Pagina's

donderdag 29 november 2012

Leonie-Charlotte Keingiaert

Wie niet met ons is, is tegen ons!

Dinsdagnamiddag 20 november organiseerde de Dienst Cultuur van de gemeente het reeds lang aangekondigde event rond Jonkvrouw Keingiaert in het O.C. 't Ghelevelt. Dat de figuur nog heel wat gemoederen beroert, bleek uit de zeer grote opkomst. Zelfs het Woon- en Zorgcentrum Sint-Jozef uit Zonnebeke had er de stresserende verplaatsing voor over. De zaal zat afgeladen vol. De verwachtingen waren hoog gespannen maar werden uiteindelijk niet geheel ingelost. De timing liep uit de hand, het geluid was verre van optimaal en het vergde van de toehoorders heel wat concentratie om goed te kunnen blijven volgen. Willy Geldhof had uit een ware overvloed van beeldmateriaal een montage samengesteld. Daarin werden de herkomst van de familie Keigniaert en bij leven en welzijn de verschillende gemeentelijke legislaturen tot aan haar dood belicht. Zo kreeg je een uitstekend beeld van het Geluveld-van-toen. Elke periode werd ingeleid met een relaas van de politieke verschuivingen. Bedolven onder de vele begeleidende, becommentarieerde foto's en door tijdsgebrek bleef de rol van de jonkvrouw daarin jammer genoeg zelf onderbelicht. Wie zat te wachten op smeuïge verhalen of pittige anekdoten bleef ook op z'n honger zitten. Uiteraard blijft het al bij al zelfs 46 jaar na haar dood nog delicate materie. Het politieke spel werd toen in deze kleine, besloten gemeenschap van alle kanten hard gespeeld en de gevolgen voor wie daar tussen vermalen zat waren verre van amusant. Het kan nu voor velen folklore lijken, toendertijd allerminst.

Interessant en het overwegen waard is de epiloog die samensteller Willy Geldhof aan het eind van z'n voorstelling toevoegde.

Jonkvrouw Leonie Charlotte Françoise Keingiaert de Gheluvelt is haar hele leven een controversiële figuur geweest. Alhoewel ze gelovig was voerde ze na de Eerste Wereldoorlog haar eigen liberale politiek in een dorp dat verdeeld was over de breuklijnen van een strikt katholieke gedachtengoed, een liberale, libertijnse strekking, een uitgesproken vlaamsgezinde en vaderlandslievende, belgicistische tendenzen. Haar politieke carrière kon daarom moeilijk een onverdeeld succes zijn. Niettegenstaande haar kapitaalkrachtige armslag kon ze slechts gedurende twee legislaturen tussen beide wereldoorlogen de zo sterk begeerde driekleurige sjerp omgorden. Eén ding moeten we haar op politiek vlak nageven. Nooit heeft ze de lokale politiek gelaten voor wat het was. Altijd is ze blijven geloven in de mogelijkheid van een persoonlijke overwinning. Toen dat maar niet wilde lukken, bleef ze zetelen in de gemeenteraad in de oppositie of in de meerderheid. Nooit heeft ze als kopman haar steun geweigerd bij het vooruitschuiven van andere leden van haar partij, zelfs niet op het ogenblik dat haar een mogelijke derde burgemeesterschap bij de coalitievorming werd ontzegd.
Ook de socialisten wisten zich na de Eerste Wereldoorlog stilaan een plaatsje te veroveren in het politieke landschap om na de Tweede Wereldoorlog handig gebruik te maken van de tweespalt tussen 'de Houdendyckisten' en 'de Luttisten'. 'Lutte Keingiaert' zoals 'de Sossen' haar smalend noemden. Met hun twee verkozenen verworven ze een wisse machtspositie om steeds op de politieke wip te balanceren.



Juffrouw Keingiaert, door haar aanhangers steevast 'Effrouwe' genoemd, blijft nog steeds in de herinnering van vele dorpelingen een omstreden figuur. Wie niet met haar was, was tegen haar! Haar aanhangers willen haar nog altijd als de weldoenster van de gemeente afschilderen. Ze verwijzen graag – en wellicht terecht – naar de vele giften en financiële bijdragen. Tijdens het jaarlijkse Sint-Maartensfeest mochten de kinderen van de gemeente naar het kasteel komen om giften in natura, zoals snoepgoed en speelgoed, in ontvangst te nemen. Over het algemeen gebeurde dat met een als lantaarn bewerkte biet. Meestal werd de 'jurering' van deze kunstwerken geleid door meester Frans Elshout. Vlug werd er nog heel bescheiden even in het oor van de juffrouw gefluisterd wie de betrokken lantaarndrager wel was en van welke strekking zijn ouders waren, alvorens de 'prijs' – niet afhankelijk van de graad van schoonheid van de biet maar wel van de medegedeelde informatie – werd uitgereikt.
Tijdens de kermissen bekostigde de juffrouw vele ritjes op de paardemolen. Plechtige communicanten van minder gegoede gezinnen werden ieder jaar door haar in een nieuwe outfit gestoken. Talrijke verenigingen en allerlei bonden, die haar om steun verzochten, klopten nooit tevergeefs aan.

Haar belangstelling voor de feministische zaak vertolkte ze in haar actieve medewerking aan het tijdschrift 'Le Féminisme Chrétien de Belgique'. Als ongehuwde, adellijke dame is ze allicht 'te laat' geboren om haar onmiskenbare feodale trekken te doen gelden. Haar uitgesproken liberale politiek kon moeilijk blijvend wervend zijn om alleman te verenigen in dat snel veranderende tijdsgewricht met een lokale bevolking die stilaan sociaal en politiek ontvoogde. Als vrouw in de politiek is ze dan weer wellicht veel 'te vroeg' geboren om haar feministisch gedachtengoed ingang te doen vinden. Het traditionele, landelijke dorp was op dat ogenblik niet rijp voor een 'politica' van haar allure: traditioneel trouw aan haar liberaal, adellijk gedachtengoed en vooruitstrevend in haar feministische ideeën.

Een van haar voorvaderen zei nog: “Tant qu'il y a un Keingiaert, il aura un Gheluvelt”
Helaas! Geluveld is gebleven maar er zijn geen Keingiaerts meer …

(Foto: Geluveld, zondag 24 februari 1963
Inwijding door Mgr. De Keyzer van de nieuwe klok toegewijd aan de H. Bruno en geschonken door Léonie Keingiaert de Gheluvelt: links de meter, Jonkvrouw Léonie Keingiaert de Gheluvelt; rechts de peter, Baron Charles d'Udekem d'Acoz
(Archief Marcel Pauwels Geluveld))

De bestanden



Voor de derde keer op rij slaan De Bestanden, een driedaags muzikaal festival met als centraal thema de kerstbestanden uit 1914.
Kerstperiode 1914. In de smalle strook van het niemandsland ontstonden spontane verbroederingen tussen de vijandelijke troepen. De contacten verliepen hoffelijk, ongewapend, vriendelijk en soms uitgelaten. Soldaten verrasten elkaar met iets lekkers, een geschenk of een lied. In dit niemandsland werden muzikale grenzen verlegd, liederen en enthousiasme werden uitgewisseld.
Het teken dat de kerstbestanden in de verwoeste frontstreek hebben gegrift, is universeel en van alle tijden. Het is dan ook geen toeval dat in de Westhoek bijna 100 jaar na datum deze hoopvolle uren opnieuw in herinnering gebracht worden in een driedaags muzikaal festival. Drie avonden, drie invalshoeken met als rode draad het Duitse verhaal. De Bestanden staat synoniem voor een gevarieerd kwalitatief hoogstaand programma met een sterke lokale verankering.




BRIEVEN

Vrijdag 30 november om 20.00 u.
Sint-Dionysiuskerk Geluwe
Voorprogramma: A Lieta Vita (koor)
Wouter Vandenabeele – Olla Vogola – Stella Khumalu (Zuid-Afrika) wereldmuziek.
Het concert start met een verwijzing naar november-december 1914. Er heerst een zekere moedeloosheid en de barre weersomstandigheden zorgen evenmin voor enig optimisme.Er worden in deze voorstelling een aantal bewerkingen gebracht van traditionele kerstliederen, maar het gaat hoofdzakelijk om nieuwe nummers. Het concert eindigt met een verwijzing naar de actuele situatie en hoopt op een vrediger samenleving. Verleden jaar ging de productie in première in Beselare maar voor dit concert legt Wouter een aantal nieuwe accenten. Naast zijn muzikanten van Olla Vogola, Bao Sissoko (Senegal – harp) – Elias Bachura (Syrië – ud), Soetkin Baptist (zang), Elly Aerden (zang), Joris Vanvinckenroye (bas), Sara Salverius (accordeon) en Wouter Vandenabeele (viool), brengt hij voor dit concert de Zuid-Afrikaanse Stella Khumalu mee. Dit jaar toerde zij onder andere met Paul Simon op zijn Graceland tournee.

