zijn, maar het daar dan ook bij
laten.





