Op woensdagnamiddag 20 februari organiseerde OKRA Zonnebeke onder ruime belangstelling een zeer boeiende voordracht door Marcel Lammers over het harde leven van de seizoensarbeiders in Frankrijk. Zijn relaas was levendig gekruid met herinneringen uit zijn jeugd. Veel mensen weten nog hoe mannen en vrouwen – bij gebrek aan werk in eigen streek – tweemaal per jaar naar de Franse bietenvelden trokken om er lucratieve maar vooral zware arbeid te verrichten. Anderen gingen er aan de slag in de asten, de suikerfabrieken en in het vlas. Aansluitend werd de documentaire film 'Les godverdommes sont là' vertoond. Niet alleen een hommage aan het noeste werkvolk maar ook aan de mensen die hun lot ter harte namen. We denken daarbij vooral aan Edmond Denys (Pasterke Denys), Joris De Jager (Pastertje De Jager) en vakbondsman Leon Bruggeman. Dit is het verhaal.
Door de opkomst van de industriële revolutie ontstond er vanaf de tweede helft van de 19de eeuw grote werkloosheid in Europa. In Wallonië en steden als Antwerpen en Gent was er nog redelijke welvaart, maar in de landelijke gebieden in Vlaanderen heerste bittere armoede. Op zoek naar een toekomst zochten velen een uitweg en emigreerden naar de Nieuwe Wereld. Het is onder diezelfde druk dat anderen hun heil zochten in Wallonië en Noord-Frankrijk. De meesten kwamen uit West-Vlaanderen, de Scheldestreek in Oost-Vlaanderen, het Hageland en de Zuiderkempen. De West- en Oost-Vlaamse arbeiders trokken vooral naar Frankrijk als seizoensarbeider. De Hagelanders en de Kempenaars trokken ook naar Wallonië om te werken in de steenkoolmijnen of de zware metaalindustrie. Men raamt het aantal West-Vlaamse seizoenarbeiders rond het jaar 1900 op circa 15.000, daarnaast mag je zeker evenveel Oost-Vlamingen rekenen. We weten dat priester Daens in 1898 pogingen deed om de verkiezingen te verplaatsen omdat veel arbeiders anders niet zouden kunnen stemmen. Hij schatte dat in zijn arrondissement Aalst circa 8.000 seizoenarbeiders die zomer niet thuis zouden zijn.
Vanaf 1930 begon het verschijnsel langzaam af te nemen omdat het financieel minder de moeite loonde om nog het seizoen te doen. Sommigen bleven het doen als een soort traditie. Het was vaak zwaar werken en men was meestal verre van luxueus gehuisvest, maar er was vaak de ambiance van vriendschap, solidariteit en een zekere vrijheid. Om het werk vlot te laten verlopen was een goede verstandhouding in de groep onontbeerlijk. Onderlinge wedijver of ruzie kon de samenhorigheid danig verpesten. Het slachtoffer hiervan was meestal de jongste of de zwakste in de groep. Veel van die groepjes waren familie en vrienden ondereen en bouwden in al die jaren een ruime verzameling 'sterke verhalen' op.
Men sprak ook van 'trimards'. Deze uitdrukking kwam in gebruik door een gelijknamig boek van Warden Oom (pseudoniem van Edward Vermeulen). Andere bekende werken uit de Vlaamse literatuur zijn o.m. 'Leven en dood in den Ast' van Stijn Streuvels en 'Suiker' van Hugo Claus. Vaak waren deze mannen maanden van huis weg. Oorspronkelijk had het woord 'trimard' een negatieve betekenis. Trimards waren zwervers of Franschmans die waren blijven hangen en vaak vele jaren niet terugkeerden naar hun officiële woonplaats in België. Ze leefden soms in gezelschap van een onwettige vrouw. Kort voor de eerste wereldoorlog schatte men hun aantal op zo'n 500 personen. Bekeken vanonder de Vlaamse kerktorens waren het natuurlijk jammerlijk verloren schapen. Het was misschien juist de verstikkende sociale controle of het miserabele bestaan thuis, die deze trimards ervan weerhielden om terug te keren, eenmaal ze geproefd hadden van de Franse levensstijl. In de Westhoek heeft het woord trimard nu nog de betekenis van veelreiziger, zwerver of vagebond.