REFLECTIONS

Zaterdag 1 december om 20.00 u.
St.-Martinuskerk Beselare
Voorprogramma Reutelnootkoor.
Het Rosenbachtrio
met Ami Muto (viool) – Reinaert Albrecht (piano) – Hans Van Daele (cello).
Dit concert blikt terug op de Kerstbestanden in januari 1915. Het hoopvolle van kerstmis 1914 werd met harde hand in de kiem gesmoord. Marc Dejonckheere tekende voor het woordgedeelte.
Het muzikaal programma is samengesteld met klassieke muziek rond het thema leven en dood. Hoop maar vooral wanhoop raken elkaar. Saint-Saëns, Debussy, Rachmaninov, Kreisler, Golterman en Sarasate staan op het programma. Klassieke muziek die bekend in de oren klinkt.

KRIEG

Zondag 2 december om 15.00 u.
Kerk Klerken
Wim Willaert

Dinsdag 25 december om 09.00 u.
Polygoonbos
Christmas Truce in Polygoon Wood
Jim Boyes (zang), Koen Raeymaekers (doedelzak) en Marc Dejonckheere (poëzie). Verzamelen parking Polygoonbos, Lange Dreve
Kerstmis 1914, Franse soldaten verbroederen met Duitse collega’s in het Polygoonbos.
Op deze historische locatie willen we 100 jaar na datum dit moment van hoop in herinnering brengen met ingetogen zang, doedelzakmuziek en woord.

Tickets:
Dagticket: 12 euro voorverkoop - 14 euro aan de deur.
Weekendticket: 25 euro voorverkoop - 30 euro aan de deur.
Het concert op kerstdag is gratis.
Dienst cultuur
tel. 051 48 00 61
e-mail: cultuur@zonnebeke.be.

Organisatie: VZW De Boot, Katho, diensten cultuur van Houthulst, Zonnebeke en Wervik.
In samenwerking met Ol Te Goare.

Kerstmarkt


Diocesaan Centrum Groenhove Torhout

Van woensdag 5 december t.e.m. zondag 23 december heeft in het Diocesaan Centrum Groenhove, Bosdreef 5 te Torhout voor de vierde keer een kerstmarkt plaats. Elke dag open van 13.30 u. tot 17.30 u. en voor het eerst ook op zondagnamiddag!
Je vindt er een aanbod dat je nergens anders kunt vinden.
een aanbod dat je nergens elders vinden kunt:
1001 kerststallen uit diverse landen,
toffe (Kerst)boeken voor klein en groot,
originele attenties & geschenken,
kerstdecoratie,
ideeën voor de adventstijd,
mooie en originele wenskaarten voor kerst en nieuwjaar,
CD’s en DVD’s,
kaarsen in alle kleuren en formaten,
leuke geschenkjes aan betaalbare prijzen voor groepen
(medewerk(st)ers in parochie, school, beweging of instelling),
en massa’s tips voor de eindejaarsperiode.
Tijdens de kerstmarkt is ook de religiowinkel en de cafetaria elke dag open!
Gezellig keuvelen bij een lekker stukje taart, een warme pannenkoek of een smakelijke boterham.Een verwenkoffie of een frisse pint … Maar vooral tijd voor ontmoeting in
een rustig en sfeervol kader.

21ste Kerststallenexpo in Voormezele


Amerika in de kijker


Van zondag 9 december tot en met maandag 17 december gaat de 21ste kerststallententoonstelling door in de neo-romaanse kerk van Voormezele. Deze expo is te bezoeken op de weekdagen van 14.00 tot 17.00 u. en op zondagen van 10.30 tot 12.00 u. en van 14.00 tot 18.00 u..
De toegang bedraagt 1 euro en is gratis voor de kinderen tot 12 jaar.
Een geleid bezoek voor een groep kan altijd aangevraagd worden. In deze expo staan meer dan 500 kerststallen en afbeeldingen, grote en kleine, kunstvol en heel eenvoudige exemplaren. Er is ook een prachtstuk te bewonderen: een kersttafereel in lindenhout van de kunstenaar Roger De Clerck uit Grotenberge-Zottegem. Op aanvraag kan men ook het 2de kleinste kerststalleke bekijken op de kop van een nagel.
Dit jaar wil de werkgroep Kerstexpo kerststallen uit het werelddeel Amerika in de kijker plaatsen. Ook beelden van het kindje Jezus zullen de aandacht krijgen. De werkgroep Kerstexpo, werkzaam sedert 1985, staat in voor de opstelling van de kerstexpo en ook voor het verzorgen en animeren van de kerstsfeer in het dorp. Een 60-tal kerststallen en taferelen staan langs de straten opgesteld en dit tot na het Driekoningenfeest.
De opening van de kerststallententoonstelling heeft plaats in de kerk op zaterdag 8 december om 19.00 u.. De 'Schoîne Occoage' zal optreden met 'Keuninck vor ié nacht'. Het is een sfeervol, aangrijpend, volks en humoristisch spel. De opvoering is geschikt voor alle leeftijden vanaf 6 jaar. De toegangsprijs bedraagt 6 euro voor de volwassenen en 3 euro voor de kinderen tot 12 jaar.
Alle info:
Wilfried Desodt,
Dorp 28
8902 Voormezele/Ieper
057 20 13 88
Email: mdesodt@hotmail.com

woensdag 21 november 2012

Iedereen hoopt op een warme oude dag




Met deze campagne gaat Welzijnszorg de uitdaging aan om elke oudere te laten genieten van een warme oude dag zodat ook hun verjaardag een feest kan zijn. Armoede verjaart immers niet! OKRA ijvert al partner mee en ondersteunt de campagne van Welzijnszorg. Met en in naam van onze ouderen trokken we vier gelukskaarten, zodat zij op een menswaardige wijze hun leven kunnen verder zetten. We stelden vier beleidseisen op die we met vuur zullen verdedigen bij de beleids-verantwoordelijken. Onze vier troeven op tafel in het bestrijden van armoede:




1. De inkomensgarantie voor ouderen voor iedereen die er recht op heeft!

Wie een laag of geen pensioen heeft kan een beroep doen op de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). De IGO bedraagt 973 euro voor een alleenstaande, wat net evenveel is als de armoedegrens. Maar niet iedereen met een laag pensioen krijgt de IGO. Tegenwoordig onderzoekt de pensioendienst automatisch of je recht hebt op een IGO wanneer je met pensioen gaat. Dat is goed. Vroeger gebeurde dit echter niet. Daarom eist
Welzijnszorg dat de pensioendiensten, binnen de twee jaar, dit onderzoek ook uitvoert voor alle oudere gepensioneerden, zodat iedereen krijgt waar hij recht op heeft.

2. Geen zorgen om zorg: een solidaire Vlaamse sociale bescherming!

Hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat je extra zorgen nodig hebt. Vlaanderen heeft al systemen om zorg meer betaalbaar te maken, zoals de Vlaamse zorgverzekering. De huidige regering wil deze regeling samenbrengen met andere, nieuwe bevoegdheden in
de ‘Vlaamse sociale bescherming’. Heel wat ouderen zullen in de toekomst een beroep kunnen en moeten doen op deze bescherming. Welzijnszorg eist dat de Vlaamse sociale bescherming een sociaal gecorrigeerd verzekeringssysteem wordt. Niemand mag zorgen hebben om zorg! Daarom zullen de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. De Vlaamse sociale bescherming moet herverdelend werken en er mee voor zorgen dat
ouderen met extra zorgnoden niet in armoede belanden.

3. Uitbreiding van de huursubsidie voor alle lage inkomens!

Wonen neemt een belangrijke hap uit het gezinsbudget. Wie met een laag inkomen moet rondkomen heeft nood aan een betaalbare, kwaliteitsvolle, energiezuinige woning. Niet iedereen heeft een goede eigen woning of kan beroep doen op een sociale huurwoning. Bijna 100.000 mensen wachten op een sociale woning, 20.000 van hen zijn 65-plussers. Zij huren nu een vaak dure woning op de privémarkt, waarvan de kwaliteit soms te wensen over laat. Wie al 5 jaar of langer wacht op een sociale woning én een laag inkomen heeft, ontvangt sinds kort een huurpremie. Welzijnszorg eist dat iedereen met een laag inkomen die op de wachtlijst staat een huursubsidie krijgt. De voorwaarde om 5 jaar te moeten wachten maakt de armoede dieper en moet afgeschaft worden.

4. Middelen voor lokale projecten die het sociaal isolement van ouderen in armoede doorbreken!

Armoede bij ouderen is een belangrijke oorzaak van sociaal isolement bij deze groep. Om dit isolement te doorbreken eist Welzijnszorg dat er middelen worden voorzien om lokale projecten te steunen waarbij verenigingen, organisaties en lokale overheden samen dit isolement doorbreken. Deze projecten moeten rekening houden met de armoede-problemen en specifiek aandacht hebben voor de knelpunten die deze ouderen ondervinden.

