Dinsdagnamiddag
20 november organiseerde de Dienst Cultuur van de gemeente het reeds
lang aangekondigde event rond Jonkvrouw Keingiaert in het O.C. 't
Ghelevelt. Dat de figuur nog heel wat gemoederen beroert, bleek uit
de zeer grote opkomst. Zelfs het Woon- en Zorgcentrum Sint-Jozef uit
Zonnebeke had er de stresserende verplaatsing voor over. De zaal zat
afgeladen vol. De verwachtingen waren hoog gespannen maar werden
uiteindelijk niet geheel ingelost. De timing liep uit de hand, het
geluid was verre van optimaal en het vergde van de toehoorders heel
wat concentratie om goed te kunnen blijven volgen.
Willy Geldhof
had uit een ware overvloed van beeldmateriaal een montage
samengesteld. Daarin werden de herkomst van de familie Keigniaert en
bij leven en welzijn de verschillende gemeentelijke legislaturen tot
aan haar dood belicht. Zo kreeg je een uitstekend beeld van het
Geluveld-van-toen. Elke periode werd ingeleid met een relaas van de
politieke verschuivingen. Bedolven onder de vele begeleidende,
becommentarieerde foto's en door tijdsgebrek bleef de rol van de
jonkvrouw daarin jammer genoeg zelf onderbelicht. Wie zat te wachten
op smeuïge verhalen of pittige anekdoten bleef ook op z'n honger
zitten. Uiteraard blijft het al bij al zelfs 46 jaar na haar dood nog
delicate materie. Het politieke spel werd toen in deze kleine,
besloten gemeenschap van alle kanten hard gespeeld en de gevolgen
voor wie daar tussen vermalen zat waren verre van amusant. Het kan nu
voor velen folklore lijken, toendertijd allerminst.
Interessant
en het overwegen waard is de epiloog die samensteller Willy Geldhof
aan het eind van z'n voorstelling toevoegde.
Jonkvrouw
Leonie Charlotte Françoise Keingiaert de Gheluvelt
is haar hele leven een controversiële figuur geweest. Alhoewel ze
gelovig was voerde ze na de Eerste Wereldoorlog haar eigen liberale
politiek in een dorp dat verdeeld was over de breuklijnen van een
strikt katholieke gedachtengoed, een liberale, libertijnse
strekking, een uitgesproken vlaamsgezinde en vaderlandslievende,
belgicistische tendenzen. Haar politieke carrière kon daarom
moeilijk een onverdeeld succes zijn. Niettegenstaande haar
kapitaalkrachtige armslag kon ze slechts gedurende twee legislaturen
tussen beide wereldoorlogen de zo sterk begeerde driekleurige sjerp
omgorden. Eén ding moeten we haar op politiek vlak nageven. Nooit
heeft ze de lokale politiek gelaten voor wat het was. Altijd is ze
blijven geloven in de mogelijkheid van een persoonlijke overwinning.
Toen dat maar niet wilde lukken, bleef ze zetelen in de gemeenteraad
in de oppositie of in de meerderheid. Nooit heeft ze als kopman haar
steun geweigerd bij het vooruitschuiven van andere leden van haar
partij, zelfs niet op het ogenblik dat haar een mogelijke derde
burgemeesterschap bij de coalitievorming werd ontzegd.
Ook
de socialisten wisten zich na de Eerste Wereldoorlog stilaan een
plaatsje te veroveren in het politieke landschap om na de Tweede
Wereldoorlog handig gebruik te maken van de tweespalt tussen 'de
Houdendyckisten' en 'de Luttisten'. 'Lutte Keingiaert' zoals 'de
Sossen' haar smalend noemden. Met hun twee verkozenen verworven ze
een wisse machtspositie om steeds op de politieke wip te balanceren.
Juffrouw
Keingiaert, door haar aanhangers steevast 'Effrouwe' genoemd, blijft
nog steeds in de herinnering van vele dorpelingen een omstreden
figuur. Wie niet met haar was, was tegen haar! Haar aanhangers willen
haar nog altijd als de weldoenster van de gemeente afschilderen. Ze
verwijzen graag – en wellicht terecht – naar de vele giften en
financiële bijdragen. Tijdens het jaarlijkse Sint-Maartensfeest
mochten de kinderen van de gemeente naar het kasteel komen om giften
in natura, zoals snoepgoed en speelgoed, in ontvangst te nemen. Over
het algemeen gebeurde dat met een als lantaarn bewerkte biet. Meestal
werd de 'jurering' van deze kunstwerken geleid door meester Frans
Elshout. Vlug werd er nog heel bescheiden even in het oor van de
juffrouw gefluisterd wie de betrokken lantaarndrager wel was en van
welke strekking zijn ouders waren, alvorens de 'prijs' – niet
afhankelijk van de graad van schoonheid van de biet maar wel van de
medegedeelde informatie – werd uitgereikt.
Tijdens
de kermissen bekostigde de juffrouw vele ritjes op de paardemolen.
Plechtige communicanten van minder gegoede gezinnen werden ieder jaar
door haar in een nieuwe outfit gestoken. Talrijke verenigingen en
allerlei bonden, die haar om steun verzochten, klopten nooit
tevergeefs aan.
Haar
belangstelling voor de feministische zaak vertolkte ze in haar
actieve medewerking aan het tijdschrift 'Le
Féminisme Chrétien de Belgique'.
Als ongehuwde, adellijke dame is ze allicht 'te laat' geboren om haar
onmiskenbare feodale trekken te doen gelden. Haar uitgesproken
liberale politiek kon moeilijk blijvend wervend zijn om alleman te
verenigen in dat snel veranderende tijdsgewricht met een lokale
bevolking die stilaan sociaal en politiek ontvoogde. Als vrouw in de
politiek is ze dan weer wellicht veel 'te vroeg' geboren om haar
feministisch gedachtengoed ingang te doen vinden. Het traditionele,
landelijke dorp was op dat ogenblik niet rijp voor een 'politica' van
haar allure: traditioneel trouw aan haar liberaal, adellijk
gedachtengoed en vooruitstrevend in haar feministische ideeën.
Een
van haar voorvaderen zei nog: “Tant
qu'il y a un Keingiaert, il aura un Gheluvelt”
Helaas!
Geluveld is gebleven maar er zijn geen Keingiaerts meer …
(Foto:Geluveld,
zondag 24 februari 1963
Inwijding door Mgr. De
Keyzer van de nieuwe klok toegewijd aan de H. Bruno en geschonken
door Léonie Keingiaert de Gheluvelt: links de meter, Jonkvrouw
Léonie Keingiaert de Gheluvelt; rechts de peter, Baron Charles
d'Udekem d'Acoz
Voor
de derde keer op rij slaan De Bestanden, een driedaags muzikaal
festival met als centraal thema de kerstbestanden uit 1914.
Kerstperiode
1914. In de smalle strook van het niemandsland ontstonden spontane
verbroederingen tussen de vijandelijke troepen. De contacten
verliepen hoffelijk, ongewapend, vriendelijk en soms uitgelaten.
Soldaten verrasten elkaar met iets lekkers, een geschenk of
een lied. In dit niemandsland werden muzikale grenzen verlegd,
liederen en enthousiasme werden uitgewisseld.
Het
teken dat de kerstbestanden in de verwoeste frontstreek hebben
gegrift, is universeel en van alle tijden. Het is dan ook geen toeval
dat in de Westhoek bijna 100 jaar na datum deze hoopvolle uren
opnieuw in herinnering gebracht worden in een driedaags muzikaal
festival. Drie avonden, drie invalshoeken met als rode draad het
Duitse verhaal. De Bestanden staat synoniem voor een gevarieerd
kwalitatief hoogstaand programma met een sterke lokale verankering.
BRIEVEN
Vrijdag
30 november om 20.00 u.
Sint-Dionysiuskerk
Geluwe
Voorprogramma:
A Lieta Vita (koor)
Wouter
Vandenabeele – Olla Vogola – Stella Khumalu (Zuid-Afrika)
wereldmuziek.
Het
concert start met een verwijzing naar november-december 1914. Er
heerst een zekere moedeloosheid en de barre weersomstandigheden
zorgen evenmin voor enig optimisme.Er worden in deze voorstelling een
aantal bewerkingen gebracht van traditionele kerstliederen, maar het
gaat hoofdzakelijk om nieuwe nummers. Het concert eindigt met een
verwijzing naar de actuele situatie en hoopt op een vrediger
samenleving. Verleden jaar ging de productie in première in Beselare
maar voor dit concert legt Wouter een aantal nieuwe accenten. Naast
zijn muzikanten van Olla Vogola, Bao Sissoko (Senegal – harp) –
Elias Bachura (Syrië – ud), Soetkin Baptist (zang), Elly Aerden
(zang), Joris Vanvinckenroye (bas), Sara Salverius (accordeon) en
Wouter Vandenabeele (viool), brengt hij voor dit concert de
Zuid-Afrikaanse Stella Khumalu mee. Dit jaar toerde zij onder andere
met Paul Simon op zijn Graceland tournee.
REFLECTIONS
Zaterdag
1 december om
20.00 u.
