Pagina's

woensdag 28 maart 2018

De gezindheid van Jezus



Op woensdag 21 maart nam onze bisschop Mgr. Lode Aerts – in de kapel van de zusters karmelietessen in Vlamertinge – ons bij wijze van decanale vastenbezinning mee in een reflectie over ‘de gezindheid van Jezus’. Dat deed hij aan de hand van een heel mooie passage uit één van de brieven van Paulus, namelijk Fil. 2,6-11, beter gekend als de ‘Filippenzen- of Christushymne’. Hierbij een verwerking.

We staan hier stil bij een van de oudste teksten over Jezus uit een brief van Paulus aan de christenen van Filippi. Daarin lezen we een lofzang, een soort credo avant-la-lettre. Deze passage is voor sommigen wellicht geen onbekende tekst, want ze wordt ieder jaar opnieuw op Palmzondag gelezen, vlak voordat het Passieverhaal wordt voorgedragen. Ze dringt werkelijk door tot de kern van het hele Goede Weekgebeuren. Daarin roept de apostel ons op de gezindheid van Jezus ook tot de onze te maken.

Christus eren in mekaar
De tekst wordt ingeleid met een oproep tot eenheid in de liefde, door eensgezindheid in voelen en denken, samenhorigheid, gemeenschap van Geest, samengevat de gezindheid van Jezus Christus zelf. (Fil 2,1-5). Paulus drukt de gelovigen – en meteen ook ons – op het hart elkaar graag te zien, niet toe te geven aan ijdelheid of eigenbelang, de ander altijd wat hoger te achten dan zichzelf. Christus spreekt tot ons vanuit onze diverse kwaliteiten. Al die positieve eigenschappen – charisma's – mogen we vanuit Hem bij elkaar waarderen. Als we al die gegeven positiviteit dan nog eens samenvoegen, elkaar aanvaarden zoals we zijn, worden we één en komen we beduidend sterker voor de dag dan anders.

Dat is geen kwestie van moraal (doen omdat het zo moet) maar van ethiek die voortkomt uit mystiek (éénwording), dixit Kardinaal Danneels. Hoe eensgezinder we zijn hoe meer Jezus in ons tot leven komt en wij in hem. Dat geldt evenzeer in een relatie, werk-, verenigings- of pastoraal verband. Zo komen we tot de (eens-)gezindheid van Jezus zelf. Daarmee eren en loven we Hem ook in ons gezamenlijk handelen.

De gezindheid – zijn manier van zijn en bestaan of mindset – van Jezus wordt verder vertolkt in voornoemde filippenzenhymne. (Fil 2,6-11) We vinden ze trouwens in varianten tot tweemaal toe in ons zangboek Zingt Jubilate (364 en 382).

[6] Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn.
[7] Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden.
[8] En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis.
[9] Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat,
[10] opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
[11] en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer dat is Jezus Christus.



Het lied beschrijft als het ware een kosmische reis – heen en terug – een duikvlucht vanuit de hoge hemel naar de diepste diepte en dan weer steil omhoog, want zover reikt Gods liefde in wie Hij is. Wie iemand liefheeft, die blijft ook niet passief zitten maar wil naar zijn geliefde toe en wil hem of haar voor zich winnen. Daarom is God in Jezus mens geworden en is Hij onder ons komen wonen.

Hij heeft niet genoeg aan zichzelf en is niet zelfzuchtig. Hij trekt geen muren op. Kerkvader Augustinus (354-430) verwoordt het mooi en helder in deze zin: “Wie begint lief te hebben, begint uit zichzelf te treden”. Zo is God en in Jezus komt Hij naar ons toe. Paus Benedictus XVI schrijft dat God zich in Jezus buiten haakjes zet om onder ons als mensen te kunnen zijn. Hij cijfert zich dus weg zoals ook ouders dat doen voor hun kinderen. Want wie teveel op zijn strepen gaat staan komt gemakkelijk tot onverschil.

