
Kerstmis
1914. Franse soldaten verbroederen met Duitse collega’s in het
Polygonebos. Op deze historische locatie, nagenoeg 100 jaar na datum
werd dit moment van hoop in herinnering gebracht met ingetogen zang
(Jim Boyes) , doedelzakmuziek (Koen Raeymaekers) en woord (Marc
Dejonckheere).
Op
Kerstmis 1914, vandaag 98 jaar geleden, lag het Württembergse
Reserve-Infanterie-Regiment 246 aan het ‘Polygonwald’ in de
richting van de Reutel. De Duitse infanteristen lagen er ingegraven
tegenover Franse soldaten, soms op een afstand van slechts een 20-tal
meter. Op deze plaats hadden de Fransen de Britten midden november
1914 afgelost. Terwijl ze hun loopgraven en versterkingen uitbouwden
en de wateroverlast meester probeerden te worden, heerste er een
relatieve kalmte, die de Fransen tot toenaderingspogingen aanzette,
evenwel zonder concrete resultaten. De Franse soldaten hadden de
merkwaardige gewoonte om iedere avond hun geweren in het wilde weg
leeg te schieten,
zonder ook maar enige schade aan te richten. De Duitsers noemden dit
vreemde fenomeen aan het Polygoonbos de ‘Avondzegen’. Bovendien
schoten de Fransen de hele nacht lang zonder enig doel massa’s
lichtkogels af, waardoor het landschap in het licht baadde.
Op
Kerstavond 1914 lag het tweede bataljon van het
246ste
Reserve-Infanterie-Regiment in de eerste linie aan het Polygoonbos.
Het eerste bataljon lag gereed in Beselare, het derde in reserve in
Dadizele. Elk van de 3 bataljons maakte zich klaar om zo goed en zo
kwaad als het ging Kerstmis te vieren. De Württembergers in de
loopgraaf versierden twee kerstboompjes met kaarsen die ze pas uit
Duitsland ontvangen hadden en plaatsten ze bij het invallen van de
duisternis omstreeks 4 uur op de borstwering van hun loopgraaf. Ze
wachtten gespannen af of de Fransen hen niet zouden overladen met een
nieuwe Avondzegen. Er gebeurde echter niets. Er werd geen schot
gelost. Het werd onwezenlijk stil tussen de linies. De Duitsers
bleven wel op hun hoede wachten met het geweer in aanslag, omdat ze
een Franse aanval vreesden die hun kerststemming alsnog zou
verpesten. En toen gebeurde het. In de Franse loopgraaf weerklonk
plots een feestelijk gezang. Een prachtige tenorstem vertolkte een
Kerstlied. De Duitsers luisterden ingespannen in de stille nacht. “Is
het een fata morgana?” vroegen ze zich af. “Willen ze ons
misschien in slaap wiegen? Of is het uiteindelijk dan toch de
overwinning van de goddelijke liefde boven alle menselijke strijd?”
Ze bleven op post, maar hun gedachten en hun hart gingen uit naar hun
geliefden, vrouw en kind, ouders, broers en zussen die thuis het kerstfeest vierden rond de verlichte kerstboom.
Tussen
de heilige Kerstnacht van 1914, het Feest van de Vrede en de Vreugde,
en Nieuwjaar 1915 legden de strijdende partijen aan het westelijke
front op tal van plaatsen de wapens neer, om ook effectief samen te
komen in Niemandsland. Deze zogenaamde ‘kerstbestanden’ werden
niet alleen ingegeven door de sfeer van het seizoen en het eindejaar,
maar ook door de nabijheid van de vijandelijke troepen in de
loopgraven, een gevoel van verbondenheid door dezelfde extreme
condities, nieuwsgierigheid naar de andere kant en het besef dat er
niet meteen een doorbraak zou komen. Het intreden van de vorst op
Kerstavond maakte het modderige terrein bovendien tijdelijk weer
begaanbaar, waardoor toenadering ook mogelijk werd. In de geest van
Kerstmis lasten de soldaten zelf een adempauze in, waarvan ze gebruik
maakten om hun doden te begraven, hoewel ze er geen ogenblik aan
twijfelden dat ze verder zouden vechten. Het spontane
staakt-het-vuren vond plaats in de 5de maand van een oorlog die 52
maanden zou duren. Naarmate de oorlog vorderde, steeds meer soldaten
sneuvelden en gruwel en wreedheid zich opstapelden, ging elke vorm
van menselijkheid verloren. Het Kerstbestand van 1914 kwam steeds
verder af te liggen. Het leek steeds ongeloofwaardiger dat vijanden
elkaar de hand hadden geschud en cadeautjes uitgewisseld hadden in
Niemandsland. Van zij die er écht bij waren, bleef elk detail
evenwel in hun geheugen gegrift. De ster was heel even stil blijven
staan en had het licht van de vrede in hun harten laten schijnen.
POLYGONWALD,
24 december 1914
De
kranke stammen van dit woud
schoren
de dag niet langer.
Door
het gebinte van de bomen
raast
tomeloos de wind.
Hier
rest alleen nog kreupel hout.
Wintersterren
glimmen, ver en oud.
Tot
strijd bereid staan wij,
voor
God en Vaderland.
De
vijand wacht, van ons
gescheiden
door één schot.
Wij
kneedden woorden uit de modder,
zongen
schroot in onze keel,
schreven
met bloed op vreemde grond.
Hoor!
In
deze stille nacht, op dit plechtig uur
weergalmt
een vurige stem:
Minuit,
Chrétiens, c’est l’heure
solennelle
…
Looft
nu Zijn naam
tezamen
met de engelen,
buig
het hoofd voor de Verlosser,
kniel
neer, voor Hem.
Een
wind siddert langs de kale bomen.
Op
deze mestvaalt bloeien weerom rozen,
onder
een stolp van suikergoed en hoop,
van
bladgoud en narcose.
Marc
Dejonckheere

