Pagina's

donderdag 21 februari 2013

Van Franschmans, trimards, Godverdommes en bietenmannen


Op woensdagnamiddag 20 februari organiseerde OKRA Zonnebeke onder ruime belangstelling een zeer boeiende voordracht door Marcel Lammers over het harde leven van de seizoensarbeiders in Frankrijk. Zijn relaas was levendig gekruid met herinneringen uit zijn jeugd. Veel mensen weten nog hoe mannen en vrouwen – bij gebrek aan werk in eigen streek – tweemaal per jaar naar de Franse bietenvelden trokken om er lucratieve maar vooral zware arbeid te verrichten. Anderen gingen er aan de slag in de asten, de suikerfabrieken en in het vlas. Aansluitend werd de documentaire film 'Les godverdommes sont là' vertoond. Niet alleen een hommage aan het noeste werkvolk maar ook aan de mensen die hun lot ter harte namen. We denken daarbij vooral aan Edmond Denys (Pasterke Denys), Joris De Jager (Pastertje De Jager) en vakbondsman Leon Bruggeman. Dit is het verhaal.

Door de opkomst van de industriële revolutie ontstond er vanaf de tweede helft van de 19de eeuw grote werkloosheid in Europa. In Wallonië en steden als Antwerpen en Gent was er nog redelijke welvaart, maar in de landelijke gebieden in Vlaanderen heerste bittere armoede. Op zoek naar een toekomst zochten velen een uitweg en emigreerden naar de Nieuwe Wereld. Het is onder diezelfde druk dat anderen hun heil zochten in Wallonië en Noord-Frankrijk. De meesten kwamen uit West-Vlaanderen, de Scheldestreek in Oost-Vlaanderen, het Hageland en de Zuiderkempen. De West- en Oost-Vlaamse arbeiders trokken vooral naar Frankrijk als seizoensarbeider. De Hagelanders en de Kempenaars trokken ook naar Wallonië om te werken in de steenkoolmijnen of de zware metaalindustrie. Men raamt het aantal West-Vlaamse seizoenarbeiders rond het jaar 1900 op circa 15.000, daarnaast mag je zeker evenveel Oost-Vlamingen rekenen. We weten dat priester Daens in 1898 pogingen deed om de verkiezingen te verplaatsen omdat veel arbeiders anders niet zouden kunnen stemmen. Hij schatte dat in zijn arrondissement Aalst circa 8.000 seizoenarbeiders die zomer niet thuis zouden zijn. 

Een Franse bijnaam voor de Vlaamse arbeiders was 'Les Godverdommes'. In eigen streek werden de Vlaamse seizoensarbeiders al gauw 'De Franschmans' genoemd. Ze deden de 'campagnes': eerst het zetten en hakken van de bieten, dan het slijten van vlas, het oogsten van graan, het rooien van bieten, sommigen deden tussendoor nog de druivenpluk in de Loirestreek. Na de buitenarbeid volgde in het najaar veelal een campagne in de industrieën: in de suikerfabrieken, steenbakkerijen, in de vlasnijverheid of het harde labeur in de cichorei-asten. Zij werden geëerd boven de arbeiders uit andere landen, omwille van hun ontembare werkkracht en hun vakmanschap.

Vanaf 1930 begon het verschijnsel langzaam af te nemen omdat het financieel minder de moeite loonde om nog het seizoen te doen. Sommigen bleven het doen als een soort traditie. Het was vaak zwaar werken en men was meestal verre van luxueus gehuisvest, maar er was vaak de ambiance van vriendschap, solidariteit en een zekere vrijheid. Om het werk vlot te laten verlopen was een goede verstandhouding in de groep onontbeerlijk. Onderlinge wedijver of ruzie kon de samenhorigheid danig verpesten. Het slachtoffer hiervan was meestal de jongste of de zwakste in de groep. Veel van die groepjes waren familie en vrienden ondereen en bouwden in al die jaren een ruime verzameling 'sterke verhalen' op. 



Men sprak ook van 'trimards'. Deze uitdrukking kwam in gebruik door een gelijknamig boek van Warden Oom (pseudoniem van Edward Vermeulen). Andere bekende werken uit de Vlaamse literatuur zijn o.m. 'Leven en dood in den Ast' van Stijn Streuvels en 'Suiker' van Hugo Claus. Vaak waren deze mannen maanden van huis weg. Oorspronkelijk had het woord 'trimard' een negatieve betekenis. Trimards waren zwervers of Franschmans die waren blijven hangen en vaak vele jaren niet terugkeerden naar hun officiële woonplaats in België. Ze leefden soms in gezelschap van een onwettige vrouw. Kort voor de eerste wereldoorlog schatte men hun aantal op zo'n 500 personen. Bekeken vanonder de Vlaamse kerktorens waren het natuurlijk jammerlijk verloren schapen. Het was misschien juist de verstikkende sociale controle of het miserabele bestaan thuis, die deze trimards ervan weerhielden om terug te keren, eenmaal ze geproefd hadden van de Franse levensstijl. In de Westhoek heeft het woord trimard nu nog de betekenis van veelreiziger, zwerver of vagebond.