St.-Martinuskerk
Beselare
VoorprogrammaReutelnootkoor.
Het
Rosenbachtrio
met
Ami Muto (viool) – Reinaert Albrecht (piano) – Hans Van Daele
(cello).
Dit
concert blikt terug op de Kerstbestanden in januari 1915. Het
hoopvolle van kerstmis 1914 werd met harde hand in de kiem gesmoord.
Marc Dejonckheere tekende voor het woordgedeelte.
Het
muzikaal programma is samengesteld met klassieke muziek rond het
thema leven en dood. Hoop maar vooral wanhoop raken elkaar.
Saint-Saëns, Debussy, Rachmaninov, Kreisler, Golterman en Sarasate
staan op het programma. Klassieke muziek die bekend in de oren
klinkt.
KRIEG
Zondag
2 december om 15.00 u.
Kerk
Klerken
Wim
Willaert
Dinsdag
25 december om 09.00 u.
Polygoonbos
Christmas
Truce in Polygoon Wood
Jim
Boyes (zang), Koen Raeymaekers (doedelzak) en Marc Dejonckheere
(poëzie). Verzamelen parking Polygoonbos, Lange Dreve
Kerstmis
1914, Franse soldaten verbroederen met Duitse collega’s in het
Polygoonbos.
Op
deze historische locatie willen we 100 jaar na datum dit moment van
hoop in herinnering brengen met ingetogen zang, doedelzakmuziek en
woord.
Tickets:
Dagticket:
12 euro voorverkoop - 14 euro aan de deur.
Weekendticket:
25 euro voorverkoop - 30 euro aan de deur.
Het
concert op kerstdag is gratis.
Dienst
cultuur
tel.
051 48 00 61
e-mail:
cultuur@zonnebeke.be.
Organisatie:
VZW De Boot, Katho, diensten cultuur van Houthulst, Zonnebeke en
Wervik.
Van
woensdag
5 december t.e.m.
zondag
23 december heeft
in het Diocesaan Centrum Groenhove, Bosdreef 5 te Torhout voor de
vierde keer een kerstmarkt plaats. Elke dag open van 13.30
u. tot
17.30
u. en
voor het eerst ook op zondagnamiddag!
Je vindt er een aanbod dat je nergens anders
kunt vinden.
een aanbod dat je nergens elders vinden kunt:
1001 kerststallen uit diverse landen,
toffe (Kerst)boeken voor klein en groot,
originele attenties & geschenken,
kerstdecoratie,
ideeën voor de adventstijd,
mooie en originele wenskaarten voor kerst en
nieuwjaar,
CD’s en DVD’s,
kaarsen in alle kleuren en formaten,
leuke geschenkjes aan betaalbare prijzen voor
groepen
(medewerk(st)ers in parochie, school, beweging
of instelling),
en massa’s tips voor de eindejaarsperiode.
Tijdens
de kerstmarkt is ook de religiowinkel
en de cafetaria
elke
dag open!
Gezellig keuvelen bij een lekker stukje taart,
een warme pannenkoek of een smakelijke boterham.Een verwenkoffie of
een frisse pint … Maar vooral tijd voor ontmoeting in
Van
zondag 9
december
tot en met maandag
17 december
gaat de 21ste kerststallententoonstelling door in de neo-romaanse
kerk van Voormezele. Deze expo is te bezoeken op de weekdagen
van 14.00
tot
17.00 u.
en op zondagen
van 10.30
tot 12.00
u. en
van 14.00
tot 18.00
u..
De
toegang bedraagt 1 euro en is gratis voor de kinderen tot 12 jaar.
Een
geleid bezoek voor een groep kan altijd aangevraagd worden. In deze
expo staan meer dan 500 kerststallen en afbeeldingen, grote en
kleine, kunstvol en heel eenvoudige exemplaren. Er is ook een
prachtstuk te bewonderen: een kersttafereel in lindenhout van de
kunstenaar Roger De Clerck uit Grotenberge-Zottegem. Op aanvraag kan
men ook het 2de kleinste kerststalleke bekijken op de kop van een
nagel.
Dit
jaar wil de werkgroep Kerstexpo kerststallen uit het werelddeel
Amerika in de kijker plaatsen. Ook beelden van het kindje Jezus
zullen de aandacht krijgen. De werkgroep Kerstexpo, werkzaam sedert
1985, staat in voor de opstelling van de kerstexpo en ook voor het
verzorgen en animeren van de kerstsfeer in het dorp. Een 60-tal
kerststallen en taferelen staan langs de straten opgesteld en dit tot
na het Driekoningenfeest.
De
opening
van de kerststallententoonstelling heeft plaats in de kerk op
zaterdag
8 december om
19.00
u.. De
'Schoîne
Occoage'
zal optreden met 'Keuninck
vor ié nacht'.
Het is een sfeervol, aangrijpend, volks en humoristisch spel. De
opvoering is geschikt voor alle leeftijden vanaf 6 jaar. De
toegangsprijs bedraagt 6 euro voor de volwassenen en 3 euro voor de
kinderen tot 12 jaar.
Met
deze campagne gaat Welzijnszorg de uitdaging aan om elke oudere te
laten genieten van een warme oude dag zodat ook hun verjaardag een
feest kan zijn. Armoede verjaart immers niet! OKRA ijvert al partner
mee en ondersteunt de campagne van Welzijnszorg. Met en in naam van
onze ouderen trokken we vier gelukskaarten, zodat zij op een
menswaardige wijze hun leven kunnen verder zetten. We stelden vier
beleidseisen op die we met vuur zullen verdedigen bij de
beleids-verantwoordelijken. Onze vier troeven op tafel in het
bestrijden van armoede:
1.
De inkomensgarantie voor ouderen voor iedereen die er recht op heeft!
Wie
een laag of geen pensioen heeft kan een beroep doen op de
Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). De IGO bedraagt 973 euro voor
een alleenstaande, wat net evenveel is als de armoedegrens. Maar niet
iedereen met een laag pensioen krijgt de IGO. Tegenwoordig onderzoekt
de pensioendienst automatisch of je recht hebt op een IGO wanneer je
met pensioen gaat. Dat is goed. Vroeger gebeurde dit echter niet.
Daarom eist
Welzijnszorg
dat de pensioendiensten, binnen de twee jaar, dit onderzoek ook
uitvoert voor alle oudere gepensioneerden, zodat iedereen krijgt waar
hij recht op heeft.
2.
Geen zorgen om zorg: een solidaire Vlaamse sociale bescherming!
Hoe
ouder je wordt, hoe groter de kans dat je extra zorgen nodig hebt.
Vlaanderen heeft al systemen om zorg meer betaalbaar te maken, zoals
de Vlaamse zorgverzekering. De huidige regering wil deze regeling
samenbrengen met andere, nieuwe bevoegdheden in
de
‘Vlaamse sociale bescherming’. Heel wat ouderen zullen in de
toekomst een beroep kunnen en moeten doen op deze bescherming.
Welzijnszorg eist dat de Vlaamse sociale bescherming een sociaal
gecorrigeerd verzekeringssysteem wordt. Niemand mag zorgen hebben om
zorg! Daarom zullen de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten
dragen. De Vlaamse sociale bescherming moet herverdelend werken en er
mee voor zorgen dat
ouderen
met extra zorgnoden niet in armoede belanden.
3.
Uitbreiding van de huursubsidie voor alle lage inkomens!
Wonen
neemt een belangrijke hap uit het gezinsbudget. Wie met een laag
inkomen moet rondkomen heeft nood aan een betaalbare,
kwaliteitsvolle, energiezuinige woning. Niet iedereen heeft een goede
eigen woning of kan beroep doen op een sociale huurwoning. Bijna
100.000 mensen wachten op een sociale woning, 20.000 van hen zijn
65-plussers. Zij huren nu een vaak dure woning op de privémarkt,
waarvan de kwaliteit soms te wensen over laat. Wie al 5 jaar of
langer wacht op een sociale woning én een laag inkomen heeft,
ontvangt sinds kort een huurpremie. Welzijnszorg eist dat iedereen
met een laag inkomen die op de wachtlijst staat een huursubsidie
krijgt. De voorwaarde om 5 jaar te moeten wachten maakt de armoede
dieper en moet afgeschaft worden.
4.
Middelen voor lokale projecten die het sociaal isolement van ouderen
in armoede doorbreken!
Armoede
bij ouderen is een belangrijke oorzaak van sociaal isolement bij deze
groep. Om dit isolement te doorbreken eist Welzijnszorg dat er
middelen worden voorzien om lokale projecten te steunen waarbij
verenigingen, organisaties en lokale overheden samen dit isolement
doorbreken. Deze projecten moeten rekening houden met de
armoede-problemen en specifiek aandacht hebben voor de knelpunten die
deze ouderen ondervinden.