Voor de fijnproevers: Adam maakt in het scheppingsverhaal precies de omgekeerde beweging van Jezus en denkt hetzelfde te kunnen bereiken: één te worden met God. Hij laat zich door de ‘slang’ in de (zonde)val strikken en wil slechts uit pure, aangewakkerde ik-zucht aan God gelijk worden. Een ander beeld van hoe Jezus zich geeft is dat van van de rivier de Jordaan. Die van het visrijke meer van Genesareth (Galilea) zuidwaarts voorbij Jeruzalem afwatert naar de Dode Zee, het laagst gelegen meer ter wereld waar alle leven ophoudt. Geven maakt gelukkig, tot in de dood zelf. Dat is ook de paradox van de liefde.

Waarom en hoever Jezus wil gaan in dat geven of ‘zichzelf ontledigen’, schrijft dezelfde Paulus in hoofdstuk 8 vers 9 in de tweede brief aan de Korinthiërs : “Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.” Het is meteen menens want Hij wordt geboren in een stal in een uithoek van het Romeinse rijk. Alleen enkele herders zijn er in de marge getuige van.

Erfzonde
Meer nog: ‘Hij neemt de gestalte aan van een slaaf.’ Paulus verbindt slavernij vaak met zondigheid, onvrijheid of verslaving, het onderworpen zijn aan het kwaad. Het kwaad is in Satan een duivelse kracht. Het komt niet alleen uit onszelf, kan ons gaandeweg overmeesteren en ons meesleuren in een spiraal van geweld.

De Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) schreef ooit dat de erfzonde de enige christelijke geloofswaarheid was die zich empirisch laat bewijzen. Om de geneigdheid van de mens tot het kwade te zien – ondanks al zijn pogingen om het goede te doen – hoef je maar om je heen te kijken. De bewijzen hiervan zijn legio en onomstotelijk. Je kan kiezen uit een enorme hoeveelheid beschrijvingen door overlevenden van de vernietigingskampen van de nazi’s, van Stalins goelag en van de talloze imitaties hiervan in onze wereld tot op de dag van vandaag. Of, gewoon met de apostel Paulus, in je eigen hart gaan kijken: “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Jezus, de enige mens, die zonder zonde is verwerpt dan wel de zonde maar nooit de zondaar zelf.


(Aan de voeten van de gekruisigde - Jaap Schruers)
God lijdt met ons
Meer nog: Hij gaat zelfs zover dat hij zich in gehoorzaamheid – uit vrije wil – vernedert tot de marteldood aan het kruis. Gruwelijk als die was en boosaardig gericht op het eindeloos rekken van het lijden was dergelijke vorm van executie een ondenkbaar, onuitsprekelijk vonnis voor elke Romeinse – wat meer mens dan een andere – burger. Een straf, enkel voorbehouden voor slaven, vreemdelingen, gepeupel of godloochenaars in de ogen van de toenmalige religieuze leiders. Maar God blijft in Jezus, mensen – wat ze ook tot hun eigen schande gedaan hebben – nabij tot in hun diepste ellende, lijdt zelfs fysiek met hen mee en beantwoordt het minste greintje berouw met zijn liefde.

Kerkvader Origenes (185-254) schrijft daarover: “Beseft gij niet dat wanneer God zich inlaat met de avonturen van de mensen, Hij dan ook menselijk lijden aanvoelt. De Heer uw God droeg u zoals iemand zijn kinderen. God neemt onze manier van leven in de wereld op zich, juist als Jezus ons leven op zich neemt. God is echt niet ongevoelig. Als we tot Hem bidden heeft hij altijd mededogen. Hij lijdt met ons mee.”

Gods liefde gaat alles te boven
Met deze hymne wil Paulus ons binnenvoeren in het mysterie van Jezus Christus. Jezus hoort tot de wereld van het goddelijke, maar Hij laat zich daarop niet voorstaan. Hij stelt zich juist dienstbaar op, als een slaaf, en aanvaardt in alle vrijheid het ergste lijden en een vreselijke dood. Het is een extreem bewijs van trouw en het toppunt van liefde, als je dit allemaal voor God, voor het volk en voor de hele mensheid overhebt.