Ook de naam 'bietenmannen' werd gebruikt aangezien de meesten bieten gingen zetten, kappen of rooien bij de Franse boeren, en daarna in de suikerfabrieken gingen werken. De streek tussen Compiègne en Rijsel kennen we van de wielerwedstrijd Parijs-Roubaix en telt nu nog talrijke suikerfabrieken. De bietenoogst, dat is de herfst: mist en regen, koude wind, slijk, modder en korte dagen. Het is in die omstandigheden dat de bietenmannen moesten werken.

Typisch voor de seizoenarbeid in de suikerfabriek was het hechte ploegverband. Met groepen van 30 tot 40 man trokken ze per trein naar de fabriek onder leiding van de ploegbaas. Deze was ongetwijfeld de belangrijkste figuur en genoot groot aanzien, zowel bij de arbeiders als bij de fabrieksdirecteur. Hij was meestal ouder, kon overweg met het Frans en stond dikwijls in voor de administratie. Meestal werkte hij net als de anderen, soms hield hij vooral een oogje in het zeil. Bijna altijd was de groep vergezeld van een vrouw die instond voor het eten en het eventueel schoonmaken van de verblijfplaats. Veel hadden ze niet mee: enkele reservekleren, wat ondergoed, en veelal wat voedsel, een homp spek, vet om op de boterham te smeren. Alles in de zo typische tweezak, 'bazatse' of  'balluchon'.

De suikerfabriek startte met de komst van de seizoensarbeiders rond 1 oktober en bleef draaien tot vlak voor kerstmis. Treinen en tractoren voerden duizenden tonnen bieten aan die nog vol slijk hingen. De bietenlossers werden betaald per geloste ton bieten. Sommigen konden wel tot 65 ton per dag verzetten. Bieten werden in 'caniveaux' gelost, brede diepe kanalen waar water op de bodem stroomde om de bieten te transporteren naar de wasmolens. Met hogedrukspuiten werd de toevoer van de bieten nog versneld. 




De arbeiders verbleven meestal in slaapbarakken op het terrein van de suikerfabriek. Barakken waren opgedeeld in slaap – en eetzaal. Voor het opruimen van de barak stonden de arbeiders zelf in, en hadden ze geen vrouw mee, dan gebeurde dit werkje gewoonlijk niet. En zoals overal golden hier dezelfde gebreken: slechte verlichting, beperkte verwarming en de naar de keel grijpende geur van zoveel ongewassen lichamen, geen verluchting en het immer aanwezige lawaai van treinen, vrachtwagens, machines en sirenes verhinderde een goede rust. Aardappelen met spek, spek met aardappelen, brood, aardappelen met melksaus of ajuinsaus, dat was zowat de menukaart. Maar het enige wat telde was geld verdienen. Thuis waren ze ook geen fijne maaltijden gewend. Ze waren niet gekomen om in luxe te leven, maar om snel veel geld te verdienen. 

De suikerfabriek bleef 24 uur op 24, 7 dagen op 7 draaien. Zoals alle seizoenarbeiders wilden de bietenmannen op zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk verdienen. Ze waren bereid vele uren te kloppen. In Frankrijk gold meestal een dag- en nachtsysteem: twaalf uren werken en twaalf uren rust. Soms nam men al eens een shift van een ploegmaat over, dubbele uren dus. Behalve de bietenlossers werden ze per uur betaald, en naargelang de scholingsgraad. In de teelt zelf werden ze per hectare vergoed. De Vlamingen deden meestal ongeschoold werk, meestal het zwaarste en vuilste. Als toevoeging op het loon kregen de arbeiders ook een zak suiker mee van 10 of 20 kg. 