Ook de naam 'bietenmannen' werd gebruikt aangezien de meesten bieten gingen zetten, kappen of rooien bij de Franse boeren, en daarna in de suikerfabrieken gingen werken. De streek tussen Compiègne en Rijsel kennen we van de wielerwedstrijd Parijs-Roubaix en telt nu nog talrijke suikerfabrieken. De bietenoogst, dat is de herfst: mist en regen, koude wind, slijk, modder en korte dagen. Het is in die omstandigheden dat de bietenmannen moesten werken.
Typisch voor de seizoenarbeid in de suikerfabriek was het hechte ploegverband. Met groepen van 30 tot 40 man trokken ze per trein naar de fabriek onder leiding van de ploegbaas. Deze was ongetwijfeld de belangrijkste figuur en genoot groot aanzien, zowel bij de arbeiders als bij de fabrieksdirecteur. Hij was meestal ouder, kon overweg met het Frans en stond dikwijls in voor de administratie. Meestal werkte hij net als de anderen, soms hield hij vooral een oogje in het zeil. Bijna altijd was de groep vergezeld van een vrouw die instond voor het eten en het eventueel schoonmaken van de verblijfplaats. Veel hadden ze niet mee: enkele reservekleren, wat ondergoed, en veelal wat voedsel, een homp spek, vet om op de boterham te smeren. Alles in de zo typische tweezak, 'bazatse' of 'balluchon'.
De suikerfabriek startte met de komst van de seizoensarbeiders rond 1 oktober en bleef draaien tot vlak voor kerstmis. Treinen en tractoren voerden duizenden tonnen bieten aan die nog vol slijk hingen. De bietenlossers werden betaald per geloste ton bieten. Sommigen konden wel tot 65 ton per dag verzetten. Bieten werden in 'caniveaux' gelost, brede diepe kanalen waar water op de bodem stroomde om de bieten te transporteren naar de wasmolens. Met hogedrukspuiten werd de toevoer van de bieten nog versneld.
De arbeiders verbleven meestal in slaapbarakken op het terrein van de suikerfabriek. Barakken waren opgedeeld in slaap – en eetzaal. Voor het opruimen van de barak stonden de arbeiders zelf in, en hadden ze geen vrouw mee, dan gebeurde dit werkje gewoonlijk niet. En zoals overal golden hier dezelfde gebreken: slechte verlichting, beperkte verwarming en de naar de keel grijpende geur van zoveel ongewassen lichamen, geen verluchting en het immer aanwezige lawaai van treinen, vrachtwagens, machines en sirenes verhinderde een goede rust. Aardappelen met spek, spek met aardappelen, brood, aardappelen met melksaus of ajuinsaus, dat was zowat de menukaart. Maar het enige wat telde was geld verdienen. Thuis waren ze ook geen fijne maaltijden gewend. Ze waren niet gekomen om in luxe te leven, maar om snel veel geld te verdienen.
De suikerfabriek bleef 24 uur op 24, 7 dagen op 7 draaien. Zoals alle seizoenarbeiders wilden de bietenmannen op zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk verdienen. Ze waren bereid vele uren te kloppen. In Frankrijk gold meestal een dag- en nachtsysteem: twaalf uren werken en twaalf uren rust. Soms nam men al eens een shift van een ploegmaat over, dubbele uren dus. Behalve de bietenlossers werden ze per uur betaald, en naargelang de scholingsgraad. In de teelt zelf werden ze per hectare vergoed. De Vlamingen deden meestal ongeschoold werk, meestal het zwaarste en vuilste. Als toevoeging op het loon kregen de arbeiders ook een zak suiker mee van 10 of 20 kg.
Vanaf de jaren 60 werden de teelt en de fabrieken steeds meer gemechaniseerd: lossen van wagons gebeurde met kranen, steevast werd handenarbeid door machines vervangen. Om zijn mensen toch een voldoende aantal uren werk te kunnen geven nam de ploegbaas een steeds kleinere groep arbeiders mee. Halfweg de jaren 60 is het fenomeen dan volledig verdwenen.