Deze
eisen worden onderschreven door: Welzijnszorg,
Welzijnsschakels, OKRA, Zorgnet, Neos, Vlaamse Ouderenraad en
Familiehulp
OKRA,
trefpunt 55+De grootste seniorenorganisatie van
Vlaanderen
OKRA, trefpunt 55+ telt
210.000 leden verspreid over 1.150 plaatselijke trefpunten in
Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gebied. De leden krijgen
een ruim aanbod van activiteiten voorgeschoteld. Wandelen, fietsen,
dansen, uitstappen, voordrachten, ontmoetingsfeesten… Iedereen
vindt bij Okra iets naar zijn gading.
De problematiek van
vereenzaming bij ouderen ontgaat Okra niet. Maandelijks krijgen alle
Okra-leden een bezoek van de contactverantwoordelijke waarbij ze
uitgenodigd worden om deel te nemen aan de geprogrammeerde
activiteiten. Voor een aantal van de oudste leden vaak een van de
schaarse contacten met de buitenwereld. Op jaarbasis zijn er zo bijna
2 miljoen persoonlijke contacten. Daarnaast vormen persoonlijke
dienstverlening en algemene belangenbehartiging belangrijke pijlers
in de werking. Heel wat thema’s die ouderen aanbelangen komen aan
bod: inkomen, huisvesting, mobiliteit, zorg, participatie… Okra
volgt ze nauwgezet op met de bedoeling senioren persoonlijk te helpen
en te wegen op de besluitvorming. Sinds kort is Okra erkend als
vereniging van gebruikers en mantelzorgers. Indien leden problemen
ondervinden met zorgverlenende diensten kunnen ze rekenen op
persoonlijk advies en bijstand. Armoede bij ouderen is een dossier
dat Okra nauw aan het hart ligt, zowel inhoudelijk als op menselijk
vlak. We kijken verder dan de cijfers en wensen bruggen te slaan met
personen in armoede en organisaties waar armen het woord nemen. De
campagne van Welzijnszorg ‘Armoede verjaart niet’ wordt met open
armen aangegrepen om de eigen leden en ruimer de publieke opinie te
sensibiliseren rond dit thema.
Gerechtigden op een OMNIO-statuut en verhoogde tegemoetkoming van de
ziekte- en invaliditeitsuitkering, gezinnen met een laag inkomen en
personen met schuldenoverlast kunnen onder bepaalde voorwaarden
aanspraak maken op een verwarmingstoelage.
De toelage heeft betrekking op woningen verwarmd met huisbrandolie,
verwarmingspetroleum (type c) of bulkpropaangas. Verwarming met
aardgas via aansluiting op het stadsdistributienet of propaangas en
butaangas in gasflessen komt niet in aanmerking.
Mantelzorgpremie
Een maandelijkse toelage wordt toegekend aan de mantelzorgers via de
zorgbehoevende inwoners van de gemeente Zonnebeke aan wie zij
ondersteuning bieden. Hiermee erkent het OCMW Zonnebeke het belang
van mantelzorg als aanvullende zorg, bovenop professionele
hulpverlening en thuiszorg,die mee toelaat dat zorgbehoevenden verder
thuis kunnen blijven wonen in hun vertrouwde omgeving, en wil het
OCMW Zonnebeke zijn waardering uitdrukken voor de mantelzorgers
omwille van hun dagelijkse inzet voor de zorgbehoevenden.
Op 14
november kwamen de vrijwilligers
bijeen die de straat optrokken voor 11.11.11 in Zonnebeke en
deelgemeenten. In De Letterschuur werden ze verwelkomd door
voorzitster Maria Roose. Geertrui Van Eynde en stagiaire Florien van
het provinciale 11.11.11-secretariaat gaven wat duiding bij de
klimaatcampagne. Schepen Sabine Vanderhaeghen overhandigde de
gemeentelijke bijdrage van 6500 euro. Ondertussen was de optelsom
gemaakt van de binnengebrachte opbrengst: er werd een slordige 5900
euro opgehaald, wat meteen een stuk hoger ligt dan de opbrengst van
vorig jaar (4600 euro). Daarna waren er drankjes en hapjes voor
iedereen. Proficiat en een dikke merci aan alle vrijwillligers en
dank aan iedereen die een bijdrage gaf voor de actie.
Het
Leerhuis wil mensen de kans geven om hun geloof te verdiepen.
We vertrekken dit jaar vanuit bijbelse teksten om stil te staan bij
enkele aspecten van samen kerk-zijn. In zijn pastorale brief
roept bisschop De Kesel niet alleen op tot het vormen van pastorale
eenheden, nieuwe kerkstructuren. Hij benadrukt de noodzaak om als
christen aandachtig en vasthoudend te luisteren naar Gods Woord en
van daaruit samen te handelen en kerk te vormen. Het Leerhuis wil
daartoe een bijdrage leveren. We begrijpen dat niet iedereen zich
zomaar gemakkelijk kan engageren om een jaar lang (negen beurten) met
geloofsgenoten op weg te gaan. Zelfs als je er graag bij was geweest.
Er zijn duizend-en-één redenen om er niet aan te beginnen: andere
engagementen, familiale of werkomstandigheden, vroegere opleidingen …
vul maar aan. Volstaat het dan niet dat we op zondag geregeld naar de
mis komen? In deze barre geloofstijden helaas niet. Zo vorm je geen
kerk. Het gaat om meer dan cultus. En het geloof draagt maar vruchten
als je het samen in vriendschap kunt beleven. Dat beleven is meer dan
een vage gemoedstoestand. Het gaat over een nooit eindigend proces
van het geloof te leren, het geloof te vieren en het geloof om te
zetten in concrete dienstbaarheid en elkaar daar wederzijds in te
steunen. Je kunt niet op je eentje in God geloven en je medemensen
links laten liggen. Het 'christelijk' geloof heeft geen toekomst als
iedereen in het wilde weg op eigen houtje gelooft en handelt.
Kerk-zijn is geen kwestie van bevoogden, knechten, inbinden maar
juist Gods Geest de vrijheid geven en uitbreken uit individualisme en
eigenbelang.
Na
het roepingsverhaal van Mozes, (Brandend braambos) en het
Pinksterverhaal is het verhaal van
Filippus en de Ethiopiër uit
de handelingen aan de orde in de volgende beurt van het
Leerhuis op maandag
14 januari om 19.30
u. in
de Sint-Martinuskerk
te
Beselare.
Hier
gaat het over gezonden zijn naar mensen en het ruimte geven aan
mensen met wie je deze geloofsweg gaat.
De
deuren van het Leerhuis staan dan open voor iedereen uit de
federatie– ingeschreven of niet – die op welke wijze dan ook
kerkbetrokken is of zich gelovig weet en dat ook in samen gedragen
verantwoordelijkheid mee vorm wil geven.
Zoals eerder gesteld hangt de toekomst van onze
Kerk (in ons kerkgebouw) in hoge mate af van de 'levende' stenen die
wij vormen binnen de kerkgemeenschap. Als je het echt meent kan je
dat niet op z'n beloop laten.
Diaken
Lode Caes
zal ons die avond daarbij begeleiden.
Een
verjaardag is feest: mooie wensen, warme gezelligheid, leuke
attenties... Dat jaartje extra neem je erbij en stilaan schuif je op
van een veertiger naar een vijftiger, medioren worden senioren,
gepensioneerden zeventigplussers. Elke dag worden we een beetje
ouder. Ook mensen in armoede blazen jaarlijks een kaarsje uit. Hun
feest heeft echter een bittere nasmaak, want armoede verjaart niet.
Wie in armoede leeft, vecht dagelijks om de eindjes aan elkaar te
knopen ... vaak vele jaren lang. Op hogere leeftijd uit armoede
geraken, is nog zoveel moeilijker. Het risico op een leven in armoede
ligt bij ouderen veel hoger dan bij de rest van de bevolking en de
gevolgen op latere leeftijd zijn dramatisch: 1 op 5 ouderen wordt
geraakt door armoede. Gemiste kansen op de arbeidsmarkt, ziekte,
faillissement of een echtscheiding kunnen mensen de armoede induwen.
Een leven in armoede is altijd een leven met minder.
Met
de campagne 'Armoede verjaart niet' wil Welzijnszorg
samen met en in naam van onze ouderen vier gelukskaarten trekken.
Zodat zij op een menswaardige wijze hun leven kunnen verderzetten.
EEN
LEEFBAAR INKOMEN
Om
een menswaardig leven te kunnen leiden, heb je voldoende financiële
middelen nodig. Op latere leeftijd is het pensioen de belangrijkste
bron van inkomsten. Het kan het verschil maken tussen een leven in
armoede of niet. Je pensioen is namelijk gebaseerd op je
arbeidsverleden. Als daar iets is misgelopen, draag je dat je hele
leven mee. Je kan je niet meer 'verbeteren': een andere job, een
hoger loon ... horen er niet meer bij. België heeft daarenboven één
van de laagste pensioenen van Europa. 3 op 10 Vlaamse ouderen moeten
rondkomen met een gezinsinkomen tussen de 500 en 1.000 euro per
maand. Voor vele ouderen is het wettelijk pensioen onvoldoende en
niet in verhouding tot de reële levenskosten. Voor mensen die geen
pensioensrechten konden opbouwen of over onvoldoende bestaansmiddelen
beschikken, is de situatie nog nijpender. Zij hebben recht op de
Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Mensen krijgen dan een toeslag
bovenop het pensioen, zodat ze een min of meer leefbaar inkomen
hebben. Het aanvragen en de opvolging van de IGO vraagt echter wel
wat administratieve vaardigheden. Mensen ervaren dit als een zware
last en verantwoordelijkheid. Dankzij de IGO hebben de meeste ouderen
een inkomen dat ongeveer de armoedegrens benadert, maar daarmee zijn
de financiële zorgen niet van de baan. De kans op extra kosten
omwille van zorg of gezondheid nemen toe naarmate je ouder wordt. Een
grote groep ouderen loopt daardoor voortdurend een risico op armoede.