Vanaf de jaren 60 werden de teelt en de fabrieken steeds meer gemechaniseerd: lossen van wagons gebeurde met kranen, steevast werd handenarbeid door machines vervangen. Om zijn mensen toch een voldoende aantal uren werk te kunnen geven nam de ploegbaas een steeds kleinere groep arbeiders mee. Halfweg de jaren 60 is het fenomeen dan volledig verdwenen. 

donderdag 14 februari 2013

Van Ter Kerst naar Aswoensdag



Op aswoensdagnamiddag 13 februari trotseerden de Passendaalse vormelingen de kou en trokken ze met meester Wim achter het stuur van het gemeentebusje naar Hoeve Ter Kerst in het Instituut Dominiek Savio te Gits. Deze prachtig gerenoveerde boerderij staat open voor iedereen, voor jong en oud, voor mensen met en zonder beperking. Het is een plaats waar mensen samenkomen, plezier maken en elkaar leren kennen op een ongedwongen manier. Op en rond is het heerlijk vertoeven, in een oase van rust, maar toch bruist het er van gezelligheid. Hoeve Ter Kerst is in feite een sociaal tewerkstellingsproject vanuit het Dienstencentrum GID(t)S, Mariasteen vzw. Er is het hoevecafé, een kinderboerderij en een bezoekerscentrum. Daar kan je o.m. terecht voor verse seizoensproducten, een eigen productenlijn met patées, smout, een eigen Teugelbier, confituren, thees, enz. ... Er is ook een woonhuis op de hoeve, geheel aangepast aan de noden van de vier personen met handicap die er vertoeven. Zij wonen er onder begeleiding. Er is tevens een hippotherapeutisch centrum aan verbonden. Het directe contact met paarden heeft een heilzame werking. De warmte en de zachte bewegingen van het paard versoepelen de vaak stramme spieren. Dit vergemakkelijkt de kinesitherapie die erop volgt. Een klas-/vergaderlokaal en een atelierruimte vervolledigen de multifunctionele infrastructuur.

Bedoeling van het Instituut is niet om mensen met beperkingen op fysiek vlak in een soort getto te isoleren. Integendeel het is eerder een 'passage' waar mensen opnieuw weerbaar worden gemaakt om er zich opnieuw mentaal, fysisch als praktisch te integreren in de samenleving. Dat vraagt niet alleen een inspanning van de gehandicapte zelf maar nog meer van de maatschappij die standaard gericht is op het zogenaamde normale. Mits heel wat ingenieuze aanpassingen van voorzieningen en materialen kunnen deze mensen zich relatief zelfstandig beredderen. Wist je trouwens dat hoe langer hoe minder kinderen met een handicap geboren worden. Ongelukken thuis of op het werk en verkeersongevallen zijn nu hoofdoorzaak geworden. Het leven van mensen die tot voor kort gezwind door het leven gingen, wordt daardoor ineens helemaal overhoop gehaald en getekend. Een ongeluk is gauw gebeurd. Daarom is bijvoorbeeld het dragen van een fietshelm of een fluovestje van levensbelang. Van zo'n details kan de kwaliteit van je leven namelijk afhangen.


Onze gastvrouw Mia was daar wel een heel kwieke getuige van. Zelf gedeeltelijk aan de rug verlamd, als gevolg van een accident, bewoog ze met sprekend gemak in haar hippe rolstoel en op krukken. Het is niet omdat het eens grondig fout loopt dat je niet meer achter je dromen mag aanhollen. Dat illustreerde ze ons ook met een kortfilm van een bijna geheel verlamde jongeman die zich moedig en succesvol aan een duo-parachutesprong waagde.

Met de vormelingen mochten we daarna op de binnenkant van Sint-Jacobsschelpen een wens schrijven en die dan voorzien van een wiekje, toegegoten met kaarsevet. De schelpen worden op vele plaatsen gebruikt om te dopen. Het doopsel en het vormsel zijn als het ware twee helften van eenzelfde sacrament. Tijdens de vormselviering zullen deze kaarsen ontstoken worden en zal pas op het einde van de viering duidelijk worden wat we elkaar hebben toegewenst.



Mia loodste ons verder door het domein en daar konden we ook ruim kennismaken met enkele bewoners. Dat gebeurde aan de hand van een ganzenbordspel en zo kwamen we heel wat over hen te weten. Zo was er Jan die ons meteen voornaam de hand reikte en begroette. Op 15 februari vierde hij z'n 61-ste verjaardag, veruit het leukste feest van het jaar. Hij groeide op in Blankenberge. Hij is een onvoorwaardelijke fan van Clouseau. Hij kickt op 'rood' maar aan sporten heeft hij een broertje dood, kijkt liever naar 'Familie' en 'Aspe' maar ook naar de eucharistieviering op tv. Zijn teddybeer 'Freddy' kan hij onder geen beding missen en hij koestert nog liefdevol de foto van zijn mama. Aan muggen heeft hij een hartsgrondige hekel.