Omdat God zelf de bron van alle liefde is, heeft Hij Hem hoog verheven en heeft Hij zijn naam aan Jezus’ naam verbonden. In bijbelse taal betekent dat de hoogst denkbare plaats en waardigheid. Met verwijzing naar Jesaja 45, 23 wordt Hem nu alle eer toegeschreven in de hemel en op aarde en zelfs daaronder. Hem wordt een naam gegeven die boven alle namen is: ‘Jezus Christus is de Heer’. Wie dit ziet – zoals zo vaak bekeerlingen – zal Hem erkennen als zijn Heer en als de gezondene van God. Zelfs de duivel, de verpersoonlijking van het kwaad, kan hier niet tegenop. Zo voert de hymne ons binnen in het geheim van de liefde zoals dit in het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus wordt geopenbaard.

De Goede Week nodigt ons uit stil te staan bij de kern van ons geloven. Het verhaal over Jezus Christus, dat zich in de verschillende vieringen voor ons afspeelt, maakt ons tot getuigen van iets waarvoor wij geen woorden hebben. De Goede Week aandachtig meevieren kan ons niet echt alles uitleggen, maar ons misschien wel verder tot de kern doen naderen.

woensdag 21 maart 2018

De zeven kruiswoorden

We staan voor de ‘passietijd’ het uitgelezen moment om stil te staan, te mediteren, tot gebed te komen, als het ware te cirkelen rond de zeven kruiswoorden van Jezus aan de hand van een werk van de Nederlandse kunstschilder Huub Bogaers (°1957). We richten ons vanuit zijn woorden, doorheen onze beleving en staande in een gebroken wereld rechtstreeks tot Christus zelf. We voelen ons persoonlijk betrokken en hebben oor voor die kreten van hoge nood die rondom ons in de wereld naar God opstijgen. Dat is nodig want deze woorden klinken zo bekend in de oren dat ze ons door gewenning vaak niet meer ten diepste raken. Een bezinning aangereikt door vicaris Koen Vanhoutte, genoteerd op de recollectie van maandag 5 maart in de Sint-Sixtusabdij van West-Vleteren.

“Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” – Lucas 23:33


Die open plek in zijn doorboorde, gehavende rechterhand wijst niet alleen op schuld maar hij biedt ook vergeving aan. Jezus wordt onschuldig de dood ingejaagd, op een laffe manier vermoord. Hij heeft dus alle reden om kwaad te zijn en op wraak te zinnen. Niets van dat alles bij Hem want tot op het kruis blijft Hij zichzelf. Niets of niemand slaagt erin om haat in zijn hart te zaaien. Ook in extreme omstandigheden laat Hij de goedheid van God en zijn verregaande vergevingsgezindheid blijken.

Wat Hij in zijn Bergrede zo mooi had gepredikt – “Heb uw vijanden lief” – brengt Hij hier in praktijk. Hij gaat zover in zijn goedheid dat Hij daar zelfs zijn vijanden in betrekt. Het kwade niet met het kwade maar met het goede vergelden. Het is één van de speerpunten van het evangelie, zo eigen aan het christendom. In onze wereld – zelfs in het humanistische denken – is dit gewoon te gek voor woorden. Die goedheid komt uit God zelf en Jezus illustreert dat met zijn bede. Jezus bidt en de Hebreeënbrief leert dat dit gebed ook na zijn verrijzenis verdergaat. Hij blijft voor ons ten beste spreken en om vergeving vragen.

Wie zich, door die moeilijke grondhouding, laat raken, overstijgt even die oude stempel van oog-om-oog-tand-om-tand. Misschien kunnen wij bij onszelf al enkele kleine praktijken van ontwapenende goedheid voor de geest halen. Tegenover mensen die ons kwaad hebben berokkend, gekwetst of genegeerd hebben. We lieten ons niet opjutten of zonnen niet op wraak. Zouden wij dat ook kunnen? Zoals Stefanus, de eerste martelaar, deze kruiswoorden herhaalt - bij zijn steniging - in de Handelingen: “Heer reken hen deze zonden niet aan”. Wijzelf kunnen vanuit die gezindheid bidden dat die spiraal van geweld – van kwaad naar erger – die de wereld beheerst, doorbroken mag worden.

“Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” – Lucas 23:43


Zijn linkerhand contrasteert helder in een donkere omgeving. Die duisternis verwijst naar de man naast Hem op het kruis, die schuld bekent. Hij kijkt op naar Jezus met een blik-van-red-ons. Op het moment van zijn eigen sterven, brengt Hij het nog op om in te gaan op het schuldbesef van zijn metgezel op het kruis en spiegelt hem in alle miserie het paradijs voor.

Ook hier doorbreekt hij weerom alle gangbare conventies. Achter de wolken schijnt de zon. In de liturgie van Witte Donderdag – het laatste avondmaal – spreekt Jezus eenzelfde kostbare taal: “Ik zal nu niet meer van de beker drinken tot Ik hem nieuw met u in het Koninkrijk van mijn Vader zal drinken.” In die groeiende duisternis spreekt Jezus een verrassend tegen-woord van een beloftevolle toekomst. We horen ook dat er niet alleen voor hemzelf en zijn leerlingen een paradijs is weggelegd, maar zelfs voor een grote misdadiger die in een klein moment zich bekeert. Het wringt met ons rechtvaardigheidsgevoel maar ook voor zondaars, zwakke mensen die hun hoop op de Heer blijven stellen, is er een paradijs.

Zou ik ook zoals Jezus een eenvoudig excuus van iemand aanvaarden om hem of haar het allerbeste te wensen? Of is het van ‘eerst nog wel eens zien en dan geloven’? Jezus' onevenredig optreden hier, kan ons aanzetten om wat guller om te gaan met nieuwe kansen bieden. Dat doet ons denken aan alle mensen die op deze wereld ‘geen leven’ hebben, die naam waardig. En het doet ons bidden dat God niettemin deze levens mag voltooien. Dat Hij mensen die hier door een hel moeten gaan een hemel mag geven.

“Vrouw, zie daar uw zoon. Zie daar uw moeder.” – Johannes 19:26


Jezus geeft zijn moeder en geliefde leerling aan mekaar. Ze worden wel niet in de echt verbonden maar toch echt verbonden. Johannes staat hier symbool voor ons allemaal, zijn beminde leerlingen. Voorbij Pasen zijn wij in zorg aan elkaar gegeven. Je kan het een vorm van kerkgeboorte noemen. Jezus heeft ons aan elkaar gegeven in die Kerk. Beleven wij dat dan ook zo? De Kerk is geen keuze-gemeenschap.

Onder het kruis staat niet veel volk meer. De meesten zijn weggevlucht. In de gegeven, penibele omstandigheden kunnen die twee – in onmacht gevangen – nog weinig doen. Maar ze zijn er, tot het einde toe trouw gebleven. Een andere vraag die zich hier opdringt in bange dagen is of wij ook weglopen van het kruis van anderen? Gewoon het feit dat we er zijn – los van de vraag of we er iets kunnen doen – spreekt al boekdelen. Hopelijk worden rond mensen, die een kruis moeten dragen, veel kringen van solidariteit gevormd. Het brengt vaak het beste in mensen naar boven.

Niettemin zijn er mensen die hun lijden alleen moeten dragen. De kring die er soms is of die mankeert, doet ons hoe dan ook bidden: “God geve dat er niemand in zijn lijden of sterven alleen moet zijn, dat er er kleine kring mag zijn.”

“Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” – Matteüs 27:46


De meest verscheurende kreet uit psalm 22:1 aan het kruis. “Hoe zit dat eigenlijk tussen ons, Ik je welbeminde zoon, waar ben je nu?” Een ervaring die nog erger is dan het fysieke of psychische: het spirituele lijden. Diegene waarop je heel je leven hebt vertrouwd of gebouwd, lijkt er nu niet te zijn. De grond schuift weg onder je voeten. Stilte in alle talen, zelfs geen stem meer zoals aan de Jordaan of op de berg Tabor.

Jezus is geheel en al mens in deze en wordt niet gespaard. Ik heb niemand, dus ben ik niemand. Als God mij niet draagt ben ik verloren. Net als Job in het gelijknamige boek, is Jezus zich van geen schuld bewust en toch overkomt hen dat. Ik heb dit niet verdiend.