Deze eisen worden onderschreven door:
Welzijnszorg, Welzijnsschakels, OKRA, Zorgnet, Neos, Vlaamse Ouderenraad en Familiehulp


OKRA, trefpunt 55+De grootste seniorenorganisatie van Vlaanderen


OKRA, trefpunt 55+ telt 210.000 leden verspreid over 1.150 plaatselijke trefpunten in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gebied. De leden krijgen een ruim aanbod van activiteiten voorgeschoteld. Wandelen, fietsen, dansen, uitstappen, voordrachten, ontmoetingsfeesten… Iedereen vindt bij Okra iets naar zijn gading.
De problematiek van vereenzaming bij ouderen ontgaat Okra niet. Maandelijks krijgen alle Okra-leden een bezoek van de contactverantwoordelijke waarbij ze uitgenodigd worden om deel te nemen aan de geprogrammeerde activiteiten. Voor een aantal van de oudste leden vaak een van de schaarse contacten met de buitenwereld. Op jaarbasis zijn er zo bijna 2 miljoen persoonlijke contacten. Daarnaast vormen persoonlijke dienstverlening en algemene belangenbehartiging belangrijke pijlers in de werking. Heel wat thema’s die ouderen aanbelangen komen aan bod: inkomen, huisvesting, mobiliteit, zorg, participatie… Okra volgt ze nauwgezet op met de bedoeling senioren persoonlijk te helpen en te wegen op de besluitvorming.
Sinds kort is Okra erkend als vereniging van gebruikers en mantelzorgers. Indien leden problemen ondervinden met zorgverlenende diensten kunnen ze rekenen op persoonlijk advies en bijstand. Armoede bij ouderen is een dossier dat Okra nauw aan het hart ligt, zowel inhoudelijk als op menselijk vlak. We kijken verder dan de cijfers en wensen bruggen te slaan met personen in armoede en organisaties waar armen het woord nemen.
De campagne van Welzijnszorg ‘Armoede verjaart niet’ wordt met open armen aangegrepen om de eigen leden en ruimer de publieke opinie te sensibiliseren rond dit thema.

OCMW Zonnebeke Toelagen of premies


Verwarmingstoelage stookoliefonds
Gerechtigden op een OMNIO-statuut en verhoogde tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsuitkering, gezinnen met een laag inkomen en personen met schuldenoverlast kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een verwarmingstoelage.
De toelage heeft betrekking op woningen verwarmd met huisbrandolie, verwarmingspetroleum (type c) of bulkpropaangas. Verwarming met aardgas via aansluiting op het stadsdistributienet of propaangas en butaangas in gasflessen komt niet in aanmerking.

Mantelzorgpremie
Een maandelijkse toelage wordt toegekend aan de mantelzorgers via de zorgbehoevende inwoners van de gemeente Zonnebeke aan wie zij ondersteuning bieden. Hiermee erkent het OCMW Zonnebeke het belang van mantelzorg als aanvullende zorg, bovenop professionele hulpverlening en thuiszorg,die mee toelaat dat zorgbehoevenden verder thuis kunnen blijven wonen in hun vertrouwde omgeving, en wil het OCMW Zonnebeke zijn waardering uitdrukken voor de mantelzorgers omwille van hun dagelijkse inzet voor de zorgbehoevenden.

Slotmoment 11.11.11 Zonnebeke



Op 14 november kwamen de vrijwilligers bijeen die de straat optrokken voor 11.11.11 in Zonnebeke en deelgemeenten. In De Letterschuur werden ze verwelkomd door voorzitster Maria Roose. Geertrui Van Eynde en stagiaire Florien van het provinciale 11.11.11-secretariaat gaven wat duiding bij de klimaatcampagne. Schepen Sabine Vanderhaeghen overhandigde de gemeentelijke bijdrage van 6500 euro. Ondertussen was de optelsom gemaakt van de binnengebrachte opbrengst: er werd een slordige 5900 euro opgehaald, wat meteen een stuk hoger ligt dan de opbrengst van vorig jaar (4600 euro). Daarna waren er drankjes en hapjes voor iedereen. Proficiat en een dikke merci aan alle vrijwillligers en dank aan iedereen die een bijdrage gaf voor de actie.  

donderdag 15 november 2012

Open Leerhuis

In de vreugde en de kracht van het geloof
Het Leerhuis wil mensen de kans geven om hun geloof te verdiepen. We vertrekken dit jaar vanuit bijbelse teksten om stil te staan bij enkele aspecten van samen kerk-zijn. In zijn pastorale brief roept bisschop De Kesel niet alleen op tot het vormen van pastorale eenheden, nieuwe kerkstructuren. Hij benadrukt de noodzaak om als christen aandachtig en vasthoudend te luisteren naar Gods Woord en van daaruit samen te handelen en kerk te vormen. Het Leerhuis wil daartoe een bijdrage leveren. We begrijpen dat niet iedereen zich zomaar gemakkelijk kan engageren om een jaar lang (negen beurten) met geloofsgenoten op weg te gaan. Zelfs als je er graag bij was geweest. Er zijn duizend-en-één redenen om er niet aan te beginnen: andere engagementen, familiale of werkomstandigheden, vroegere opleidingen … vul maar aan. Volstaat het dan niet dat we op zondag geregeld naar de mis komen? In deze barre geloofstijden helaas niet. Zo vorm je geen kerk. Het gaat om meer dan cultus. En het geloof draagt maar vruchten als je het samen in vriendschap kunt beleven. Dat beleven is meer dan een vage gemoedstoestand. Het gaat over een nooit eindigend proces van het geloof te leren, het geloof te vieren en het geloof om te zetten in concrete dienstbaarheid en elkaar daar wederzijds in te steunen. Je kunt niet op je eentje in God geloven en je medemensen links laten liggen. Het 'christelijk' geloof heeft geen toekomst als iedereen in het wilde weg op eigen houtje gelooft en handelt. Kerk-zijn is geen kwestie van bevoogden, knechten, inbinden maar juist Gods Geest de vrijheid geven en uitbreken uit individualisme en eigenbelang.
Na het roepingsverhaal van Mozes, (Brandend braambos) en het Pinksterverhaal is het verhaal van Filippus en de Ethiopiër uit de handelingen aan de orde in de volgende beurt van het Leerhuis op maandag 14 januari om 19.30 u. in de Sint-Martinuskerk te Beselare.
Hier gaat het over gezonden zijn naar mensen en het ruimte geven aan mensen met wie je deze geloofsweg gaat.

De deuren van het Leerhuis staan dan open voor iedereen uit de federatie– ingeschreven of niet – die op welke wijze dan ook kerkbetrokken is of zich gelovig weet en dat ook in samen gedragen verantwoordelijkheid mee vorm wil geven.

Zoals eerder gesteld hangt de toekomst van onze Kerk (in ons kerkgebouw) in hoge mate af van de 'levende' stenen die wij vormen binnen de kerkgemeenschap. Als je het echt meent kan je dat niet op z'n beloop laten.

Diaken Lode Caes zal ons die avond daarbij begeleiden.

Vier gelukskaarten voor ouderen


Een verjaardag is feest: mooie wensen, warme gezelligheid, leuke attenties... Dat jaartje extra neem je erbij en stilaan schuif je op van een veertiger naar een vijftiger, medioren worden senioren, gepensioneerden zeventigplussers. Elke dag worden we een beetje ouder. Ook mensen in armoede blazen jaarlijks een kaarsje uit. Hun feest heeft echter een bittere nasmaak, want armoede verjaart niet. Wie in armoede leeft, vecht dagelijks om de eindjes aan elkaar te knopen ... vaak vele jaren lang. Op hogere leeftijd uit armoede geraken, is nog zoveel moeilijker. Het risico op een leven in armoede ligt bij ouderen veel hoger dan bij de rest van de bevolking en de gevolgen op latere leeftijd zijn dramatisch: 1 op 5 ouderen wordt geraakt door armoede. Gemiste kansen op de arbeidsmarkt, ziekte, faillissement of een echtscheiding kunnen mensen de armoede induwen. Een leven in armoede is altijd een leven met minder.

Met de campagne 'Armoede verjaart niet' wil Welzijnszorg samen met en in naam van onze ouderen vier gelukskaarten trekken. Zodat zij op een menswaardige wijze hun leven kunnen verderzetten.