Achter het kasteel, nabij de vijver bezoeken we ten slotte een memoriaal, opgericht voor overleden bewoners. De mensen worden niet ter plaatse begraven, maar toch wordt daar hun gedachtenis levend gehouden. Iedereen beseft dat het verdriet om het afsterven van een geliefd iemand niet zomaar over is na de begrafenis zelf. Daarom wordt bij het overlijden meteen de naam van de bewoner in een grote kei gegraveerd en krijgt die een ereplaats in de leefgroep. Wanneer de tijd rijp is wordt de steen dan ceremonieel bijgezet op het memoriaal. We betraden deze plaats dan ook met de nodige piëteit. Onder een monumentale Griekse letter Omega die symbool staat voor de eeuwigheid, welt een bron van leven op waarachter die stenen voortdurend bevloeid en bijgelegd worden. Het water vloeit wat verderop in een grote vijver.

Eenmaal thuis gekomen, trakteerden catechisten Jan en Els op een glas ... water. Toen werd pas goed duidelijk dat de veertigdagentijd onherroepelijk was ingetreden. Op de aswoensdagviering die volgde in de kerk stelde diaken Lode dat vasten verre van gelijkstaat aan jezelf uithongeren. Maar wat is vasten dan wel? En wat is de betekenis van Aswoensdag?
Het askruisje heeft een dubbele betekenis: het herinnert ons vooreerst aan onze eindigheid. We zijn als mens niets meer dan stof en as. En verder is as in het Oude Testament ook een reinigend symbool. Zondaars bijvoorbeeld moesten zich toen zelf besprenkelen met as van verbrande offerdieren. Aswoensdag is dan weer later gegroeid uit de solidariteit met de zondaars. Die kregen een zware boetedoening opgelegd, en uit solidariteit trok de hele gemeenschap een boetekleed aan en strooide ieder zich wat as op het hoofd. In het evangelie spreekt Jezus over gerechtigheid, liefdadigheid en bidden. Daar draait het allemaal om. Niet om spektakel, wel om echtheid. “Doe het in het verborgene”, zegt Jezus, “en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Moge dat ook onze vasten zijn: een besef van onze eindigheid, een terugkeer naar onszelf en naar God, een tijd van versobering, van bidden en bezinning, en van gerechtigheid en solidariteit voor wie het minder gaat.

Decanale startavond

Broederlijk Delen


De voorbije weken berichtten we hier al uitvoerig over de nieuwe campagne van Broederlijk Delen. Op maandag 11 februari om 19.30 u. werd de actie decanaal op gang getrokken in het Auditorium van het Technisch Instituut H. Familie in Ieper. We kregen een persoonlijke getuigenis van Silke Beirens die een tijdje verbleef in Noord-Oeganda en een terugblik door zuster Lieve Desodt op de voorbije campagne samen met enkele voorbeelden van activiteiten die inspirerend kunnen zijn voor 2013.



Met het aperitiefconcert in het verschiet zong Jozef Delanote de lof van het Sint-Audomaruskoor van Passendale als lichtend voorbeeld. Er was een opgemerkte delegatie uit het kleine Zandvoorde die met veel karakter de bakens blijft verzetten. Priester Mathias Parret die de honneurs voor deken Roland Hemeryck waarnam kon in z'n woordje van dank en aanmoediging niet om het terugtreden van Paus Benedictus heen en maakte ons in het kort vertrouwd met diens visie op de vastentijd: 


“Het christelijk geloof en de aandrang om goed te doen zijn innig verbonden en kunnen nooit met mekaar in conflict zijn!” 



Achteraf werd nog een drankje en een typische Afrikaans hapje aangeboden. Eerder een flinke hap want onze honger was meteen de wereld uit.

vrijdag 8 februari 2013

Broederlijk delen

We kunnen de honger stoppen!

De overvloed aan kookprogramma's op TV en de massale verkoop van kookboeken laten ons zien hoe belangrijk wij ons voedsel vinden. Maar de grote aandacht die onze dagelijkse kost zo krijgt, versluiert wel dat 1 op 7 mensen op aarde met honger leven. Soms worden onze ogen geopend wanneer rampen en acute hongersnoden toeslaan. Dan staan media paraat met verschrikkelijke beelden en focust men op voedselhulp, jammer genoeg vaak de enige manier om het aantal slachtoffers te beperken. 

Broederlijk Delen vindt dat voorkomen beter is dan genezen.

Samen met haar partners in het Zuiden strijdt de organisatie tegen honger op lange termijn. Ook in Noord-Oeganda gaat dat zo. Molly Ebang is een 32-jarige weduwe en moeder van zes kinderen die het voedsel voor haar gezin en haar inkomen uit haar eigen landbouwactiviteiten moet halen. Haar man sneuvelde in de twintig jaar durende burgeroorlog waarin Joseph Kony en zijn 'Verzetsleger van de Heer' met de inzet van duizenden kindsoldaten dood en vernieling zaaiden. De hele streek werd verwoest, mensen moesten vluchten. Pas in 2006 kwam er vrede en konden de mensen terug naar hun verwaarloosde velden. Molly staat tijdens de komende Broederlijk Delen Campagne symbool voor de vele boerenfamilies die er de handen uit de mouwen steken om hun akkers opnieuw vruchtbaar te maken en zo de honger te bestrijden. Geen gemakkelijke zaak. Want honger blijft om zich heen grijpen, paradoxaal genoeg vooral op het platteland. Hoe komt dat en bestaat er een oplossing?