Voor ons christenen is het belangrijk te beseffen, dat Jezus door deze ervaring van verlatenheid – dat gebrek aan perspectief – is gegaan en dat we niet te vlug of achteloos de sprong naar Pasen maken. Hij heeft zich vernederd tot het diepste zwart, niemand meer zijn, de dood zelf. God laat mij vallen en komt voor mij niet op.

Ook voor ons loopt – ondanks een volgehouden inzet – niet alles van een leien dakje. Maken wij ons geen begoochelingen? We gaan door dorheid, twijfel en ongeloof. Vaak moeten we verder doen met een soort naakt geloof zonder smaak. Het is een veelgehoorde klacht onder gelovige mensen. Waar is die God die liefde hoort te zijn en omkijkt naar kleine mensen?

Toestanden waar we Hem ver weten, doen ons ook zo bidden. Allerminst een gebed van vroomheid, we roepen het naar God toe. Maar we mogen ook bidden voor mensen die daar door heengaan. We hopen dat ze met Jezus er niet alleen de diepte van doormaken maar ook uitzicht krijgen. Dat ligt niet in onze handen. Psalm 22 bloeit naar het einde toe ook open in een lied van vertrouwen.

Wereldwijd klinkt die klacht ook onder christenen. Maar tezelfdertijd weten zij zich gelovig gesteund door Jezus, die deze ellende zelf belichaamt. In Hem vertoeft God, zelfs in uiterste verlatenheid.

“Ik heb dorst” – Johannes 19:26


Jezus' dorst reikt verder dan het verlangen naar wat zure wijn, maar naar de Vader. Hij is de enige die redden kan. Hij reikt naar het Koninkrijk, het paradijs, naar dat nieuwe leven, naar een nieuw begin en in het bijzonder ... naar ons geloof.

Het eerste wat God van ons vraagt is te geloven in degene die Hij gezonden heeft. Heel merkwaardig. Het eerste werk is niet een goed werk te doen. Ongeloof en afwijzing is wat Hij meemaakt op het kruis. Ze moeten Hem niet hebben. Jezus bedelt om ons geloof. Is er nu niemand die zich vrij en van harte aan mij verbindt en mijn boodschap aanneemt?

Dorst ook naar liefde. “Dit is het nieuwe gebod: dat er liefde is zoals Ik het u heb voorgeleefd.” Jezus belichaamt hier het verlangen naar de volheid van God. Jezus is ook Gods mensgeworden woord die reikhalst naar de mens. Een verlangen dat over en weer gaat.

Dat kan ons doen stilstaan bij welk verlangen er in ons leeft. Waar dorst en honger ik naar? Soms naar heel banale maar ook naar diepere dingen. Dorsten naar aanvaarding, naar erkenning, naar liefde, dorsten naar God. Geloven in het wonder dat die oneindige God ook verlangt naar mij, nietige mens. Dorsten ook om de noden en de verlangens van de wereld. Dat doen we altijd weer in onze voorbeden. Onze dorst naar gerechtigheid uitroepen naar God toe.

“Het is volbracht” – Johannes 19:30


Uitgerekend op een uur waar het grote faillissement van zijn leven getekend wordt, spreekt Jezus deze woorden uit. Menselijk gesproken toch een complete ondergang en een roemloos einde. De uitverkorene van God is uitgerangeerd. Opgeruimd staat netjes. Hoe kun je dan zoiets zeggen? Maar zijn zending heeft hij trouw en consequent, koste wat het koste, tot in het onvoorstelbare volgehouden. Hij heeft het niet gezocht maar Hij was bereid het met de prijs van zijn leven te betalen.

Aan de oever van de Jordaan kreeg Hij te horen dat Hij Gods welbeminde zoon was en Hij voelde aan dat Hij juist die boodschap – aan broze mensen in het bijzonder – moest brengen. Denk niet dat je niet meetelt, je bent belangrijk in Gods ogen. Hij is met dit verhaal zelfs naar de zondaars getrokken. Een tijding waar mee Hij – door zelf te sterven – zelfs naar de stervenden gaat. Allen die sterk aanvoelden dat God hen liet vallen. Geloof niet dat God je laat vallen. Durf vertrouwen in dat donkerste uur, waar alles erop wijst dat Hij je laat vallen, dat die God voorbij de grens van die dood je zal opvangen en aanwezig is. Deze ultieme woorden in zijn stervensuur zijn de voltooiing, het sluitstuk van zijn boodschap en zending die niet vergeefs is geweest.