EEN LEEFBAAR INKOMEN

Om een menswaardig leven te kunnen leiden, heb je voldoende financiële middelen nodig. Op latere leeftijd is het pensioen de belangrijkste bron van inkomsten. Het kan het verschil maken tussen een leven in armoede of niet. Je pensioen is namelijk gebaseerd op je arbeidsverleden. Als daar iets is misgelopen, draag je dat je hele leven mee. Je kan je niet meer 'verbeteren': een andere job, een hoger loon ... horen er niet meer bij. België heeft daarenboven één van de laagste pensioenen van Europa. 3 op 10 Vlaamse ouderen moeten rondkomen met een gezinsinkomen tussen de 500 en 1.000 euro per maand. Voor vele ouderen is het wettelijk pensioen onvoldoende en niet in verhouding tot de reële levenskosten. Voor mensen die geen pensioensrechten konden opbouwen of over onvoldoende bestaansmiddelen beschikken, is de situatie nog nijpender. Zij hebben recht op de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Mensen krijgen dan een toeslag bovenop het pensioen, zodat ze een min of meer leefbaar inkomen hebben. Het aanvragen en de opvolging van de IGO vraagt echter wel wat administratieve vaardigheden. Mensen ervaren dit als een zware last en verantwoordelijkheid. Dankzij de IGO hebben de meeste ouderen een inkomen dat ongeveer de armoedegrens benadert, maar daarmee zijn de financiële zorgen niet van de baan. De kans op extra kosten omwille van zorg of gezondheid nemen toe naarmate je ouder wordt. Een grote groep ouderen loopt daardoor voortdurend een risico op armoede. Zij moeten hopen dat ze gezond blijven of er geen onverwachte kosten opduiken, bijvoorbeeld aan hun woning. Om armoede bij ouderen te vermijden, moeten we dus niet alleen zorgen voor een leefbaar inkomen, maar ook voor betaalbare zorg en huisvesting.

GEEN ZORGEN OM DE (EXTRA) ZORG

Naarmate mensen ouder worden, neemt de zorgbehoefte toe. Voor wie regelmatig, langdurig of chronisch ziek is, kunnen de doktersbezoeken, ziekenhuisopnames, onderzoeken, revalidatie en geneesmiddelen de gezondheidskosten hoog doen oplopen. Bovendien stellen onderzoeken duidelijk vast dat hoe armer je bent, hoe slechter je gezondheid wordt. In armoede leven, brengt immers veel stress met zich mee, wat een rol speelt op iemands lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een woning van slechte kwaliteit en ongezonde voeding dragen ook bij tot gezondheidsproblemen. Wie geen private hospitalisatieverzekering bezit, mag zich bovendien aan een hoger kostenplaatje verwachten. In België kunnen 41% van de 65-plussers hun uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk betalen. Daarbij zorgen ook niet-medische zorgkosten, zoals poetshulp, dat ouderen niet rondkomen.
Voor ouderen die in armoede leven, blijft de betaalbaarheid van de zorg een serieus knelpunt, maar ook eenzaamheid speelt een belangrijke rol. Vanwege het wegvallen van familie en vrienden ervaren ouderen onvoldoende hulp en bijstand. Hierdoor zijn zij meer aangewezen op de formele zorg, die voor hen opnieuw een extra kost betekent.
Voor wie thuiszorg niet langer de beste oplossing is, is er het woonzorgcentrum. Daar weegt de voortdurende afhankelijkheid van zwaar hulpbehoevende ouderen op hun privéleven. Er wacht hen vaak een krappe kamer met open deur. De hoge kosten van deze zorgomgeving maakt het extra zwaar.

EEN GEZONDE, VEILIGE EN BETAALBARE WONING

Drie op vier ouderen beschikken over een eigen woning. Toch is het hebben van een eigen huis, geen garantie om niet in armoede terecht te komen. Het huis is vaak oud en verbouwings- of onderhoudswerken zijn te duur voor mensen met een laag inkomen. Veel woningen van ouderen zijn dan ook van mindere kwaliteit en slecht geïsoleerd. 50.000 woningen van ouderen hebben geen basiscomfort. Er bestaan nog steeds woningen zonder stromend water in de keuken en de badkamer, met een toilet buiten. 1 op 4 ouderen heeft ook geen centrale verwarming.
Niet alle ouderen zijn eigenaar: 1 op 5 huurt een woning. Wie met een beperkt budget afhankelijk is van de huurmarkt is er nog slechter aan toe. Wie niet terecht kan op de sociale huurmarkt, zoekt zijn woning op de private markt. Een te groot deel van het inkomen gaat dan op aan de huur van de woning, die vaak van mindere kwaliteit is. Naast de maandelijkse huurprijs zijn er nog andere kosten zoals elektriciteit, water, verwarming ... Ouderen hebben niet altijd een duidelijk zicht op deze extra woonkosten. Ze zijn onzeker over de grootte van kosten voor onderhoud en eventuele herstellingswerken.
Wonen op het platteland kan ook schrijnende gevolgen hebben op latere leeftijd. Armoede zit daar vaak verborgen in oudere boerderijen, weg van de dorpskern. 1 op 4 landbouwhuishoudens heeft het vandaag financieel bijzonder moeilijk. Ouderen worden er met verschillende problemen geconfronteerd. De kwaliteit van de woning is heel laag, er zijn weinig of geen sociale woningen en de mogelijkheden van het openbaar vervoer zijn beperkt. Verhuizen kost bovendien altijd veel geld en de huurwaarborg overbruggen is tijdelijk heel duur. Ook al is de woning niet meer aangepast aan de noden van de bewoners, wil het merendeel van de ouderen het liefst zo lang mogelijk in zijn vertrouwde omgeving blijven. Een oude boom verplantje niet.

KUNNEN MEETELLEN ÉN MEEDOEN

Naast de drie materiële knelpunten (inkomen, zorg en wonen) schuiven ouderen nog problemen naar voren. Ze ondervinden verschillende drempels om te kunnen deelnemen aan het sociale leven. Zo legt de financiële drempel heel wat beperkingen op. Uit angst om niet rond te komen, gaan ouderen besparen op hun ontspanningsmogelijkheden, het verenigingsleven én vervoer. Mobiliteit speelt immers ook een belangrijke rol. Wanneer men zelf niet langer mobiel is of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer, worden mensen als het ware gedwongen om thuis te blijven. Het aanbod van vrijetijdsactiviteiten is bovendien niet altijd aangepast aan de verschillende leeftijden binnen de grote groep van ouderen. Wandelingen zijn te ver, fietstochten te vermoeiend, activiteiten te laat geprogrammeerd. De digitale kloof zorgt er bovendien voor dat mensen niet geïnformeerd of ingeschreven geraken.
Naast deze drempels speelt er nog een minder zichtbaar element mee. Eenzaamheid is één van de meest vermelde knelpunten, die ouderen ervaren en voor velen het zwaarst om dragen. Armoede is de bijkomende factor die ervoor zorgt dat ouderen sociaal uitgesloten worden in onze maatschappij. Mensen zijn getekend door deze uitsluiting en trachten hun armoede zo goed mogelijk te verbergen uit schaamte of uit angst voor reacties. Mensen dragen de last van een zwaar en moeilijk leven. De gevoelens van uitsluiting en schaamte zitten zo diep dat mensen niet altijd de nodige levensmoed en fut hebben om te kunnen deelnemen aan het verenigingsleven. Mensen voelen zich niet aanvaard en niet welkom in de groep. Zonder extra ondersteuning wordt het heel moeilijk om ouderen met een beperkt budget warm te krijgen voor uitstapjes, culturele bezoeken of sportactiviteiten. Mensen die het (financieel) moeilijk hebben, raken zo in isolement op hun kamer, in hun huis of appartement. Nochtans heeft iedereen recht op ontspanning en vakantie. De spanning en de stress die een leven in armoede met zich meebrengt, zorgen ervoor dat mensen met een beperkt inkomen nood hebben aan een rustpauze. Een vakantie of uitstap kunnen mensen sterker maken en hen in contact brengen met anderen.

dinsdag 13 november 2012

Augustinusdag 2013 Zonnebeke



Op de ledenvergadering van de F.A.N. (Familia Augustiniana Nederland) van zaterdag 3 november in Werkhoven, nabij Utrecht, werd de tweede Augustinusdag in Zonnebeke aangekondigd. Die gaat door op zaterdag 13 april 2013. In de bijeenkomsten van het Leerhuis
wordt dit jaar gefocust op de bijbelse grondslagen van de Kerk. Waar en hoe worden we in de Bijbel opgeroepen Kerk te vormen. Ook Augustinus had daar vanuit z'n ervaringen met het prille christendom een uitgesproken, ongezouten, realistische en kritische visie op. Goed en kwaad gaan er samen. Hij stelt dat de aardse werkelijkheid niet mag onderschat worden omdat wij geen andere weg naar de hemel kennen dan de aardse. “Zij die zich met de aardse zaken bezig houden, moeten hun hart verheffen naar de hemel en zij die bezig zijn met de woorden van de hemel moeten met hun hart op deze aarde blijven”.
Lode Aerts, vicaris voor de parochies in het bisdom Gent, zegde al zijn medewerking toe.
Om de band met de Vlaamse Augustijnse provincie te institutionaliseren werd Lode Caes aangezocht als lid het bestuur te vervoegen, wat hij aanvaardde. Tevens werden er ook contacten gelegd met de parochie Lindenholt in Nijmegen voor een uitwisselingsproject. Een eerste concreet plan is om in 2014 met de jongeren van hier en ginder op bouwkamp naar San Geminiano, Italië te trekken.