Waarom hebben mensen honger?

Wie honger zegt, denkt al snel aan een gebrek aan voedsel. Het lijkt logisch dat een grotere voedselproductie dan voor de hand ligt. Daar kan en moet op ingezet worden maar de aarde brengt nu eigenlijk al voldoende voedsel voort voor de hele wereldbevolking. En toch zijn er nog miljoenen mensen met honger. Schort er dan iets aan ons systeem van landbouw of voedselproductie?


In 1974, op de Wereldvoedselconferentie in Rome, werd al duidelijk gesteld dat de oorzaken van voedselonzekerheid niet liggen in een tekort aan voedsel in de wereld maar dat honger een structureel probleem is dat voortkomt uit armoede en te maken heeft met het feit dat de meest arme mensen in ontwikkelingslanden op het platteland wonen.

In Oeganda gaat bijvoorbeeld maar 4 procent van Bruto Nationaal Product naar landbouw hoewel 80 procent van de bevolking van de landbouw leeft. Ook in veel andere landen is er onvoldoende ondersteuning van de landbouw en van de ontwikkeling op het platteland. Deels is dit een gevolg van een bewust beleid in de voorbije dertig jaar. Onder druk van internationale instellingen als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds waren landen genoodzaakt om vooral exportgewassen te kweken (koffie, thee, katoen,...). Zo konden ze meer inkomsten verwerven waarmee zij dan hun schulden konden afbetalen. Daardoor werd de (familiale) voedsellandbouw min of meer verwaarloosd. Boeren werden overlevers of dagloners bij de grote landbouwbedrijven. In veel gevallen moest de overheid ook overgaan tot de import van voedsel. Het was ook belangrijk om voldoende goedkoop voedsel te voorzien voor de stedelijke bevolking. Daar vreesde men meer onrust als er voedseltekort dreigde of als voedsel te duur werd. De prioriteit lag dus zelden bij de ontwikkeling van een gezonde plattelandseconomie.

De laatste jaren is er bij veel beleidsmakers meer aandacht voor voedsellandbouw, plattelandsontwikkeling en de plaats van kleine boeren daarin. Ook de Wereldbank erkende in 2008 het belang van kleinschalige landbouw als een weg om uit armoede te geraken. Maar ondertussen staken andere bekommernissen de kop op. Oorlogen, conflicten en een groeiende bevolkingsdruk kunnen voedselonzekerheid uitlokken of bestendigen. Maar ook klimaatverandering, stijgende voedselprijzen, de ontwikkeling van biobrandstoffen en landroof in het Zuiden maken dat voedselonzekerheid heel acuut blijft.

Landroof is een tamelijk recente praktijk waarbij grote bedrijven of landen grote stukken land in andere landen voor lange tijd huren ('leasen'). Die gronden willen zij gebruiken voor de voedselproductie voor hun eigen bevolking. Landbouwgrond wordt dan een langetermijn belegging. Op verschillende plaatsen werden mensen al met geweld van hun grond verjaagd om plaats te maken voor buitenlandse investeerders.


Oplossingen

Er zijn dikwijls grootse plannen gemaakt en goede bedoelingen geuit als het gaat over landbouwontwikkeling in het Zuiden. Grootschalige landbouw en hogere industriële productie worden nog altijd opgevoerd als dé oplossing om honger aan te pakken. Dit is echter een aanpak die nog meer problemen met zich meebrengt: watervervuiling en -schaarste, klimaatverandering, het afbrokkelen van biodiversiteit, de dalende vruchtbaarheid van de grond en ontbossing. 
En de massa armen op het platteland worden                   er ook niet onmiddellijk beter van.

Een productieverhoging is zeker nodig, vooral in Afrika. Maar een degelijk beleid rond voedselzekerheid kan niet zonder de inbreng van de grote groep kleine landbouwers. Door de juiste investeringen en het juiste beleid kan hun 'familiale landbouw' er sterk op vooruit gaan. Ze gaan meer produceren, er is meer voedsel voor hun families en ze kunnen verkopen op de markt. Hun voedselzekerheid neemt toe. 'Investeren in landbouwers' is minstens even belangrijk als 'investeren in de landbouw'. Goed gevormde en goed georganiseerde landbouwers en hun gezinnen zijn een garantie voor de toekomst, een zekerheid voor een duurzame ontwikkeling van een plattelandseconomie, een kans om de honger te stoppen.