Hoe trouw, consequent ben ik dan in mijn keuzes? Geef ik het op als het moeilijk wordt? In de trouw van Jezus gaan staan, kan christenen sieren. We beloven veel, maar hoeveel van die beloften worden trouw vervuld? Als je dat verbreedt naar de wereld zou je kunnen hopen en bidden dat mensen, die zoals Jezus in de dood ten onder gaan, ook iets mogen meemaken van die onverwachte voltooiing.

“Vader in in uw handen beveel ik mijn geest.” – Lucas 23:46


Hoezeer Hij ook door zijn godsverlatenheid is heen gegaan, is niets of niemand erin geslaagd om het godsvertrouwen bij Jezus helemaal weg te roven. Het feit dat Hij tot God blijft spreken bevestigt dat. Deze woorden – een citaat uit psalm 31:5 – zijn een ultieme act van overgave.

De kunstenaar verbeeldt het bijna als een begin van opstanding. Hij reikt de handen naar God omdat alleen nog van Hem toekomst kan komen. Hoezeer zijn vertrouwen ook beproefd is, vloeit het nooit helemaal weg. Ook Stefanus, de eerste martelaar, spreekt opnieuw vol overgave eenzelfde woord in het zevende hoofdstuk van de Handelingen: “Heer Jezus ontvang mijn geest.”

Sterven zoals Christus zou dus voor ons kunnen betekenen dat er ondanks alles een vorm van godsvertrouwen overblijft. Zo evident is dat niet, zelfs niet onder religieuzen. “Zal dat wel zo zijn, zal God daar wel staan, zal er wel een ontmoeting zijn?” We kunnen er maar voor bidden dat wij ons in dat ultieme uur aan dat beetje godsvertrouwen in ons hart kunnen optrekken. En dat dit ook alle christenen gegeven wordt. Het hoeft geen uitgezongen credo te zijn, maar minstens een verwachting dat Iemand op mij wacht.

woensdag 14 maart 2018

Diepgang in het dagelijks leven


Als er over ‘diepgang’ – wat bewuster gaan leven – gesproken wordt, denken we algauw aan zweverige toestanden voor mensen die niet weten wat doen. En toch zijn er heel wat actieve mensen op zoek naar ‘wat echt telt’, naar zingeving die gelukkig maakt. Het groeiende succes van mindfulness, de hype van yoga, de toenemende aandacht voor allerlei vormen van meditatie, … en het zoeken naar heelheid en harmonie zijn er maar enkele voorbeelden van. Reclameboodschappen zijn ervan doordrongen. Films en romans alluderen erop. Weekbladen wijden er artikels aan. Zelfs bedrijven bieden dergelijke trainingen aan. Waar gaat het eigenlijk over? Benedict Lemmelijn (foto), bijbelwetenschapper aan de KU Leuven, schreef er een artikel over voor Adem-Tocht, de spiritualiteitsbeweging voor 60-plussers. Hierbij onze samenvatting.

Drie centrale elementen
Vooreerst lijkt het belangrijk om opnieuw met aandacht in het nu-moment te gaan staan. Het voortdurend vooruitlopen en plannen los te laten en beseffen dat het leven zich hier en nu afspeelt. Daarnaast blijkt het even belangrijk dat we ons opnieuw bewust worden van het feit dat we geen geïsoleerde wezens zijn, maar ook met de ons omringende natuur, wereld en zelfs met een grotere, overstijgende werkelijkheid verbonden zijn. Het nastreven van steeds sneller, steeds meer en steeds beter, lijkt alleen opgejaagde en steeds minder tevreden mensen op te leveren ... Met andere woorden, worden we ons steeds sterker bewust van het belang van zingeving als voorwaarde van diep geluk.