Zij moeten hopen dat ze gezond blijven of er geen onverwachte kosten
opduiken, bijvoorbeeld aan hun woning. Om armoede bij ouderen te
vermijden, moeten we dus niet alleen zorgen voor een leefbaar
inkomen, maar ook voor betaalbare zorg en huisvesting.
GEEN
ZORGEN OM DE (EXTRA) ZORG
Naarmate
mensen ouder worden, neemt de zorgbehoefte toe. Voor wie regelmatig,
langdurig of chronisch ziek is, kunnen de doktersbezoeken,
ziekenhuisopnames, onderzoeken, revalidatie en geneesmiddelen de
gezondheidskosten hoog doen oplopen. Bovendien stellen onderzoeken
duidelijk vast dat hoe armer je bent, hoe slechter je gezondheid
wordt. In armoede leven, brengt immers veel stress met zich mee, wat
een rol speelt op iemands lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een
woning van slechte kwaliteit en ongezonde voeding dragen ook bij tot
gezondheidsproblemen. Wie geen private hospitalisatieverzekering
bezit, mag zich bovendien aan een hoger kostenplaatje verwachten. In
België kunnen 41% van de 65-plussers hun uitgaven voor
gezondheidszorgen moeilijk betalen. Daarbij zorgen ook niet-medische
zorgkosten, zoals poetshulp, dat ouderen niet rondkomen.
Voor
ouderen die in armoede leven, blijft de betaalbaarheid van de zorg
een serieus knelpunt, maar ook eenzaamheid speelt een belangrijke
rol. Vanwege het wegvallen van familie en vrienden ervaren ouderen
onvoldoende hulp en bijstand. Hierdoor zijn zij meer aangewezen op de
formele zorg, die voor hen opnieuw een extra kost betekent.
Voor
wie thuiszorg niet langer de beste oplossing is, is er het
woonzorgcentrum. Daar weegt de voortdurende afhankelijkheid van zwaar
hulpbehoevende ouderen op hun privéleven. Er wacht hen vaak een
krappe kamer met open deur. De hoge kosten van deze zorgomgeving
maakt het extra zwaar.
EEN
GEZONDE, VEILIGE EN BETAALBARE WONING
Drie
op vier ouderen beschikken over een eigen woning. Toch is het hebben
van een eigen huis, geen garantie om niet in armoede terecht te
komen. Het huis is vaak oud en verbouwings- of onderhoudswerken zijn
te duur voor mensen met een laag inkomen. Veel woningen van ouderen
zijn dan ook van mindere kwaliteit en slecht geïsoleerd. 50.000
woningen van ouderen hebben geen basiscomfort. Er bestaan nog steeds
woningen zonder stromend water in de keuken en de badkamer, met een
toilet buiten. 1 op 4 ouderen heeft ook geen centrale verwarming.
Niet
alle ouderen zijn eigenaar: 1 op 5 huurt een woning. Wie met een
beperkt budget afhankelijk is van de huurmarkt is er nog slechter aan
toe. Wie niet terecht kan op de sociale huurmarkt, zoekt zijn woning
op de private markt. Een te groot deel van het inkomen gaat dan op
aan de huur van de woning, die vaak van mindere kwaliteit is. Naast
de maandelijkse huurprijs zijn er nog andere kosten zoals
elektriciteit, water, verwarming ... Ouderen hebben niet altijd een
duidelijk zicht op deze extra woonkosten. Ze zijn onzeker over de
grootte van kosten voor onderhoud en eventuele herstellingswerken.
Wonen
op het platteland kan ook schrijnende gevolgen hebben op latere
leeftijd. Armoede zit daar vaak verborgen in oudere boerderijen, weg
van de dorpskern. 1 op 4 landbouwhuishoudens heeft het vandaag
financieel bijzonder moeilijk. Ouderen worden er met verschillende
problemen geconfronteerd. De kwaliteit van de woning is heel laag, er
zijn weinig of geen sociale woningen en de mogelijkheden van het
openbaar vervoer zijn beperkt. Verhuizen kost bovendien altijd veel
geld en de huurwaarborg overbruggen is tijdelijk heel duur. Ook al is
de woning niet meer aangepast aan de noden van de bewoners, wil het
merendeel van de ouderen het liefst zo lang mogelijk in zijn
vertrouwde omgeving blijven. Een oude boom verplantje niet.
KUNNEN
MEETELLEN ÉN MEEDOEN
Naast
de drie materiële knelpunten (inkomen, zorg en wonen) schuiven
ouderen nog problemen naar voren. Ze ondervinden verschillende
drempels om te kunnen deelnemen aan het sociale leven. Zo legt de
financiële drempel heel wat beperkingen op. Uit angst om niet rond
te komen, gaan ouderen besparen op hun ontspanningsmogelijkheden, het
verenigingsleven én vervoer. Mobiliteit speelt immers ook een
belangrijke rol. Wanneer men zelf niet langer mobiel is of
onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer, worden mensen
als het ware gedwongen om thuis te blijven. Het aanbod van
vrijetijdsactiviteiten is bovendien niet altijd aangepast aan de
verschillende leeftijden binnen de grote groep van ouderen.
Wandelingen zijn te ver, fietstochten te vermoeiend, activiteiten te
laat geprogrammeerd. De digitale kloof zorgt er bovendien voor dat
mensen niet geïnformeerd of ingeschreven geraken.
Naast
deze drempels speelt er nog een minder zichtbaar element mee.
Eenzaamheid is één van de meest vermelde knelpunten, die ouderen
ervaren en voor velen het zwaarst om dragen. Armoede is de bijkomende
factor die ervoor zorgt dat ouderen sociaal uitgesloten worden in
onze maatschappij. Mensen zijn getekend door deze uitsluiting en
trachten hun armoede zo goed mogelijk te verbergen uit schaamte of
uit angst voor reacties. Mensen dragen de last van een zwaar en
moeilijk leven. De gevoelens van uitsluiting en schaamte zitten zo
diep dat mensen niet altijd de nodige levensmoed en fut hebben om te
kunnen deelnemen aan het verenigingsleven. Mensen voelen zich niet
aanvaard en niet welkom in de groep. Zonder extra ondersteuning wordt
het heel moeilijk om ouderen met een beperkt budget warm te krijgen
voor uitstapjes, culturele bezoeken of sportactiviteiten. Mensen die
het (financieel) moeilijk hebben, raken zo in isolement op hun kamer,
in hun huis of appartement. Nochtans heeft iedereen recht op
ontspanning en vakantie. De spanning en de stress die een leven in
armoede met zich meebrengt, zorgen ervoor dat mensen met een beperkt
inkomen nood hebben aan een rustpauze. Een vakantie of uitstap kunnen
mensen sterker maken en hen in contact brengen met anderen.
Op
de ledenvergadering van de F.A.N. (Familia Augustiniana Nederland)
van zaterdag
3 november
in Werkhoven, nabij Utrecht, werd de tweede Augustinusdag in
Zonnebeke aangekondigd. Die gaat door op zaterdag
13 april 2013.
In de bijeenkomsten van het Leerhuis
wordt
dit jaar gefocust op de bijbelse grondslagen van de Kerk. Waar en hoe
worden we in de Bijbel opgeroepen Kerk te vormen. Ook Augustinus had
daar vanuit z'n ervaringen met het prille christendom een
uitgesproken, ongezouten, realistische en kritische visie op. Goed en
kwaad gaan er samen. Hij stelt dat de aardse werkelijkheid niet mag
onderschat worden omdat wij geen andere weg naar de hemel kennen dan
de aardse. “Zij
die zich met de aardse zaken bezig houden, moeten hun hart verheffen
naar de hemel en zij die bezig zijn met de woorden van de hemel
moeten met hun hart op deze aarde blijven”.
Lode
Aerts,
vicaris voor de parochies in het bisdom Gent, zegde al zijn
medewerking toe.
Om de band met de Vlaamse Augustijnse provincie
te institutionaliseren werd Lode Caes aangezocht als lid het bestuur
te vervoegen, wat hij aanvaardde. Tevens werden er ook contacten
gelegd met de parochie Lindenholt in Nijmegen voor een
uitwisselingsproject. Een eerste concreet plan is om in 2014 met de
jongeren van hier en ginder op bouwkamp naar San Geminiano, Italië
te trekken.
“Lang
zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria”.
We wensen
mensen een lang leven toe. Toch merken we steeds vaker dat sommige
oudere mensen kampen met zinvragen.