De beste manier om dit mogelijk te maken, is de keuze voor agro-ecologie.
Deze aanpak gaat er van uit dat bij de landbouwproductie ecologische en sociale grenzen moeten gerespecteerd worden. In de plaats van de opbrengst van één soort plant te verhogen, wil deze methode het hele landbouwsysteem verbeteren: meer produceren én tegelijk de natuurlijke hulpbronnen beschermen. Via agro-ecologie is het mogelijk om de productie in bepaalde gebieden in 10 jaar tijd te verdubbelen. De negatieve gevolgen van grootschalige landbouw worden vermeden en miljoenen kleinschalige boeren kunnen vlot meestappen in dit systeem. Dit gaat natuurlijk niet vanzelf: enerzijds moeten lokale overheden, internationale organisaties en de internationale politiek investeren in zo'n landbouwmodel, en anderzijds moeten de lokale en regionale markten de tijd en ruimte krijgen om te groeien. Dit zal beter lukken als boeren zich verenigen in sterke organisaties die hun belangen kunnen verdedigen.

Dit is ook de manier waarop heel wat boeren en boerinnen in Oeganda aan de slag gaan, met soms niet meer dan hun eigen handen en hun hak om het land te bewerken maar ondersteund door krachtige boerenorganisaties. Heel wat groepen organiseren een eigen spaar- en kredietsysteem. Boeren kunnen ook kennismaken met nieuwe en duurzame productiemethodes, zij krijgen toegang tot zaaigoed van goede kwaliteit, gebruiken opnieuw ossen om het land te bewerken. Door de oogst beter te bewaren, gaat er minder voedsel verloren en door samen te verkopen, kunnen boeren een betere prijs bedingen voor grotere volumes. Kippen en geitjes kweken zorgt voor extra inkomsten en meer eiwitrijke voeding in het gezin. Om bij een mislukte oogst toch nog wat reserve te hebben, is er de kans om een beroep aan te leren. Jongeren leren fietsen herstellen, alleenstaande moeders maken samen schooluniformen.

Broederlijk Delen ondersteunt zes partnerorganisaties in de streek van Lango in Noord-Oeganda. Zij werken nauw samen en bereiken zo 13.000 gezinnen. Elke groep heeft zijn eigen specialisatie. Door samen te werken worden nieuwe technieken doorgegeven en ervaringen gedeeld.

vrijdag 1 februari 2013

Muziek in de passietijd


image


image

Een Goede Week vol Ontroering

De hartverscheurende aria’s uit de Mattheus- of Johannespassie van Bach zijn elke muziekliefhebber bekend, maar het gamma aan passiemuziek is veel ruimer. Al sinds de 5de eeuw zingt men tijdens de Goede Week de lijdensverhalen uit de Bijbel. De uitvoering maakte dan ook een enorme evolutie door: van eenstemmige gezangen naar rolverdelingen over verschillende zangers en koren. Het hoogtepunt van het genre zijn de oratoriumpassies van Bach en Telemann, met schitterende zangpartijen en een grote inbreng van de hoofdrolspelers en het orkest. Maar ook na de 17de eeuw bleef het genre evolueren.
In het kader van DAVIDSFONDS UNIVERSITEIT VRIJE TIJD
deelt Jef Anaf met u zijn liefde en kennis van passies en geeft u een helder muziekhistorisch overzicht. Jef Anaf, musicus, muziekpedagoog, musicoloog, is als docent muziekgeschiedenis en scriptiecoördinator werkzaam aan het Lemmensinstituut te Leuven. Hij is organist, koordirigent en los medewerker bij Klara. Hij geeft lezingen en schrijft regelmatig bijdragen voor vaktijdschriften over componisten en andere muzikale onderwerpen.
Maandag 4, 11 en 18 maart 2013 van 19.30 u. tot 22.00 u.

Facultatief concert op vrijdag 22 maart 2013 om 20.00 u. in Sint-Pauluskerk Langemark
CC Het Perron, Fochlaan 1, 8900 Ieper (naast het station)
Gratis parkeren op NMBS-goederenstation op 300 meter van Het Perron
Prijs cursus zonder concert: 52 euro (46 euro met Davidsfonds Cultuurkaart)
Prijs cursus mét concert: 66 euro (63 euro met Davidsfonds Cultuurkaart)
Inlichtingen op 057 20 44 20 (Joël Decorte) en inschrijven op 016 310 670

Extra: Facultatief concert
Bachs Johannespassie, gebracht door Ensemble BachPlus
o.l.v. Bart Naessens
op vrijdag 22 maart 2013 om 20.00 u. in de Sint-Pauluskerk in Langemark
Alle info ook op www.davidsfonds.be of www.ieper.davidsfonds.be

Broederlijk Delen

Verbeter de wereld begin in je bord!