Op zoek naar religie?
Dit aandachtig en verder kijken dan de werkelijkheid houdt feitelijk verband met een oer-religieus bewustzijn, dieper en verder dan alle concrete vormen van religies en godsdiensten ook. Het gaat om de verbondenheid met het ‘transcendente’ of ‘overstijgende’ karakter van onze gehele werkelijkheid, die groter is dan onszelf en ruimer dan wat we direct kunnen waarnemen.

Religie komt van het Latijnse woord re-ligare, wat sterk verbinden betekent. We kunnen het ook in verband brengen met het woord re-legere, een zorgvuldig lezen van de werkelijkheid. Het gaat in die verbondenheid met andere woorden om heelheid, innerlijke vrede, gedragenheid, diepe geborgenheid ook.

Ver weg en dichtbij
Veel zin- en gelukszoekers associëren dat alles meestal met verre oosterse tradities. En dat is goed en beslist leerrijk. Toch is het opmerkelijk dat we er ons niet genoeg van bewust zijn dat veel van die parels al eeuwenoud joods-christelijk gedachtegoed zijn. Ze liggen voor het rapen in de monastieke traditie (bv. Benedictus van Nursia), in de middeleeuwse mystiek (bv. Ruusbroec), maar ook in vormen van ‘christelijke meditatie’ (bv. John Main). Al die wijsheden gaan overigens reeds terug op de christelijke ‘woestijnvaders’ uit de derde eeuw, de voorlopers van de monniken.

Met beide voeten in de werkelijkheid
Nogmaals, gaat het hier om wereldvreemde dingen die ons petje te boven gaan? Helemaal niet ... Het smalend wegwuiven van dit groeiende bewustzijn verraadt enkel onbegrip. Anders en bewuster waarnemen en leven leidt niet tot een teruggetrokken bestaan maar integendeel juist tot een geëngageerd in de wereld staan. Benedictijn Anselm Grün noemt een ‘geaarde spiritualiteit’: diepgang met beide voeten in de werkelijkheid!


Op zoek naar balans
Inderdaad, de grote leuze van Benedictus ‘ora et labora – bid en werk’ staat nog tot op
vandaag borg voor een evenwichtige levenshouding. En hoe tegenstrijdig het ook mag klinken: Benedictus' innerlijke rust brengt hem tot levendigheid en een dynamiek, die uitloopt in Liefde. Inkeer loopt uit op toekeer… Niet enkel zweven en ook niet enkel doodwerken en alle perspectief verliezen.

Diepgang elke dag
Maar ik hoor het je denken: hoe doen we dat in ons dagelijks leven? Welnu, het blijft niet bij mooie woorden alleen. Die fundamentele gerichtheid op liefde en goedheid valt namelijk niet zomaar ‘te zeggen’, maar vooral ‘te doen’, elke dag opnieuw. En precies dat vinden we al in de Bijbel. Paulus stelt in zijn brief aan de Galaten (5,22-23) dat een leven onder inspiratie van de Heilige Geest uitmondt in “liefde, vreugde, vrede, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid”. En dezelfde boodschap geeft hij mee in zijn hooglied over de liefde in 1 Korintiërs 13. Al wat men kan verworven hebben aan verstand, aan andere kwaliteiten, aan nog zo fantastische eigenschappen, als het niet uit liefde gebeurt en de liefde niet dient, dient het tot niets.

Vindplaatsen van God
Wellicht komt God in zijn ondoorgrondelijke werkelijkheid inderdaad het meest aanwezig in wat wij Zijn Geest noemen, een aanwezigheid die ‘vruchten’ draagt in het concrete leven van elke dag. Hij is dan wel degelijk vindbaar, zonder dat je daarvoor een ingewikkelde lange weg hoeft te gaan, maar daarom door onze ik-zucht nog niet zonder moeite.

God ontmoet je in het goede, het lieve, het zachte, het zorgzame, het tedere, het nederige, het dienstbare, het zachtmoedige van elke dag. Misschien is Hij ook wel te vinden in al wat in ons leven ‘iets meer’ of een ‘surplus’ doet ontstaan. Alles wat ‘schoon’, ‘waar’ en ‘goed’ is zoals kerkvader Augustinus het ons voorhoudt. Het is vaak héél nabij en toch overstijgt het ons.