De
seizoenen van het leven …
Een
mensenleven, dat niet vroegtijdig wordt afgebroken, kent vier
seizoenen. De baby-, kinder- en jeugdperiode kan omschreven worden
als de lente van het leven: kansen en mogelijkheden ontluiken,
kinderen groeien uit tot zelfstandige volwassenen. Na de lente komt
de zomer. De tijd na de jongvolwassenheid wordt vaak omschreven als
een periode van 'bloeien'. In de zomer van hun leven ontplooien
mensen zich in een veelheid aan relaties, initiatieven en
activiteiten. De derde levensfase is een herfstperiode waarin men
vele vruchten plukt. In die fase kunnen mensen teruggrijpen naar de
levenskennis en -ervaring die ze hebben opgebouwd. Ze zien hoe
kinderen zich ontwikkelen, hoe kleinkinderen opgroeien en ze ervaren
dat anderen rekenen en vertrouwen op hun hulp en ondersteuning. De
laatste levensfase wordt wel eens vergeleken met een winterperiode.
Zoals het winterweer en de donkere winterdagen ons jaarlijks
verplichten om bepaalde activiteiten stil te leggen en meer tijd
binnenshuis door te brengen, zo worden mensen in de vierde levensfase
ook beperkt in hun mogelijkheden. De winter roept bij ons wellicht
uiteenlopende associaties op. We denken aan de 'warmte' en de
gezelligheid binnenshuis, maar tevens ook aan dorheid en 'koude'. Die
uiteenlopende ervaringen vinden we ook terug bij mensen in hun
laatste levensfase. Er zijn ouderen die deze fase ervaren als een
aangename periode waarin ze dankbaar kunnen terugblikken op hun leven
en waarin ze kunnen genieten van hun herinneringen, van de warmte van
hun dierbaren... Andere ouderen beleven deze periode als een
moeilijke levensfase. Ze worden in de winter van hun leven
geconfronteerd met diverse gezondheidsproblemen, met
verlieservaringen... en ze stellen zich soms vragen over de zin van
hun verdere leven.
Op
zoek naar levenszin
Recent
onderzoek wijst uit dat ongeveer één derde van de ouderen zich
'niet gelukkig' voelt. Volgens een andere, recente studie gebruikt
ongeveer twee derde van de bewoners van woon- en zorgcentra
antidepressiva. Deze senioren worden geconfronteerd met
zingevingsproblemen. Hun zinvragen komen vaak voort uit en hangen
meestal samen met diverse andere problemen, zoals
gezondheidsproblemen, financiële problemen en sociale problemen.
Deze ouderen ervaren het leven als weinig zinvol omdat zij minder
contacten hebben, omdat zij pijn lijden, een groot deel van hun
zelfstandigheid verliezen, of een gebrek aan perspectief ervaren...
Deze problemen zijn vaak onderling met elkaar verbonden en ze
beïnvloeden elkaar. Zo leiden gezondheidsproblemen soms tot
financiële problemen, of armoede heeft tot gevolg dat de woon- en
leefsituatie niet optimaal is, waardoor de gezondheid van mensen
achteruitgaat. Door een slechte gezondheid of financiële problemen
kunnen personen vaak niet deelnemen aan bepaalde sociale
activiteiten, waardoor zij geïsoleerd raken. Ziekte en fysieke
ongemakken leiden soms tot vereenzaming en eenzaamheid heeft
meermaals tot gevolg dat de depressieve gevoelens van ouderen
toenemen en hun psychische en fysische gezondheid achteruitgaat.
We
merken dat ouderen die zich vragen stellen over de zin van hun leven
ook vaak worstelen met geloofsvragen. Zij hebben tal van
maatschappelijke ontwikkelingen meegemaakt waardoor geloof en Kerk
een andere plaats kregen in de samenleving. Bij sommigen van hen
duikt een zekere onzekerheid op. Ze stellen zich de vraag wat zij nog
wel en niet kunnen geloven. Ook worstelen zij met vragen over 'de
band tussen God en lijden', over vergeving, dood en eeuwig leven.
Vroegere antwoorden hebben hun vanzelfsprekendheid verloren en het is
een hele zoektocht om tot nieuwe antwoorden te komen.
Streven
naar maatschappelijke oplossingen
Om
deze verstoorde levenszin aan te pakken, is het van belang om op
maatschappelijk vlak te streven naar oplossingen voor de
achterliggende moeilijkheden, zoals gezondheidsproblemen, financiële
zorgen en sociaal isolement.
Het
blijft van belang om maatschappelijk te investeren in een goede en
toegankelijke gezondheidszorg, die bij het nemen van grote, medische
beslissingen rekening houdt met de algemene gezondheidstoestand van
de patiënt. Ook het stimuleren van thuiszorg, mantelzorg en
gemeenschapszorg hebben tot gevolg dat mensen ondanks fysieke en
psychische ongemakken toch langer in hun vertrouwde omgeving kunnen
blijven, waardoor hun welbevinden vaak positief beïnvloed wordt.
Tevens hebben we ook de taak om het armoedeprobleem bij ouderen aan
te pakken. Dit jaar werkt Welzijnszorg
rond het thema 'armoede
verjaart niet'.
Op die wijze wil de adventsactie aandacht vragen voor deze
problematiek. Welzijnszorg wil ook beleidsmakers sensibiliseren om te
(blijven) investeren in betaalbare gezondheidszorg, in een
inkomensgarantie voor ouderen en in een huursubsidie voor ouderen met
een laag pensioen. Ook benadrukt de campagne het belang van
initiatieven om ouderen uit hun sociaal isolement te halen.
Het
is van belang dat ouderen van betekenis kunnen zijn voor hun
relaties, leeftijdsgenoten, directe omgeving en lokale samenleving.
Er kunnen maatschappelijk initiatieven genomen worden om ouderen een
meer actieve rol te geven in de samenleving, waardoor zij zich minder
als nutteloos gaan ervaren. Het opzetten van intergenerationele
ontmoetingen en het betrekken van ouderen in vrijwilligerswerk en
diverse activiteiten kunnen daarbij helpen.
Andere
initiatieven en vormen van ondersteuning
Het
streven naar ondersteuning van ouderen en naar het opheffen van hun
sociaal isolement is echter niet alleen een taak voor beleidsmakers.
Ook wij kunnen zorgen voor de ondersteuning van ouderen. Wij kunnen
een aantal zorgtaken opnemen of op zoek gaan naar mensen die deze
taken zullen opnemen bij een oudere kennis. Tevens kunnen ook wij het
sociale leven van ouderen bevorderen. We kunnen hen aanmoedigen om
bepaalde vrijwilligersactiviteiten op te nemen. En indien zij daartoe
fysiek niet meer in staat zijn, dan kunnen we proberen om hen op
verschillende wijzen te betrekken bij het leven van de
(geloofs)gemeenschap. We kunnen hen (laten) ophalen om deel te nemen
aan parochiale activiteiten of vieringen, we kunnen hen af en toe bij
name noemen en voor hen bidden, we kunnen hen soms een bezoekje
brengen en we kunnen anderen, die namens de geloofsgemeenschap zieken
of ouderen bezoeken, aanmoedigen en ondersteunen. Bewegingen als CM
Ziekenzorg
en OKRA
verrichten
hier baanbrekend werk.
Wanneer
wij ouderen bezoeken of ontmoeten, is het mogelijk dat er ook zin- of
geloofsvragen aan bod komen. Het is dan wellicht onze eerste taak om
te 'luisteren', wat wij in onze doe-maatschappij vaak vergeten.
'Er-zijn' betekent vaak al erg veel voor hen. We kunnen in een
gesprek bijvoorbeeld op zoek gaan naar de positieve ervaringen in het
leven van een oudere, waarna we juist deze belevingen kunnen
aanmoedigen en bevorderen. We kunnen ook proberen om nieuwe
ontmoetingen voor te stellen, zodat hun sociale netwerk en zo ook hun
wereld wordt verruimd.
Ook
kunnen we verwijzen naar de activiteiten van Adem-tocht,
de organisatie die vroeger de naam 'Gulden Leeftijd' droeg. Deze
gelovig geïnspireerde lekenbeweging heeft expliciet aandacht voor
senioren die zich afvragen hoe zij hun leven in een evoluerende
wereld blijvend zin kunnen geven. In de maandelijkse bijeenkomsten
van de plaatselijke kringen (80 in het bisdom Brugge) bespreken de
leden het thema dat uitgewerkt wordt in hun tijdschrift Adem-tocht.
Daarnaast organiseren zij jaarlijks een bezinningsdag en een
ontmoetingsnamiddag voor de leden van alle kringen. In mei 2013 zal
men nader ingaan op het onderwerp 'eenzaamheid bij ouderen'.
In
onze samenleving neemt het aantal ouderen sterk toe. Als
kerkgemeenschap worden we met z'n allen uitgedaagd om met hen op weg
te gaan en hen zeker nabij te zijn wanneer zij geloofs- en zinvragen
stellen. Dit samen op weg gaan kan voor iedereen zinvol zijn, waar
hij zich ook bevindt in de seizoenen van het leven.