Op de diocesane startavond van de Vasten in Centrum Groenhove te Torhout werd een stevige link gelegd tussen ons leefpatroon en ecologie of hoe wij met z'n allen op termijn heus niet beter worden van steeds maar meer consumeren. Op het eerste zicht voert Broederlijk Delen (BD) in 2013 klassiek campagne rond honger en voedselzekerheid in het lang door conflicten geteisterde Noord-Oeganda. Maar de organisatie daagt ons tezelfdertijd uit om onze eigen omgang met voedsel kritisch onder de loep te nemen. Mee de strijd aangaan tegen de honger in het Zuiden betekent immers ook in eigen bord kijken. Hoe rijmen we dat tesaam? Bart Devos van BD legt het ons uit.

Voedselzekerheid betekent dat je op elk moment toegang hebt tot voldoende veilig en voedzaam voedsel dat voldoet aan je behoeften en voorkeuren. Je kan zelf voedsel produceren en/of het kopen. Je kan er actief en gezond door leven. Gemiddeld heb je daar minimaal 1.800 kCal per dag voor nodig. De gemiddelde Belg eet dagelijks tot 3.500 kCal. Wie geen voedselzekerheid heeft, heeft honger. BD wil dat de landbouw in Noord-Oeganda evolueert naar een duurzame, volwaardige voedselproductie. Daar worden de Oegandezen ook economisch beter van. Dit is de beste manier om de armoede terug te dringen en de beste garantie tegen de honger. Maar niet alleen de Oegandezen kennen voedselonzekerheid. Eén op zeven van de wereldbevolking heeft er mee te maken.

Gelovigen zeggen al snel dat God liefde is. Maar volgens de Bijbelse traditie is God evenzeer gerechtigheid. Dit is wat christelijke spiritualiteit echt betekent: zich laten raken door de slachtoffers van onrecht en vanuit deze geraaktheid zelf gerechtigheid waarmaken. In een wereld die voldoende voedsel kan produceren, is honger een hemeltergend onrecht. Hij tast mensen aan in hun waardigheid en ontneemt hen alle levenskansen. De Bijbelse visie van ‘God is gerechtigheid’ roept ons op om mee te strijden tegen de honger, maar ook om na te denken over onze eigen omgang met voedsel. De vastentijd, een tijd van herbronning, is voor ons christenen de uitgelezen periode om dat actiever te gaan doen.

De Foodtest
Neem je eigen voedingsgewoonten onder de loep. Ook door zelf op een duurzame manier met voeding om te gaan, steun je de strijd tegen de honger. Vanaf nu kan je heel concreet de ‘foodtest’ op www.broederlijkdelen.be/foodtest en leer hoe jij vanuit jouw keuken een impact hebt op het leven van de mensen in Oeganda. De laatste jaren hebben hier onder de bevolking zich een viertal voedingspatronen ingeburgerd. We benoemen ze als die van 'de hapklare brok', die van 'de exotische stoot', die van 'de gast met goesting' en die van 'het lekkere lokale ding'.
Bij de 'hapklare brok' zijn een belegd broodje of een kant-en-klaarmaaltijd dagelijkse kost. De 'exotische stoot' vindt worst met appelmoes en aardappelen oersaai! Hij gaat op z’n minst voor een pittige tajine of een oosters wokgerechtje. 'Het lekkere lokale ding' is iemand met pit die zich graag inzet voor anderen. Geen inspanning is hem te veel, zolang iedereen er maar beter van wordt. Wat betreft eten probeert hij zo veel mogelijk te kiezen voor lokale en seizoensgebonden producten. Een eigen moestuin, hij gaat ervoor want ‘duurzaam’ is z'n motto want dat maakt wel degelijk een verschil. Als iedereen zo dacht en handelde zou de wereld er heel anders uitzien. Helaas, zover zijn we nog niet … want veel lezers zullen zich ongetwijfeld eerder herkennen in de 'gast met goesting'. Met volle teugen genieten van het leven, daar ben ook jij een krak in. Uitgaan met vrienden is heilig voor jou. En daar hoort vanzelfsprekend ook een stevige maaltijd bij. Het eten hoeft voor jou niet zo speciaal te zijn, als het maar lekker en vooral veel is. Een grote portie vlees met frietjes of kroketjes en een goeie kwak saus, wat wil een mens nog meer? Groentjes, tja, die neem je er wel bij als er nog plaats is op je bord. Je profiteert van het leven, dat staat vast, maar dat kan ook anders.