Schoonheid
Schoonheid is inderdaad zoiets ‘onvatbaar’ en ‘extra’. Het is nergens voor nodig en van geen nut. Tegelijkertijd is schoonheid ook heel kwetsbaar en uiterst broos. Ze schuilt in eenvoud. Ze behoeft geen ‘krullen’, is niet ‘maakbaar’ en ze toont zich dikwijls ‘onverhoeds’ wat haar wezenlijke, overstijgende of transcendente karakter alleen maar bevestigt.

Op die wijze kan schoonheid zelfs troost zijn in diepe eenzaamheid. Ze kan ons doen opstijgen te midden van banaliteit, verdriet en gebrokenheid. En ja, je moet er aandacht voor hebben en op dergelijke ogenblikken zie je heel even dat ‘méér’, diepgang in het simpele hier- en-nu, vaak geheel onverwacht. Misschien is het dan ook zo dat God binnentreedt ... oeverloos kwetsbaar, maar onstuitbaar aanwezig.

Van schoonheid naar mildheid en mededogen
Schoonheid is dat ‘extra’ in de werkelijkheid, wat ook ‘mededogen’ en ‘mildheid’ kunnen zijn in onze verhoudingen. Het grootmoedig over kleinheid heen stappen, het ‘ondanks alles’ blijven dragen, zorgen, vergeven, doen groeien ...

Grootmoedigheid staat tegen kleinzieligheid. Wie kleinzielig verbeten zichzelf en anderen zijn grote gelijke moet etaleren is hard, berekend rechtvaardig en loopt constant onrustig rond. Wie rustig zichzelf aanvaardt met zijn grote en kleine kanten en die zich in Liefde geborgen weet, kan zelf van dat mededogen en van die liefdevolle geborgenheid delen. Dat is concrete 'transcendentie'. Want “onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U God”, zoals Augustinus het verwoordde.

Tederheid
Een aparte dimensie die hierbij aansluit, is de ‘tederheid’. Het is geen zwak, zeemzoeterig gevoel. Het is liefde in een zichzelf overtreffende trap: die van zachtheid en van van delicate aandacht. Ze overstijgt wat gewoon ‘zorgen voor’ of gewoon ‘om iemand geven’ is. Ze biedt zuurstof aan de liefde in al haar vormen. In die zin is ook tederheid transcendent. Ze overstijgt de ‘kleinmenselijke’ werkelijkheid en brengt iets tot stand wat op een ‘neutrale’, ‘rationele’ en ‘berekende’ manier niet mogelijk is. En daarin en daardoor is ze ook een stuk wegwijzer naar God.


God is Liefde
Wat echt telt, is dus ‘goddelijke’, ‘mensoverstijgende’ en toch in en door mensen met handen en voeten gegeven Liefde. En die gebeurt in onze heel ‘gewone’ werkelijkheid. Inkeer wordt toekeren. Diepgang reikt naar inzet. Het eenvoudig oprechte leven in het nu-moment, het rustig beleven van alle gewone dingen, het zorgen voor een kind en het alles leren, met mensen op je weg praten en ze bemoedigen, het inspringen bij een klein of groot probleem, tijd maken ondanks een gevulde agenda … Het zijn allemaal ontegensprekelijk dingen die misschien niet in het groot toekomstbepalend zijn. Maar hier-en-nu – en dat is uiteindelijk toch de enige tijd die we leven – maken ze dat leven aangenaam en ‘waardevol’. Meer nog, ze zijn er de voorwaarde toe.

Uitgaande van het feit dat alle goede dingen ‘waarde’ bezitten, kan men wellicht stellen dat ze ook maar ‘zin’ verwerven in het enige perspectief wat telt en dat is de Liefde. De Bijbel leert het ons ook wanneer ze beide ‘de liefde tot God’ en ‘de liefde tot de naaste’ evenwaardig aan elkaar centraal stellen, als het hoogste gebod. Of zoals ook Johannes het heel kort en bondig affirmeert: “God is Liefde” (1 Joh 4,8).