Het
was lang niet altijd een referentie van Beselare te zijn. Oswald Maes
vertelt dat hij eertijds om bestwil loog wanneer men hem in
artistieke milieus vroeg waar hij vandaan kwam. Want Beselare, “Oei,
is er daar nog ne missionaris?” of “Is de laatste Duits daar al
vertrokken?” Hij deed zich voor als Ieperling of nog liever als
Kortrijkzaan. Het ligt tenslotte niet meer ver uit de buurt en dat
verhoogde aanzienlijk z'n standing en geloofwaardigheid als acteur.
Wat er ook van zij, Oswald voelt zich nog altijd verknocht aan
Beselare. Eénmaal Beselarenaar, altijd Beselarenaar in hart en ziel,
tot in de nieren toe. Hij is dan ook de geknipte man om te vertellen
hoe het vroeger was. Over markante pastoors, de tijd van de 'zendinge' met z'n fameuze donderpreken, de schok van het concilie ... kortom de tijd dat de kerk niet alleen letterlijk in het midden stond, maar ook figuurlijk.
FLORIMOND
ROOMS EN LODEWIJK DE WOLF,
TWEE
HANDEN OP ÉÉN VLAAMSE BUIK
Dat
neemt niet weg dat Beselare voor de Eerste Wereldoorlog een eerder
gesloten, landelijke dorpsgemeenschap was met een bevolking die het
in de meeste gevallen niet breed had. De gezinnen waren kroostrijk en
om die vele mondjes te voeden, zagen de kostwinners zich gedwongen
seizoensarbeid te verrichten. En om een eeuw terug te gaan in de
tijd, krijgt de parochie in 1911 een nieuwe pastoor: Florimond
Rooms. Hij
was een gezapige, vriendelijke man die zich best kon inleven in de
levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking. Enkele weken
voordien was er ook een onderpastoor benoemd:
Lodewijk De Wolf.
Hij was een bijzondere interessante figuur. Geboren onder de
Sint-Salvatorstoren te Brugge, primus perpetuus, laureaat van de
retorica aan het Sint-Lodewijkscollege (1893-94) begon hij z'n
priesterstudies aan het seminarie. Zeer uitzonderlijk voor die tijd
genoot hij ook het voorrecht te gaan studeren in Leuven. Hij haalt
daar een doctoraat in Wijsbegeerte en Letteren. Toch werd hij vanuit
het bisdom scheef bekeken. Hij hanteerde niet alleen een polemische
pen maar in het spoor van een figuur als Hugo
Verriest
ijverde hij als een uitgesproken flamingant voor de 'vervlaamsing'
van het middelbaar en hoger onderwijs in Vlaanderen. Dat botste
frontaal met de intentie van het establishment, de gevestigde orde
van die tijd om het Frans als eenheidstaal te cultiveren.
Vlaamsgezinde priesters werden – ongeacht hun bekwaamheid – om
die reden systematisch op een zijspoor geplaatst en als 'petits
vicaires' benoemd en met hun subversief gedachtegoed als het ware
levend begraven in afgelegen, onbeduidende parochies. Daar zagen ze
bij wijze van spreken meer beesten dan mensen. Meestal kwam het zover
niet want na een proefjaar op het seminarie werden ze reeds
uitgerangeerd en werd hen laconiek medegedeeld dat ze niet 'geschikt'
waren voor het priesterschap. Een bijkomende filter waren de
colleges. Na hun wijding kregen velen een eerste opdracht in een van
de bisschoppelijke colleges waar ze nauwlettend werden gescreend door
de plaatselijke superior of principaal. Dat was ook zo het geval met
Lodewijk de Wolf, die verkast werd naar het college in Oostende. Toch
nam hij elke gelegenheid te baat om opzoekingen te verrichten en te
publiceren. Zo belandde hij hier in Beselare, meer zat er voor zo'n
buitengewoon talent van hogerhand niet in.
In
pastoor Dooms vond hij meteen een zielsverwant. Hij maakte immers
samen met o.a. Albrecht
Rodenbach,
Jules
Devos en
Constant Lievens
deel uit van de 'Wonderklasse' van Hugo Verriest in het Klein
Seminarie van Roeselare (1875-76). Niettemin was het hier voor de
jonge intellectueel vanuit zijn burgerlijke, stedelijke achtergrond
moeilijk aanpassen. Hij vond niet meteen voeling, de juiste toon om
met de mensen van hier, die in hun taalgebruik ruwer en directer
waren, om te gaan. Als onverbeterlijke studax werden ze dan maar tot
studie-object verheven. Nog voor de oorlog had hij al ruim
vijftienhonderd fiches vol gepend met interessante geschiedkundige en
folkloristische weetjes, gezegden en uitdrukkingen. Pastoor Dooms
liet Lodewijk maar betijen. Hij stond z'n studiewerk oogluikend toe,
zelfs als dat betekende dat hij voor onderzoek zo nu en dan enkele
dagen naar het Rijksarchief in Brussel of naar Leuven trok. Maar ook
dat kwam het bisdom ter ore en om nog meer greep te krijgen op de
situatie werd hier dan maar begin mei 1914 nog een tweede
onderpastoor benoemd. Slosse
was zijn
naam. Kort nadien begint die onzalige Eerste Wereldoorlog. Beselare
wordt geheel ontruimd en de mensen raken her en der verspreid achter
het front, tot heel diep in Frankrijk. Slosse raakt verzeild in
Engeland. Rooms en De Wolf verblijven geruime tijd in Watou. En
passant, op de vlucht redt Lodewijk, bij de aanvang van de
beschietingen op Ieper, nog met een steekkar het grootste deel van de
archieven van Guido Gezelle, die z'n vroegere klaskameraad Caesar
Gezelle daar had achtergelaten. Na de oorlog keerde Lodewijk De Wolf
terug naar het onkennelijke, verwoeste Beselare. Hij had hier
namelijk wat ijzeren kisten in de grond verstopt met de bedoeling ze
later weer op te graven. Z'n gehele bibliotheek evenwel was blijven
staan in het woonhuis, dat hij verlaten had. Van de vele waardevolle
en soms ook mooi ingebonden boeken vond hij er niet één terug.
Lodewijk gaat met de moed der wanhoop op zoek naar z'n hoogste goed,
trekt zelfs met een inventaris van de verdwenen werken naar de
hoogste ambtenaar in Brussel om een deel van de geleden
(oorlogs)schade te kunnen recupereren. Het mag allemaal niet baten,
hij wordt er meewarig afgescheept met de boodschap dat het tenslotte
maar boeken zijn. “Da's liefhebberij meneer!” Later komt hij via
de memoires van een daar gelegerde Duitse soldaat te weten dat ze z'n
ganse bibliotheek, aantekeningen en fotocollectie, kortom alle papier
opgestookt hadden. Ze hadden die winter geen kou geleden. Hij lijdt
heel sterk onder dit verlies maar desondanks blijft hij bezig en
heeft hij nog ettelijke artikels geschreven – waaronder een
honderdtal over Beselare – voornamelijk in het tijdschrift
Biekorf. Biekorf is het tijdschrift dat mede in 1890 werd opgericht
door Guido Gezelle en waarvan Lodewijk De Wolf later ook
hoofdredacteur werd. In het jaar 1929 sterft hij veel te vroeg op
53-jarige leeftijd. Florimond Rooms werd tijdens de oorlog ernstig
ziek, erger nog blind. Hoewel hij hier benoemd bleef, verbleef hij
tot aan zijn dood in 1922 in Ardooie bij familie.
FERDINAND
BEGON ALS EEN KINDT
In
z'n plaats werd een deservitor, een plaatsvervangend priester
aangesteld, de jonge Ferdinand
Kindt,
afkomstig van Avelgem. Op zijn schouders rustte de zware taak hier
wat orde in de chaos te brengen. Hij had meteen z'n naam mee. Op z'n
ronde tussen de barakken en bomtrechters door, bazuint een bakker,
een geestigaard, luidkeels rond dat hij goed nieuws heeft. “Ah ja,
en wuk dadde? M' én ne nieuwen paster! En, is't nog een 't wadde?
Wuk zoud't, 't is nog een kind!” Ondanks die start in mineur heeft
pastoor Kindt hier z'n beste krachten aan gewijd.. Hij zat in een
periode van volle opbouw. Van de Engelsen kreeg hij om te beginnen
ter vervanging van het kerkgebouw een grote barak, een voormalige
cinema voor de soldaten achter het front, die werd opgetrokken op de
plaats waar nu het voormalige gemeentehuis en de pastorie zich
bevinden. Het gebouw was 45 meter diep en 26 meter breed. Op de
houten gevels zag je nog resten van affiches van de films hangen, die
daar werden gespeeld. Na wat verbouwingen kon het verder ook dienen
als schoolgebouw. Het Interbellum, de tijd tussen de twee
wereldoorlogen, was ook los van de vele materiële beslommeringen
verre van probleemloos. De verbeten strijd tussen het bisdom en de
flaminganten woedde in alle hevigheid voort in de benoeming van
vooral onderpastoors met een anti-Vlaamse agenda, die zo meer dan
nodig ruzie en verdeeldheid zaaiden in het dorp.