Zin in ouder worden?



“Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria”. We wensen mensen een lang leven toe. Toch merken we steeds vaker dat sommige oudere mensen kampen met zinvragen.

De seizoenen van het leven …
Een mensenleven, dat niet vroegtijdig wordt afgebroken, kent vier seizoenen. De baby-, kinder- en jeugdperiode kan omschreven worden als de lente van het leven: kansen en mogelijkheden ontluiken, kinderen groeien uit tot zelfstandige volwassenen. Na de lente komt de zomer. De tijd na de jongvolwassenheid wordt vaak omschreven als een periode van 'bloeien'. In de zomer van hun leven ontplooien mensen zich in een veelheid aan relaties, initiatieven en activiteiten. De derde levensfase is een herfstperiode waarin men vele vruchten plukt. In die fase kunnen mensen teruggrijpen naar de levenskennis en -ervaring die ze hebben opgebouwd. Ze zien hoe kinderen zich ontwikkelen, hoe kleinkinderen opgroeien en ze ervaren dat anderen rekenen en vertrouwen op hun hulp en ondersteuning. De laatste levensfase wordt wel eens vergeleken met een winterperiode. Zoals het winterweer en de donkere winterdagen ons jaarlijks verplichten om bepaalde activiteiten stil te leggen en meer tijd binnenshuis door te brengen, zo worden mensen in de vierde levensfase ook beperkt in hun mogelijkheden. De winter roept bij ons wellicht uiteenlopende associaties op. We denken aan de 'warmte' en de gezelligheid binnenshuis, maar tevens ook aan dorheid en 'koude'. Die uiteenlopende ervaringen vinden we ook terug bij mensen in hun laatste levensfase. Er zijn ouderen die deze fase ervaren als een aangename periode waarin ze dankbaar kunnen terugblikken op hun leven en waarin ze kunnen genieten van hun herinneringen, van de warmte van hun dierbaren... Andere ouderen beleven deze periode als een moeilijke levensfase. Ze worden in de winter van hun leven geconfronteerd met diverse gezondheidsproblemen, met verlieservaringen... en ze stellen zich soms vragen over de zin van hun verdere leven.


Op zoek naar levenszin
Recent onderzoek wijst uit dat ongeveer één derde van de ouderen zich 'niet gelukkig' voelt. Volgens een andere, recente studie gebruikt ongeveer twee derde van de bewoners van woon- en zorgcentra antidepressiva. Deze senioren worden geconfronteerd met zingevingsproblemen. Hun zinvragen komen vaak voort uit en hangen meestal samen met diverse andere problemen, zoals gezondheidsproblemen, financiële problemen en sociale problemen. Deze ouderen ervaren het leven als weinig zinvol omdat zij minder contacten hebben, omdat zij pijn lijden, een groot deel van hun zelfstandigheid verliezen, of een gebrek aan perspectief ervaren... Deze problemen zijn vaak onderling met elkaar verbonden en ze beïnvloeden elkaar. Zo leiden gezondheidsproblemen soms tot financiële problemen, of armoede heeft tot gevolg dat de woon- en leefsituatie niet optimaal is, waardoor de gezondheid van mensen achteruitgaat. Door een slechte gezondheid of financiële problemen kunnen personen vaak niet deelnemen aan bepaalde sociale activiteiten, waardoor zij geïsoleerd raken. Ziekte en fysieke ongemakken leiden soms tot vereenzaming en eenzaamheid heeft meermaals tot gevolg dat de depressieve gevoelens van ouderen toenemen en hun psychische en fysische gezondheid achteruitgaat.
We merken dat ouderen die zich vragen stellen over de zin van hun leven ook vaak worstelen met geloofsvragen. Zij hebben tal van maatschappelijke ontwikkelingen meegemaakt waardoor geloof en Kerk een andere plaats kregen in de samenleving. Bij sommigen van hen duikt een zekere onzekerheid op. Ze stellen zich de vraag wat zij nog wel en niet kunnen geloven. Ook worstelen zij met vragen over 'de band tussen God en lijden', over vergeving, dood en eeuwig leven. Vroegere antwoorden hebben hun vanzelfsprekendheid verloren en het is een hele zoektocht om tot nieuwe antwoorden te komen.




Streven naar maatschappelijke oplossingen
Om deze verstoorde levenszin aan te pakken, is het van belang om op maatschappelijk vlak te streven naar oplossingen voor de achterliggende moeilijkheden, zoals gezondheidsproblemen, financiële zorgen en sociaal isolement.
Het blijft van belang om maatschappelijk te investeren in een goede en toegankelijke gezondheidszorg, die bij het nemen van grote, medische beslissingen rekening houdt met de algemene gezondheidstoestand van de patiënt. Ook het stimuleren van thuiszorg, mantelzorg en gemeenschapszorg hebben tot gevolg dat mensen ondanks fysieke en psychische ongemakken toch langer in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven, waardoor hun welbevinden vaak positief beïnvloed wordt. Tevens hebben we ook de taak om het armoedeprobleem bij ouderen aan te pakken. Dit jaar werkt Welzijnszorg rond het thema 'armoede verjaart niet'. Op die wijze wil de adventsactie aandacht vragen voor deze problematiek. Welzijnszorg wil ook beleidsmakers sensibiliseren om te (blijven) investeren in betaalbare gezondheidszorg, in een inkomensgarantie voor ouderen en in een huursubsidie voor ouderen met een laag pensioen. Ook benadrukt de campagne het belang van initiatieven om ouderen uit hun sociaal isolement te halen.
Het is van belang dat ouderen van betekenis kunnen zijn voor hun relaties, leeftijdsgenoten, directe omgeving en lokale samenleving. Er kunnen maatschappelijk initiatieven genomen worden om ouderen een meer actieve rol te geven in de samenleving, waardoor zij zich minder als nutteloos gaan ervaren. Het opzetten van intergenerationele ontmoetingen en het betrekken van ouderen in vrijwilligerswerk en diverse activiteiten kunnen daarbij helpen.




Andere initiatieven en vormen van ondersteuning
Het streven naar ondersteuning van ouderen en naar het opheffen van hun sociaal isolement is echter niet alleen een taak voor beleidsmakers. Ook wij kunnen zorgen voor de ondersteuning van ouderen. Wij kunnen een aantal zorgtaken opnemen of op zoek gaan naar mensen die deze taken zullen opnemen bij een oudere kennis. Tevens kunnen ook wij het sociale leven van ouderen bevorderen. We kunnen hen aanmoedigen om bepaalde vrijwilligersactiviteiten op te nemen. En indien zij daartoe fysiek niet meer in staat zijn, dan kunnen we proberen om hen op verschillende wijzen te betrekken bij het leven van de (geloofs)gemeenschap. We kunnen hen (laten) ophalen om deel te nemen aan parochiale activiteiten of vieringen, we kunnen hen af en toe bij name noemen en voor hen bidden, we kunnen hen soms een bezoekje brengen en we kunnen anderen, die namens de geloofsgemeenschap zieken of ouderen bezoeken, aanmoedigen en ondersteunen. Bewegingen als CM Ziekenzorg en OKRA verrichten hier baanbrekend werk.
Wanneer wij ouderen bezoeken of ontmoeten, is het mogelijk dat er ook zin- of geloofsvragen aan bod komen. Het is dan wellicht onze eerste taak om te 'luisteren', wat wij in onze doe-maatschappij vaak vergeten. 'Er-zijn' betekent vaak al erg veel voor hen. We kunnen in een gesprek bijvoorbeeld op zoek gaan naar de positieve ervaringen in het leven van een oudere, waarna we juist deze belevingen kunnen aanmoedigen en bevorderen. We kunnen ook proberen om nieuwe ontmoetingen voor te stellen, zodat hun sociale netwerk en zo ook hun wereld wordt verruimd.
Ook kunnen we verwijzen naar de activiteiten van Adem-tocht, de organisatie die vroeger de naam 'Gulden Leeftijd' droeg. Deze gelovig geïnspireerde lekenbeweging heeft expliciet aandacht voor senioren die zich afvragen hoe zij hun leven in een evoluerende wereld blijvend zin kunnen geven. In de maandelijkse bijeenkomsten van de plaatselijke kringen (80 in het bisdom Brugge) bespreken de leden het thema dat uitgewerkt wordt in hun tijdschrift Adem-tocht. Daarnaast organiseren zij jaarlijks een bezinningsdag en een ontmoetingsnamiddag voor de leden van alle kringen. In mei 2013 zal men nader ingaan op het onderwerp 'eenzaamheid bij ouderen'.
In onze samenleving neemt het aantal ouderen sterk toe. Als kerkgemeenschap worden we met z'n allen uitgedaagd om met hen op weg te gaan en hen zeker nabij te zijn wanneer zij geloofs- en zinvragen stellen. Dit samen op weg gaan kan voor iedereen zinvol zijn, waar hij zich ook bevindt in de seizoenen van het leven.