Ga de uitdaging aan
Genieten kan ook op een andere manier ... Al eens gedacht aan af en toe veggiedag? Wie weet bevalt die ‘groene’ keuken je net heel goed, want je leert gegarandeerd heel wat nieuwe, overheerlijke gerechten kennen.
In 2004 at elke Belg gemiddeld 102 kg vlees. Wereldwijd komt het jaarlijkse verbruik op 40 kg per persoon. Dat betekent dat wij Belgen maar liefst twee en een half keer meer vlees eten dan de gemiddelde wereldburger! Om vlees te produceren heb je nochtans heel wat grondstoffen nodig, niet zo efficiënt dus. Voor één kilo varkensvlees heb je bijvoorbeeld 5 kg veevoeder nodig. Vandaag wordt al 70 % van alle landbouwgrond (inclusief weiden) gebruikt voor vleesproductie. En dat terwijl we al het graan en de soja die we aan dieren voederen zelf zouden kunnen opeten. Minder vlees eten, ook al is het maar één dag per week, maakt bovendien een groot verschil in de CO2-uitstoot die je veroorzaakt. Wie op zijn of haar menu de helft van het vlees schrapt en dit invult met vleesvervangers, produceert 55 % minder broeikasgassen. Hetzelfde effect als de helft van de auto’s van de weg halen!

Enkele tips
Ga eens vreemd
Tenminste, je gaat graag lekker uit eten, maar heb je je al eens gewaagd aan een vegetarisch uitje? In de Restaurantgids van EVA vzw (http://www.evavzw.be) kom je te weten welke veggiespots er in jouw buurt zijn. Je ontdekt er vast en zeker meer dan je denkt!
Organiseer een avondje Culinair Solidair
Jij houdt duidelijk van koken en gezellig tafelen. Dan is een Culinair Solidair-etentje echt iets voor jou. Een ontbijt, brunch, lunch, diner of een andere maaltijd ten voordele van BD.
De ingrediënten van zo’n succesvolle solidaire maaltijd? Eerlijke producten van veraf of dichtbij, gekruid met een snuifje vrijwillige inzet en overgoten met een heerlijk sausje solidariteit. Op onze
site (http://www.broederlijkdelen.be/doe-mee/culinair-solidair/bij-jou-thuis) helpen we je graag met de samenstelling van je menu, met enkele tips en receptjes.
Daag jezelf uit om minder (of geen) vlees en vis te eten
De vastenperiode is de ideale gelegenheid om stil te staan bij onze voedselgewoontes. Daag jezelf uit om ten minste één keer per week lekker vegetarisch te eten. Wat dacht je van Donderdag Veggiedag? (http://www.donderdagveggiedag.be)



Investeren in duurzame landbouw
Aan grootse plannen en goede bedoelingen rond landbouw in het Zuiden is er de laatste jaren geen gebrek. Maar niet al die plannen zijn even verstandig. Zo worden grootschalige landbouw en hogere industriële productie nog altijd opgevoerd als dé oplossing om honger aan te pakken. Meer land in gebruik nemen, meer monoculturen, meer pesticiden, meer veevoeder en meer biobrandstoffen, …
Niet direct een manier om urgente problemen aan te pakken zoals watervervuiling en -schaarste, klimaatverandering, het afbrokkelen van biodiversiteit, de dalende vruchtbaarheid van de grond en ontbossing. En de massa armen op het platteland worden er ook niet onmiddellijk beter van. Er zijn gelukkig alternatieven. Agro-ecologie is zo’n alternatief en vertrekt vanuit een ecologische invalshoek. In de plaats van de opbrengst van één soort plant te maximaliseren, wil deze methode het hele landbouwsysteem optimaliseren. Meer produceren én tegelijk de natuurlijke hulpbronnen beschermen. Via agro-ecologie is het mogelijk om de productie in bepaalde gebieden in 10 jaar tijd te verdubbelen. De negatieve gevolgen van grootschalige landbouw worden vermeden en miljoenen kleinschalige boeren kunnen meestappen in dit systeem. Dit gaat natuurlijk niet vanzelf. Enerzijds moeten lokale overheden, internationale organisaties en de internationale politiek investeren in zo’n landbouwmodel, en anderzijds moeten de lokale en regionale markten de tijd en ruimte krijgen om te groeien. Dit zal beter lukken als boeren zich verenigd zien in sterke organisaties die hun belangen kunnen verdedigen. Dit zal ongetwijfeld ook beter lukken wanneer de consument zijn voedingspatroon aanpast en zodoende ook vraag en aanbod op de markt gaat sturen. Vandaar de slogan: 'Verbeter de wereld, begin in je bord!'