AUGUST
RABAEY VAN GEEN KLEINTJE VERVAARD
In
1939 echter wordt hier August
Rabaey tot
pastoor benoemd, een figuur die er bovenuit stak en onder z'n
collega's z'n gelijke niet kende, nooit een blad voor de mond hield
en zeker niet vanaf de preekstoel. Zo was het de gewoonte dat tijdens
de vroegmis op zondag de 'duivenpieten' achteraan de kerk bleven
rechtstaan. Ze moesten dan ook geen stoelgeld betalen. Ze stonden
daar maar te commeren en te kletsen terwijl de deur half open bleef
staan. Rabaey reageerde gepikeerd met de vraag de deur te sluiten
opdat die mensen daar geen 'vallinge' zouden krijgen. “'t Is nie
voor mi, want ik è nooit geen koud!” Hij leefde ook bijzondere
zuinig en raakte zelden door z'n kolenvoorraad heen. Een andere keer
trok hij van leer tegen de lieden die zich maar zaten te vervelen
tijdens de mis zonder missaal of paternoster. “Ze zeggen dat de
messe, veel te lange duurt, maar 't is under gelove dat te kort is,”
fulmineerde hij. Ooit was er niet ver van de kerk een trouwring
verloren. “Die hem gevonden heeft, moet niet zeggen 't is de
mienen, je moet dat afgeven in de sacristie, de dag van vandage zien
d'r vele die 'n 't wadde vinden en die peinzen dat 't ulder is en van
nieten gebaren alsof ze kommen van Kanegem!” We hadden hier vroeger
ook nen koster, een beetje een nerveus mannetje met vele bezigheden,
een winkel en een drukkerijtje en een jonge menage. Hij kwam meer dan
eens op 't nippertje aandraven net voor de kerkdienst en dat werkte
de pastoor danig op de zenuwen. “Ewel, wie moet er hier altijd
wachten?” “Euh ja, dien die hier eerst is zeker!” Ook met z'n
onderpastoor kwam hij zo nu en dan in onverschil. Misdienaars
getuigden zelfs dat de heetgebakerde pastoor voor de mis in de
sacristie naar z'n collega trapte. Met een uitgestreken gezicht
begonnen die twee samen de mis. De onderpastoor revancheerde zich
daar hilarisch door het evangelieboek vlak voor zijn gezicht dicht te
klappen zodat z'n neus er tussen geklemd zat. Deze anekdoten
illustreren dat pastoor Rabaey niet de gemakkelijkste was om mee om
te gaan. Toch was het een heel goede en correcte man die veel en in
het verborgene voor z'n parochianen heeft gedaan. Na de oorlog sprong
hij onvervaard in de bres voor hen die al te zeer of onterecht te
lijden hadden onder de repressie. Ze zaten vast boven in de trouwzaal
van het gemeentehuis. De pastoor toog er naar toe en slingerde hun
bewakers in het gezicht: “Hier zit het schoonste volk van mien
parochie!” Dat herhaalde hij de zondag daarop nog eens op de
preekstoel waarna de 'witten' geaffronteerd, ostentatief de kerk
verlieten. Na de mis werd hij opgewacht en uitgedaagd door een jonge
snaak, die hem met het geweer in aanslag dreigde dood te schieten.
“Ewel manneke, als gij zo graag op mensen schiet, waarom hebt ge
het dan niet gedaan tijdens de oorlog toen de Duits hier nog vrij
rondliep!?” De kerel droop af. Enkele dagen later was de pastorie
met hakenkruisen beklad. De spanningen voor, tijdens en na
Wereldoorlog II hadden diepe wonden geslagen in het dorp, die maar
langzaam heelden.
En
toen het leven stilaan in z'n normale plooien viel, was daar in veel
opzichten de grootste ramp uit honderd jaar kerkgeschiedenis: de
naweeën van het Tweede Vaticaanse Concilie. Maar eerst iets over de
'missie' of de 'zendinge' met z'n donderpreken.
DONDERPREEK
Oswald
Maes vertelt
dat we hier regelmatig in de jaren veertig, vijftig en begin zestig
om de vier, vijf, zes jaar 'de missie' hadden op het dorp, de
'zendinge' en we kregen dan paters op onze nekke. Paschaas,
Sigisbert en Baziel om er enkele bij name te noemen. Ze kwamen van
Izegem of van Roeselare en gingen ne keer zeggen hoe dat dat hier
allemale moeste gaan, want het ging niet goed hier. Dat was eigenlijk
een blamage voor de paster en den onderpaster maar die speelden
gewiekst het spel mee. Die mannen waren speciaal opgeleide
predikanten die alle registers konden opentrekken en volle kerken
trokken. Er waren speciale preken voor de
volwassenen-kinderen-niet-toegelaten, dan weer voor de jongeren of de
kinderen apart. En na het sermoen werd met het grote kruis in
processie door het dorp gedragen. En dan kruipt Oswald op z'n
onnavolgbare manier in de huid van zo'n predikant-van-toen. We geven
hier z'n woorden weer die hij uitgesproken. Het theater erbij moet ge
maar inbeelden.
Jongens
en meisjes, ze zitten hier en de ouders zitten hier ook. 't Is weeral
kermis in Beselare, bamis-kermis en er zal wellicht weer veel gedanst
worden. Helaas, ge pruilt als ge dat woordje hoort. Ge denkt dat de
pastoors en de paters niks verdragen en zeker als wij zo af en toe
wat pret maken. Die mensen klappen nu eenmaal over dingen waar ze
niks van weten. Dat denkt ge, pardon, excuseer mejuffrouw. Maar maak
toch plezier, hoe meer hoe liever zelfs! Ah, dat is nogal gedurfd van
mij, hé! Maar ..., zorg dat het deftig is! Is dansen slecht?
Luister, een dans kan goed zijn. Er bestaan goede dansen, volksdansen
bijvoorbeeld. Maar die moderne dansen, met diene beruchte swing, en
die zazoo en die charleston ... en het schijnt dat er weeral nieuwe
uitgevonden zijn. En als die gedanst worden zoals het moet, dan is
dat echt slecht! Tout court, begrepen!? En waarom? Omdat ze door hun
gekrijs en gejank, gehuil en geloei en hun gekerm met hun wringen en
stampen, trekken en duwen, in één woord met hun beestachtig gedoe
van de mensen totaal beesten maken. En dan spreek ik nog niet van het
milieu hé, waar alcohol en smoorrook en een zwoele, verhitte
atmosfeer hangt om alles nog verder op te hitsen. De feiten zijn er.
De dancings, de bars in Brussel en Antwerpen, maar ook op vele
plaatsen op de buiten, tot in de kleinste, heilige hoekjes van ons
bisdom. Dat kan toch niet! (snikt) Ze worden daar allemaal
doodgeswingd, naar lichaam ... en naar ziel. En vaderkes en
moederkes, ge zijt gij van den ouden dag, in uwen tijd was dat zo
niet, héhé! Alstublieft, wees zeer streng voor uw kinderen en
spaart de roede niet! En gij jongens en meisjes, hoelang nog, God
heeft u geschapen om bloemen te worden. (Wanhopig) Waarom verkiest
gij dan de mesthoop!? In de naam des Vaders en des Zoons en des
heiligen Geestes. Amen.
OVER
DE SCHOK VAN HET CONCILIE
Het
Rijke Roomse Leven kreeg als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie
(1962-1965) een ferme deuk. Alles, zo leek het wel, veranderde, begon
ineens te schuiven, alles werd op z'n kop gezet. De soutane en de
Romeinse hoed verdwenen. De zusterkes uit de kloosters mochten van
toen af aan, al eens op bezoek gaan bij familie, tenminste als er
iemand meeging ... We kwamen algauw tot de vaststelling dat 'ze'
'ons' toch vele dingen 'wijsgemaakt' hadden en ons van alles buiten
proporties hadden opgedrongen met alle navenante frustaties of
hilarische toestanden van dien.
Nuchter
voor de communie
Als
we naar de communie wilden gaan, mochten we van middernacht af, al
niet meer gegeten of gedronken hebben. Als kinderen moesten we na
onze eerste communie, de vrijdag en zeker de eerste vrijdag op
aansporing van de Heilig Hartebond ter communie gaan. Op zo'n vrijdag
kom ik 's ochtends naar beneden en sta daar hartverscheurend te
bleiten. Zegt moeder: “Wat
is 't er, jongen?” “Eh, wel ja, 'k wete 'k ik nie wuk da 'k nu
moete doen!” “Hoe ge wet nie wuk da 'j moet doen?” “Eh, wel
ja, 'k e mien speeksel ingeslikt en 'k moete te fête na de
communie!” “Maar hoe is da nu meuglijk?” “'k wete da wok
niet, 't is van zelve gegaan!” “Weet je wadde, gaat maar eerst e
keer naar de biechte!”
Die vrouw wist toen ook niet meer van welk hout pijlen maken.