Honderd jaar Beselaarse kerkgeschiedenis

Oswald Maes vertelt





Het was lang niet altijd een referentie van Beselare te zijn. Oswald Maes vertelt dat hij eertijds om bestwil loog wanneer men hem in artistieke milieus vroeg waar hij vandaan kwam. Want Beselare, “Oei, is er daar nog ne missionaris?” of “Is de laatste Duits daar al vertrokken?” Hij deed zich voor als Ieperling of nog liever als Kortrijkzaan. Het ligt tenslotte niet meer ver uit de buurt en dat verhoogde aanzienlijk z'n standing en geloofwaardigheid als acteur. Wat er ook van zij, Oswald voelt zich nog altijd verknocht aan Beselare. Eénmaal Beselarenaar, altijd Beselarenaar in hart en ziel, tot in de nieren toe. Hij is dan ook de geknipte man om te vertellen hoe het vroeger was. Over markante pastoors, de tijd van de 'zendinge' met z'n fameuze donderpreken, de schok van het concilie ...
kortom de tijd dat de kerk niet alleen letterlijk in het midden stond, maar ook figuurlijk.


FLORIMOND ROOMS EN LODEWIJK DE WOLF,

TWEE HANDEN OP ÉÉN VLAAMSE BUIK


Dat neemt niet weg dat Beselare voor de Eerste Wereldoorlog een eerder gesloten, landelijke dorpsgemeenschap was met een bevolking die het in de meeste gevallen niet breed had. De gezinnen waren kroostrijk en om die vele mondjes te voeden, zagen de kostwinners zich gedwongen seizoensarbeid te verrichten. En om een eeuw terug te gaan in de tijd, krijgt de parochie in 1911 een nieuwe pastoor: Florimond Rooms. Hij was een gezapige, vriendelijke man die zich best kon inleven in de levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking. Enkele weken voordien was er ook een onderpastoor benoemd: Lodewijk De Wolf. Hij was een bijzondere interessante figuur. Geboren onder de Sint-Salvatorstoren te Brugge, primus perpetuus, laureaat van de retorica aan het Sint-Lodewijkscollege (1893-94) begon hij z'n priesterstudies aan het seminarie. Zeer uitzonderlijk voor die tijd genoot hij ook het voorrecht te gaan studeren in Leuven. Hij haalt daar een doctoraat in Wijsbegeerte en Letteren. Toch werd hij vanuit het bisdom scheef bekeken. Hij hanteerde niet alleen een polemische pen maar in het spoor van een figuur als Hugo Verriest ijverde hij als een uitgesproken flamingant voor de 'vervlaamsing' van het middelbaar en hoger onderwijs in Vlaanderen. Dat botste frontaal met de intentie van het establishment, de gevestigde orde van die tijd om het Frans als eenheidstaal te cultiveren. Vlaamsgezinde priesters werden – ongeacht hun bekwaamheid – om die reden systematisch op een zijspoor geplaatst en als 'petits vicaires' benoemd en met hun subversief gedachtegoed als het ware levend begraven in afgelegen, onbeduidende parochies. Daar zagen ze bij wijze van spreken meer beesten dan mensen. Meestal kwam het zover niet want na een proefjaar op het seminarie werden ze reeds uitgerangeerd en werd hen laconiek medegedeeld dat ze niet 'geschikt' waren voor het priesterschap. Een bijkomende filter waren de colleges. Na hun wijding kregen velen een eerste opdracht in een van de bisschoppelijke colleges waar ze nauwlettend werden gescreend door de plaatselijke superior of principaal. Dat was ook zo het geval met Lodewijk de Wolf, die verkast werd naar het college in Oostende. Toch nam hij elke gelegenheid te baat om opzoekingen te verrichten en te publiceren. Zo belandde hij hier in Beselare, meer zat er voor zo'n buitengewoon talent van hogerhand niet in.




In pastoor Dooms vond hij meteen een zielsverwant. Hij maakte immers samen met o.a. Albrecht Rodenbach, Jules Devos en Constant Lievens deel uit van de 'Wonderklasse' van Hugo Verriest in het Klein Seminarie van Roeselare (1875-76). Niettemin was het hier voor de jonge intellectueel vanuit zijn burgerlijke, stedelijke achtergrond moeilijk aanpassen. Hij vond niet meteen voeling, de juiste toon om met de mensen van hier, die in hun taalgebruik ruwer en directer waren, om te gaan. Als onverbeterlijke studax werden ze dan maar tot studie-object verheven. Nog voor de oorlog had hij al ruim vijftienhonderd fiches vol gepend met interessante geschiedkundige en folkloristische weetjes, gezegden en uitdrukkingen. Pastoor Dooms liet Lodewijk maar betijen. Hij stond z'n studiewerk oogluikend toe, zelfs als dat betekende dat hij voor onderzoek zo nu en dan enkele dagen naar het Rijksarchief in Brussel of naar Leuven trok. Maar ook dat kwam het bisdom ter ore en om nog meer greep te krijgen op de situatie werd hier dan maar begin mei 1914 nog een tweede onderpastoor benoemd. Slosse was zijn naam. Kort nadien begint die onzalige Eerste Wereldoorlog. Beselare wordt geheel ontruimd en de mensen raken her en der verspreid achter het front, tot heel diep in Frankrijk. Slosse raakt verzeild in Engeland. Rooms en De Wolf verblijven geruime tijd in Watou. En passant, op de vlucht redt Lodewijk, bij de aanvang van de beschietingen op Ieper, nog met een steekkar het grootste deel van de archieven van Guido Gezelle, die z'n vroegere klaskameraad Caesar Gezelle daar had achtergelaten. Na de oorlog keerde Lodewijk De Wolf terug naar het onkennelijke, verwoeste Beselare. Hij had hier namelijk wat ijzeren kisten in de grond verstopt met de bedoeling ze later weer op te graven. Z'n gehele bibliotheek evenwel was blijven staan in het woonhuis, dat hij verlaten had. Van de vele waardevolle en soms ook mooi ingebonden boeken vond hij er niet één terug. Lodewijk gaat met de moed der wanhoop op zoek naar z'n hoogste goed, trekt zelfs met een inventaris van de verdwenen werken naar de hoogste ambtenaar in Brussel om een deel van de geleden (oorlogs)schade te kunnen recupereren. Het mag allemaal niet baten, hij wordt er meewarig afgescheept met de boodschap dat het tenslotte maar boeken zijn. “Da's liefhebberij meneer!” Later komt hij via de memoires van een daar gelegerde Duitse soldaat te weten dat ze z'n ganse bibliotheek, aantekeningen en fotocollectie, kortom alle papier opgestookt hadden. Ze hadden die winter geen kou geleden. Hij lijdt heel sterk onder dit verlies maar desondanks blijft hij bezig en heeft hij nog ettelijke artikels geschreven – waaronder een honderdtal over Beselare – voornamelijk in het tijdschrift Biekorf. Biekorf is het tijdschrift dat mede in 1890 werd opgericht door Guido Gezelle en waarvan Lodewijk De Wolf later ook hoofdredacteur werd. In het jaar 1929 sterft hij veel te vroeg op 53-jarige leeftijd. Florimond Rooms werd tijdens de oorlog ernstig ziek, erger nog blind. Hoewel hij hier benoemd bleef, verbleef hij tot aan zijn dood in 1922 in Ardooie bij familie.




FERDINAND BEGON ALS EEN KINDT

In z'n plaats werd een deservitor, een plaatsvervangend priester aangesteld, de jonge Ferdinand Kindt, afkomstig van Avelgem. Op zijn schouders rustte de zware taak hier wat orde in de chaos te brengen. Hij had meteen z'n naam mee. Op z'n ronde tussen de barakken en bomtrechters door, bazuint een bakker, een geestigaard, luidkeels rond dat hij goed nieuws heeft. “Ah ja, en wuk dadde? M' én ne nieuwen paster! En, is't nog een 't wadde? Wuk zoud't, 't is nog een kind!” Ondanks die start in mineur heeft pastoor Kindt hier z'n beste krachten aan gewijd.. Hij zat in een periode van volle opbouw. Van de Engelsen kreeg hij om te beginnen ter vervanging van het kerkgebouw een grote barak, een voormalige cinema voor de soldaten achter het front, die werd opgetrokken op de plaats waar nu het voormalige gemeentehuis en de pastorie zich bevinden. Het gebouw was 45 meter diep en 26 meter breed. Op de houten gevels zag je nog resten van affiches van de films hangen, die daar werden gespeeld. Na wat verbouwingen kon het verder ook dienen als schoolgebouw. Het Interbellum, de tijd tussen de twee wereldoorlogen, was ook los van de vele materiële beslommeringen verre van probleemloos. De verbeten strijd tussen het bisdom en de flaminganten woedde in alle hevigheid voort in de benoeming van vooral onderpastoors met een anti-Vlaamse agenda, die zo meer dan nodig ruzie en verdeeldheid zaaiden in het dorp.