De
nobele kunst van het pipi-doen
Er
hangt hier ook een foto met de zusters. Vijf zusters met vier
leraressen. Ik herkende direct zuster Céline, die is me goed
bijgebleven, een mollig wijveke. Ik zat toen in het kakschooltje, het
kleinste klasje. Op de speelkoer speelden we nog samen, jongens en
meisjes ondereen, dat mocht. In de klas echter zaten we duidelijk van
elkaar gescheiden. In de toiletten was de scheiding nog drastischer.
Daar hadden de meisjes elk een toiletje met een deurtje. Wij
daarentegen stonden – als 't nodig was – in een hele reke in de
piscine. We werden geleerd – en dat is echt waar – dat we met
ons ogen naar het plafond, 'pipi' moesten doen. We stonden daar zo
met ons kleintje in de hand beteuterd naar boven te gluren. Zuster
Céline kwam meer dan eens nauwlettend toezien of alles wel volgens
de regels van de kunst verliep. Ze had het goed in de gaten, van
benden naar boven en vice versa. Na vier uur kom ik dan thuis en
moeder vraagt “Oei,
e' j were in de piscine gestaan?” “Mo, moeder, ja'k, maar hoe
wete gie dadde?” “'k Ziet aan joen schoenen!”
Een
propere bevalling
Een
andere anecdote, gaat over de gang van zaken bij de bevalling van een
kind. Het kind werd in afwezigheid van de moeder, rap, rap na de
geboorte gedoopt terwijl zij nog in het kraambed lag. Zo was de
toegang naar de hemel meteen geforceerd, mocht het bij de geboorte
mislopen. De kindersterfte lag toen ook wel beduidend hoger dan nu.
Kinderen die overleden voor dat ze gedoopt waren, moesten in
ongewijde aarde begraven worden. Op het kerkhof was daar een speciaal
hoekske voor voorzien. Zelfmoordenaars ondergingen hetzelfde trieste
lot. Na de bevalling schreef de dokter de vrouw de nodige dagen rust
voor. Bij wijze van spreken mochten ze enkel buiten komen om te was
op te hangen. Als de vrouw dan een beetje weg kon, moest ze haar
'kerkgang' doen. Ze moest 'gereinigd' worden. Het was doorgaans een
ritueel voor het Mariabeeld of -altaar waar door de priester over de
vrouw (en haar kind), die in haar ene hand een kaars en in de andere
hand een priesterstola geklemd hield, een gebed werd uitgesproken.
Sommige vrouwen zagen het ook als boetedoening voor het aantal keren
dat ze voor en na de bevalling niet in staat waren geweest om hun
zondagsplicht te vervullen. In feite had dat alles te maken met de
vieze bijsmaak die toendertijd kleefde aan alles wat met seksualiteit
te maken had. Eenmaal gezuiverd kon de vrouw opnieuw ongegeneerd en
opgelucht ter kerke gaan. Bij de man was het een heel ander verhaal.
Die man had heel andere plichtplegingen van doen. Hij mocht een ganse
dag lang de geboorte uitgebreid gaan vieren en het gaan uitleggen
aan z'n maten op café. Naarmate het gerstenat rijkelijk vloeide en
de traktaties elkaar opvolgden 'verzwaarde' het kind al gauw tot tot
een kolos van wel zeven kilo.
Met
het Tweede Vaticaanse Concilie was vooral 'het moeten' eraf. De
mensen konden zich geleidelijk 'vrijer' gaan bewegen en als ze het al
deden een eigen geweten gaan vormen. De betrokkenheid bij kerk en
geloof verslapte zienderogen met een afnemende sociale controle en
het kind werd ook vaak met het badwater weggespoeld. Als je de mensen
vijftig jaar na het concilie vraagt wat het uiteindelijk verandert
heeft, blijven de meesten steken in uiterlijkheden. Uiteraard geen
woord over het principe van het 'algemeen priesterschap' of
commentaren op invloedrijke documenten als 'Lumen Gentium' of
'Gaudium et Spes' …. Het gemak van de huidige kerkgangers is in
ieder geval aanzienlijk vergroot: meer comfortabele zitstoelen, al of
niet met kussens of leuningen, vast tapijt onder de koude voeten ...
Ze werden op hun wenken bediend en in de watten gelegd. Maar ging het
concilie wel daarover? Zoveel is er bij vroeger in de geloofsbeleving
eigenlijk niet veranderd. Om de woorden van pastoor August Rabaey
midden vorige eeuw te parafraseren: “Hoewel
ze nooit meer kommen, zeggen ze nog altijd dat de messe te lange
deurt, maar t' is under geloof dat nog even kort is als toen!”
Tot
slot enkele markante feiten en data
Op de
tentoonstelling 'Honderd jaar kerkgeschiedenis Beselare, de kerk in
het midden' kon je ook volgen, binnen welke tijdspanne enkele
opvallende veranderingen zich hebben voltrokken. Het gebeurde
allemaal niet zomaar ineens of zonder slag of stoot.
Juni
1963:
Gemeenschapsmis in de volkstaal, Nederlands i.p.v. Latijn.
Juni
1964: Het
verdwijnen van persoonlijke standstoelen.
Mei
1965:
Aankondiging vernieuwingen. Het altaar wordt het middelpunt van het
kerkgebeuren, wegnemen van de communiebanken.
Augustus
1966:
De aangekondigde werken vinden hun voltooiing en de priester gaat
voor met z'n gezicht naar de mensen. Meteen volgt de vraag om wat
meer vooraan te zitten. Nog altijd een vraag zonder duidelijk gevolg.
Juli
1967: Invoering
van de zaterdagavondmis.
November
1969: De
kerkstoelen verliezen hun knielfunctie, doen voorlopig dienst als
'lage'
oneigenlijke
zitstoelen.
Juni
1972:
Plechtige Communie en Vormsel gaan samen in één viering.
Januari
1977: Man
en vrouw worden in de viering samen met hun kinderen herenigd. De
mannen- en vrouwenkant wordt rijkelijk laat officieel afgeschaft. Nog
altijd zie je echter meer vrouwen aan de vrouwenkant en mannen aan de
mannenkant, de macht van de gewoonte.
DE
PLAAGSTOOTJES VAN DRUKKER DELVOYE
In
vroeger tijden – we hebben het hier over de eind zeventiger jaren –
was de opmaak van het plaatselijke parochieblad technisch gezien nog
een arbeidsintensieve klus. Pastoor Paul De Roo bezorgde zijn
geschreven notities aan drukker Jozef Delvoye, die er dan met een
arsenaal loden letters tegenaan ging. Minutieus zette hij letter
naast letter tot de bladspiegel z'n definitieve vorm kreeg. Voor het
logo, tekening werd een cliché gebruikt. Dan een proefdruk aanmaken
en als die goed bevonden werd kon het drukken definitief beginnen.
Een wekelijks terugkerende opdracht en dus een vaste bron van
inkomsten, ware het niet dat het loon van de arbeider-aan-de-drukpers
erg karig was. We kennen Jozef als een principiële, gelovige man
met een tomeloze inzet maar ook voor hem waren er grenzen. Wie niet
horen wil moet dan maar voelen. Maar hoe breng je zo'n heerschap dat
aan het verstand. Jozef zat nooit om een grap verlegen. Velen
herinneren zich zijn befaamde aprilgrappen waar nogal wat parochianen
zich aan lieten vangen: de mosselpotten op de zulle en de
gemeentelijke premie op het leegpompen van beerputten. Hier ging
Jozef heel subtiel als een zetduiveltje te werk. Hij voegde schalks,
bijna onopvallend hier en daar een zinnetje toe die de schraapzucht
van de pastoor aan de kaak stelde.
Enkele
voorbeelden
Over
een omhaling: zeer warm aanbevolen. Verbrand
u niet.
N.a.v. O.L.Vrouw-Lichtmis: na de mis kan men lichtmiskaarsen meenemen
naar huis. Prijs
10 fr. er stuk of 9 stuks voor 100 fr..
Aandacht, er zijn nog enkele weekendmissen vrij. Wie ze eerst
aanvraagt,
KRIJGT
ze.
Op
de lange duur ging het pastoor de keel uit en hij voegde op het einde
van z'n wekelijkse tekst de wenk toe: “Gelief
voortaan ALLEEN de tekst te drukken die opgegeven wordt. P. De Roo”.
Zinnetje die Jozef dan ook onverkort, zonder verpinken publiceerde,
wat niet de bedoeling was.
Of
zijn verzet uiteindelijk iets uithaalde? Ik denk het niet!
Dat
pastoor De Roo zich van geen kwaad bewust was en zichzelf zeer
schappelijk vond, mag blijken uit volgende mededeling uit het
Parochieblad:
“Op
veel plaatsen heeft men reeds 5 fr. als kerkgave, mogen we
vriendelijk verzoeken dat iedereen boven de 12 jaar, zijn 2 fr.
stoelgeld zou betalen. Dank!”
Bij
deze herhalen we graag deze oproep, er wel op wijzend dat de kerkgave
momenteel veertig jaar later 20 eurocent of 8 fr. bedraagt. Dank!