AUGUST RABAEY VAN GEEN KLEINTJE VERVAARD

In 1939 echter wordt hier August Rabaey tot pastoor benoemd, een figuur die er bovenuit stak en onder z'n collega's z'n gelijke niet kende, nooit een blad voor de mond hield en zeker niet vanaf de preekstoel. Zo was het de gewoonte dat tijdens de vroegmis op zondag de 'duivenpieten' achteraan de kerk bleven rechtstaan. Ze moesten dan ook geen stoelgeld betalen. Ze stonden daar maar te commeren en te kletsen terwijl de deur half open bleef staan. Rabaey reageerde gepikeerd met de vraag de deur te sluiten opdat die mensen daar geen 'vallinge' zouden krijgen. “'t Is nie voor mi, want ik è nooit geen koud!” Hij leefde ook bijzondere zuinig en raakte zelden door z'n kolenvoorraad heen. Een andere keer trok hij van leer tegen de lieden die zich maar zaten te vervelen tijdens de mis zonder missaal of paternoster. “Ze zeggen dat de messe, veel te lange duurt, maar 't is under gelove dat te kort is,” fulmineerde hij. Ooit was er niet ver van de kerk een trouwring verloren. “Die hem gevonden heeft, moet niet zeggen 't is de mienen, je moet dat afgeven in de sacristie, de dag van vandage zien d'r vele die 'n 't wadde vinden en die peinzen dat 't ulder is en van nieten gebaren alsof ze kommen van Kanegem!” We hadden hier vroeger ook nen koster, een beetje een nerveus mannetje met vele bezigheden, een winkel en een drukkerijtje en een jonge menage. Hij kwam meer dan eens op 't nippertje aandraven net voor de kerkdienst en dat werkte de pastoor danig op de zenuwen. “Ewel, wie moet er hier altijd wachten?” “Euh ja, dien die hier eerst is zeker!” Ook met z'n onderpastoor kwam hij zo nu en dan in onverschil. Misdienaars getuigden zelfs dat de heetgebakerde pastoor voor de mis in de sacristie naar z'n collega trapte. Met een uitgestreken gezicht begonnen die twee samen de mis. De onderpastoor revancheerde zich daar hilarisch door het evangelieboek vlak voor zijn gezicht dicht te klappen zodat z'n neus er tussen geklemd zat. Deze anekdoten illustreren dat pastoor Rabaey niet de gemakkelijkste was om mee om te gaan. Toch was het een heel goede en correcte man die veel en in het verborgene voor z'n parochianen heeft gedaan. Na de oorlog sprong hij onvervaard in de bres voor hen die al te zeer of onterecht te lijden hadden onder de repressie. Ze zaten vast boven in de trouwzaal van het gemeentehuis. De pastoor toog er naar toe en slingerde hun bewakers in het gezicht: “Hier zit het schoonste volk van mien parochie!” Dat herhaalde hij de zondag daarop nog eens op de preekstoel waarna de 'witten' geaffronteerd, ostentatief de kerk verlieten. Na de mis werd hij opgewacht en uitgedaagd door een jonge snaak, die hem met het geweer in aanslag dreigde dood te schieten. “Ewel manneke, als gij zo graag op mensen schiet, waarom hebt ge het dan niet gedaan tijdens de oorlog toen de Duits hier nog vrij rondliep!?” De kerel droop af. Enkele dagen later was de pastorie met hakenkruisen beklad. De spanningen voor, tijdens en na Wereldoorlog II hadden diepe wonden geslagen in het dorp, die maar langzaam heelden.
En toen het leven stilaan in z'n normale plooien viel, was daar in veel opzichten de grootste ramp uit honderd jaar kerkgeschiedenis: de naweeën van het Tweede Vaticaanse Concilie. Maar eerst iets over de 'missie' of de 'zendinge' met z'n donderpreken.

DONDERPREEK


Oswald Maes vertelt dat we hier regelmatig in de jaren veertig, vijftig en begin zestig om de vier, vijf, zes jaar 'de missie' hadden op het dorp, de 'zendinge' en we kregen dan paters op onze nekke. Paschaas, Sigisbert en Baziel om er enkele bij name te noemen. Ze kwamen van Izegem of van Roeselare en gingen ne keer zeggen hoe dat dat hier allemale moeste gaan, want het ging niet goed hier. Dat was eigenlijk een blamage voor de paster en den onderpaster maar die speelden gewiekst het spel mee. Die mannen waren speciaal opgeleide predikanten die alle registers konden opentrekken en volle kerken trokken. Er waren speciale preken voor de volwassenen-kinderen-niet-toegelaten, dan weer voor de jongeren of de kinderen apart. En na het sermoen werd met het grote kruis in processie door het dorp gedragen. En dan kruipt Oswald op z'n onnavolgbare manier in de huid van zo'n predikant-van-toen. We geven hier z'n woorden weer die hij uitgesproken. Het theater erbij moet ge maar inbeelden.






Jongens en meisjes, ze zitten hier en de ouders zitten hier ook. 't Is weeral kermis in Beselare, bamis-kermis en er zal wellicht weer veel gedanst worden. Helaas, ge pruilt als ge dat woordje hoort. Ge denkt dat de pastoors en de paters niks verdragen en zeker als wij zo af en toe wat pret maken. Die mensen klappen nu eenmaal over dingen waar ze niks van weten. Dat denkt ge, pardon, excuseer mejuffrouw. Maar maak toch plezier, hoe meer hoe liever zelfs! Ah, dat is nogal gedurfd van mij, hé! Maar ..., zorg dat het deftig is! Is dansen slecht? Luister, een dans kan goed zijn. Er bestaan goede dansen, volksdansen bijvoorbeeld. Maar die moderne dansen, met diene beruchte swing, en die zazoo en die charleston ... en het schijnt dat er weeral nieuwe uitgevonden zijn. En als die gedanst worden zoals het moet, dan is dat echt slecht! Tout court, begrepen!? En waarom? Omdat ze door hun gekrijs en gejank, gehuil en geloei en hun gekerm met hun wringen en stampen, trekken en duwen, in één woord met hun beestachtig gedoe van de mensen totaal beesten maken. En dan spreek ik nog niet van het milieu hé, waar alcohol en smoorrook en een zwoele, verhitte atmosfeer hangt om alles nog verder op te hitsen. De feiten zijn er. De dancings, de bars in Brussel en Antwerpen, maar ook op vele plaatsen op de buiten, tot in de kleinste, heilige hoekjes van ons bisdom. Dat kan toch niet! (snikt) Ze worden daar allemaal doodgeswingd, naar lichaam ... en naar ziel. En vaderkes en moederkes, ge zijt gij van den ouden dag, in uwen tijd was dat zo niet, héhé! Alstublieft, wees zeer streng voor uw kinderen en spaart de roede niet! En gij jongens en meisjes, hoelang nog, God heeft u geschapen om bloemen te worden. (Wanhopig) Waarom verkiest gij dan de mesthoop!? In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. Amen.




OVER DE SCHOK VAN HET CONCILIE

Het Rijke Roomse Leven kreeg als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) een ferme deuk. Alles, zo leek het wel, veranderde, begon ineens te schuiven, alles werd op z'n kop gezet. De soutane en de Romeinse hoed verdwenen. De zusterkes uit de kloosters mochten van toen af aan, al eens op bezoek gaan bij familie, tenminste als er iemand meeging ... We kwamen algauw tot de vaststelling dat 'ze' 'ons' toch vele dingen 'wijsgemaakt' hadden en ons van alles buiten proporties hadden opgedrongen met alle navenante frustaties of hilarische toestanden van dien.


Nuchter voor de communie
Als we naar de communie wilden gaan, mochten we van middernacht af, al niet meer gegeten of gedronken hebben. Als kinderen moesten we na onze eerste communie, de vrijdag en zeker de eerste vrijdag op aansporing van de Heilig Hartebond ter communie gaan. Op zo'n vrijdag kom ik 's ochtends naar beneden en sta daar hartverscheurend te bleiten. Zegt moeder: “Wat is 't er, jongen?” “Eh, wel ja, 'k wete 'k ik nie wuk da 'k nu moete doen!” “Hoe ge wet nie wuk da 'j moet doen?” “Eh, wel ja, 'k e mien speeksel ingeslikt en 'k moete te fête na de communie!” “Maar hoe is da nu meuglijk?” “'k wete da wok niet, 't is van zelve gegaan!” “Weet je wadde, gaat maar eerst e keer naar de biechte!” Die vrouw wist toen ook niet meer van welk hout pijlen maken.



De nobele kunst van het pipi-doen
Er hangt hier ook een foto met de zusters. Vijf zusters met vier leraressen. Ik herkende direct zuster Céline, die is me goed bijgebleven, een mollig wijveke. Ik zat toen in het kakschooltje, het kleinste klasje. Op de speelkoer speelden we nog samen, jongens en meisjes ondereen, dat mocht. In de klas echter zaten we duidelijk van elkaar gescheiden. In de toiletten was de scheiding nog drastischer. Daar hadden de meisjes elk een toiletje met een deurtje. Wij daarentegen stonden – als 't nodig was – in een hele reke in de piscine. We werden geleerd – en dat is echt waar – dat we met ons ogen naar het plafond, 'pipi' moesten doen. We stonden daar zo met ons kleintje in de hand beteuterd naar boven te gluren. Zuster Céline kwam meer dan eens nauwlettend toezien of alles wel volgens de regels van de kunst verliep. Ze had het goed in de gaten, van benden naar boven en vice versa. Na vier uur kom ik dan thuis en moeder vraagt “Oei, e' j were in de piscine gestaan?” “Mo, moeder, ja'k, maar hoe wete gie dadde?” “'k Ziet aan joen schoenen!”






Een propere bevalling
Een andere anecdote, gaat over de gang van zaken bij de bevalling van een kind. Het kind werd in afwezigheid van de moeder, rap, rap na de geboorte gedoopt terwijl zij nog in het kraambed lag. Zo was de toegang naar de hemel meteen geforceerd, mocht het bij de geboorte mislopen. De kindersterfte lag toen ook wel beduidend hoger dan nu. Kinderen die overleden voor dat ze gedoopt waren, moesten in ongewijde aarde begraven worden. Op het kerkhof was daar een speciaal hoekske voor voorzien. Zelfmoordenaars ondergingen hetzelfde trieste lot. Na de bevalling schreef de dokter de vrouw de nodige dagen rust voor. Bij wijze van spreken mochten ze enkel buiten komen om te was op te hangen. Als de vrouw dan een beetje weg kon, moest ze haar 'kerkgang' doen. Ze moest 'gereinigd' worden. Het was doorgaans een ritueel voor het Mariabeeld of -altaar waar door de priester over de vrouw (en haar kind), die in haar ene hand een kaars en in de andere hand een priesterstola geklemd hield, een gebed werd uitgesproken. Sommige vrouwen zagen het ook als boetedoening voor het aantal keren dat ze voor en na de bevalling niet in staat waren geweest om hun zondagsplicht te vervullen. In feite had dat alles te maken met de vieze bijsmaak die toendertijd kleefde aan alles wat met seksualiteit te maken had. Eenmaal gezuiverd kon de vrouw opnieuw ongegeneerd en opgelucht ter kerke gaan. Bij de man was het een heel ander verhaal. Die man had heel andere plichtplegingen van doen. Hij mocht een ganse dag lang de geboorte uitgebreid gaan vieren en het gaan uitleggen aan z'n maten op café. Naarmate het gerstenat rijkelijk vloeide en de traktaties elkaar opvolgden 'verzwaarde' het kind al gauw tot tot een kolos van wel zeven kilo.




Met het Tweede Vaticaanse Concilie was vooral 'het moeten' eraf. De mensen konden zich geleidelijk 'vrijer' gaan bewegen en als ze het al deden een eigen geweten gaan vormen. De betrokkenheid bij kerk en geloof verslapte zienderogen met een afnemende sociale controle en het kind werd ook vaak met het badwater weggespoeld. Als je de mensen vijftig jaar na het concilie vraagt wat het uiteindelijk verandert heeft, blijven de meesten steken in uiterlijkheden. Uiteraard geen woord over het principe van het 'algemeen priesterschap' of commentaren op invloedrijke documenten als 'Lumen Gentium' of 'Gaudium et Spes' …. Het gemak van de huidige kerkgangers is in ieder geval aanzienlijk vergroot: meer comfortabele zitstoelen, al of niet met kussens of leuningen, vast tapijt onder de koude voeten ... Ze werden op hun wenken bediend en in de watten gelegd. Maar ging het concilie wel daarover? Zoveel is er bij vroeger in de geloofsbeleving eigenlijk niet veranderd. Om de woorden van pastoor August Rabaey midden vorige eeuw te parafraseren: “Hoewel ze nooit meer kommen, zeggen ze nog altijd dat de messe te lange deurt, maar t' is under geloof dat nog even kort is als toen!”



Tot slot enkele markante feiten en data
Op de tentoonstelling 'Honderd jaar kerkgeschiedenis Beselare, de kerk in het midden' kon je ook volgen, binnen welke tijdspanne enkele opvallende veranderingen zich hebben voltrokken. Het gebeurde allemaal niet zomaar ineens of zonder slag of stoot.
Juni 1963: Gemeenschapsmis in de volkstaal, Nederlands i.p.v. Latijn.
Juni 1964: Het verdwijnen van persoonlijke standstoelen.
Mei 1965: Aankondiging vernieuwingen. Het altaar wordt het middelpunt van het kerkgebeuren, wegnemen van de communiebanken.
Augustus 1966: De aangekondigde werken vinden hun voltooiing en de priester gaat voor met z'n gezicht naar de mensen. Meteen volgt de vraag om wat meer vooraan te zitten. Nog altijd een vraag zonder duidelijk gevolg.
Juli 1967: Invoering van de zaterdagavondmis.
November 1969: De kerkstoelen verliezen hun knielfunctie, doen voorlopig dienst als 'lage'
oneigenlijke zitstoelen.
Juni 1972: Plechtige Communie en Vormsel gaan samen in één viering.
Januari 1977: Man en vrouw worden in de viering samen met hun kinderen herenigd. De mannen- en vrouwenkant wordt rijkelijk laat officieel afgeschaft. Nog altijd zie je echter meer vrouwen aan de vrouwenkant en mannen aan de mannenkant, de macht van de gewoonte.




DE PLAAGSTOOTJES VAN DRUKKER DELVOYE


In vroeger tijden – we hebben het hier over de eind zeventiger jaren – was de opmaak van het plaatselijke parochieblad technisch gezien nog een arbeidsintensieve klus. Pastoor Paul De Roo bezorgde zijn geschreven notities aan drukker Jozef Delvoye, die er dan met een arsenaal loden letters tegenaan ging. Minutieus zette hij letter naast letter tot de bladspiegel z'n definitieve vorm kreeg. Voor het logo, tekening werd een cliché gebruikt. Dan een proefdruk aanmaken en als die goed bevonden werd kon het drukken definitief beginnen. Een wekelijks terugkerende opdracht en dus een vaste bron van inkomsten, ware het niet dat het loon van de arbeider-aan-de-drukpers erg karig was. We kennen Jozef als een principiële, gelovige man met een tomeloze inzet maar ook voor hem waren er grenzen. Wie niet horen wil moet dan maar voelen. Maar hoe breng je zo'n heerschap dat aan het verstand. Jozef zat nooit om een grap verlegen. Velen herinneren zich zijn befaamde aprilgrappen waar nogal wat parochianen zich aan lieten vangen: de mosselpotten op de zulle en de gemeentelijke premie op het leegpompen van beerputten. Hier ging Jozef heel subtiel als een zetduiveltje te werk. Hij voegde schalks, bijna onopvallend hier en daar een zinnetje toe die de schraapzucht van de pastoor aan de kaak stelde.
Enkele voorbeelden
Over een omhaling: zeer warm aanbevolen. Verbrand u niet. N.a.v. O.L.Vrouw-Lichtmis: na de mis kan men lichtmiskaarsen meenemen naar huis. Prijs 10 fr. er stuk of 9 stuks voor 100 fr.. Aandacht, er zijn nog enkele weekendmissen vrij. Wie ze eerst aanvraagt, KRIJGT ze.
Op de lange duur ging het pastoor de keel uit en hij voegde op het einde van z'n wekelijkse tekst de wenk toe: “Gelief voortaan ALLEEN de tekst te drukken die opgegeven wordt. P. De Roo”. Zinnetje die Jozef dan ook onverkort, zonder verpinken publiceerde, wat niet de bedoeling was.
Of zijn verzet uiteindelijk iets uithaalde? Ik denk het niet!
Dat pastoor De Roo zich van geen kwaad bewust was en zichzelf zeer schappelijk vond, mag blijken uit volgende mededeling uit het Parochieblad:
“Op veel plaatsen heeft men reeds 5 fr. als kerkgave, mogen we vriendelijk verzoeken dat iedereen boven de 12 jaar, zijn 2 fr. stoelgeld zou betalen. Dank!”
Bij deze herhalen we graag deze oproep, er wel op wijzend dat de kerkgave momenteel veertig jaar later 20 eurocent of 8 fr. bedraagt. Dank!


Beeldverslag