De
hele paastijd worden uit het evangelie teksten voorgelezen, die
vertellen hoe de leerlingen de verrijzenis van Jezus ervaren hebben.
Eén ervan is Thomas, een nuchtere+ kerel – zoals de meesten onder
ons – die met z’n twee voeten op de de grond staat. Hij laat zich
niets wijsmaken. Na Jezus’ dood had hij meteen weer z’n oude job
opgenomen. Zo kwam het dat hij er niet bij was toen Jezus de eerste
keer aan zijn leerlingen verscheen. Toen zijn vrienden hem bij zijn
thuiskomst het grote nieuws vertelden, legde hij als het ware vooraf
al figuurlijk de vinger op de wonde toen hij zei: “Eerst zien en
dan geloven.”
Het
kan ons zomaar een keer overkomen dat we ergens verdwalen. Een
onbekend bos waar je met je familie of gezinnetje aan het wandelen
bent. En je blijkt op den duur rondjes te lopen, want
alle paden lijken op elkaar. Het al te schemeren en je bent eigenlijk
ten einde raad.
Geloof
als houvast?
Op
zo’n momenten zoek je houvast. We proberen ons dan flink te houden.
We zeggen tegen onszelf: ‘maak je maar geen zorgen, het komt goed.’
Wij hebben blijkbaar geruststellende woorden nodig om door benarde
situaties heen te komen. Zo probeert een arts zijn radeloze patiënt
moed in te spreken. Zo probeert een moeder haar kind te troosten
wanneer het tegen zit. En zo hebben we ook dat houvast nodig, omdat
we niet willen verdwalen in het leven.
Zo
vertrouwen mensen, die van harte kunnen geloven, dat God een houvast
is. God kan ons het vertrouwen geven dat het allemaal goed komt.
Maar
zo te geloven wordt wel steeds moeilijker, want voor veel mensen is
zoiets niet meer te geloven. Het is een ingebeeld houvast om onze
angsten te bezweren, zeggen ze. We zouden ons beter vasthouden aan
datgene wat we zeker weten. Water kookt bij honderd graden, en de
aarde is rond. Je kunt je hooguit verzekeren tegen pech, en verder
bestaat er niets. Steeds meer en steeds vaker wordt ons in deze tijd
voorgehouden, dat geloven iets voor zwakkelingen is of
voor mensen met een veel te grote fantasie.
Thomas
is ook zo'n mannetje dat helemaal niet houdt van vage verhalen over
dode mensen die opeens weer gaan leven. Daarom kan hij niet geloven
dat de leerlingen Jezus gezien hebben. Pas wanneer Tomas het met
eigen ogen ziet, moet hij zijn ongelijk toegeven en gaat hij
letterlijk door de knieën.
Gave
van de Geest
Dit
evangelieverhaal wil ons vertellen dat geloven in God helemaal geen
infantiele behoefte is om
je aan iets te kunnen vastklampen, geen fantasie is om onze
onzekerheden te bezweren. Geloven
kunnen wij zelfs alleen maar dankzij de heilige Geest. Wanneer Jezus
de eerste keer verschijnt maakt hij dat duidelijk met een
veelbetekenend gebaar. Hij wenst hen de vrede én blaast de Geest
over hen uit. Geloof wordt ons gegeven, we kunnen het niet uit
onszelf. Daarom
worden wij gezalfd bij het doopsel en het vormsel. Het zijn rituelen,
handelingen van de Kerk, die nogmaals bevestigen dat wij alleen
dankzij de heilige Geest kunnen geloven. Ze
geven wel niet de garantie dat het allemaal vanzelf gaat. Maar ze
vertellen ons over het geheim dat in ons leven aanwezig is en kan
uitgroeien tot een volwassen geloof, een
diep en waarachtig vertrouwen dat alles goed komt.
Onze
Vader
Als
we dan toch dreigen te verdwalen in het leven, als we geen klaar meer
zien, niet meer weten van welk hout pijlen te maken, kan dat sterke
innerlijke geloof ons op de been houden. Het
vertelt ons: niet wanhopen, God is er ook nog. Je hebt daarvoor geen
bewijzen nodig. Maar is er dan helemaal geen twijfel meer mogelijk?
Mogen wij niet – zoals Thomas – kritische vragen stellen? We
zijn ons kinderlijk denken toch stilaan of volledig ontgroeid?
Een
leven zonder enige onzekerheid of twijfel bestaat echter niet. Of je
nu gelooft of niet,
wij
worden allemaal wel eens overvallen door gebeurtenissen waardoor wij
het even niet meer weten.
We
kennen allemaal het gebed het Onzevader. Misschien hebben we de
recent licht gewijzigde versie al onder de knie. Maar je kan het
gerust ook zo bidden:
“Onze
Vader,
als
U in de hemel bent en als uw naam heilig is,
waarom
geschiedt uw wil dan niet op aarde zoals in de hemel?
Waarom
geeft U alle mensen niet hun dagelijks brood
en
waarom vergeeft U ons niet wat we verkeerd doen,
zodat
wij U niet langer hoeven te bestoken met klachten?
Waarom
vallen wij nog steeds in de bekoring van de haat?
Als
U in de hemel bent,
waarom
verlost U ons dan niet van het kwaad,
zodat
we eindelijk eens van harte kunnen zeggen, dat het goed is.”
In
zo’n fel gebed is de heilige Geest aan het woord: ‘Hier komen,
God!’ Het is toch onverdraaglijk dat zo veel mensen in ellende
moeten leven. Als uw wil zou geschieden, zou dat toch niet nodig
zijn. Als uw naam zou worden geheiligd, zouden wij elkaar niet
voortdurend hoeven te bedreigen. Het is toch niet te geloven hoeveel
onrecht er in stand wordt gehouden. Kom, God, werk nu eens mee en
laat die goede Geest in ons werken.
Wij
willen wel en wij hoeven echt niet te geloven uit angst. U brengt ons
echt wel thuis, maar zolang wij nog onderweg zijn, blijven wij
verontwaardigd over het verdriet dat we elkaar aandoen.
Wij
kunnen dus niet alleen maar vertrouwen op onze kleine
(wetenschappelijke) zekerheden, want
die geven geen antwoord op onze verontwaardiging. Alles zeker weten
zonder heilige Geest, lost lang niet alle miserie en onrecht op in
deze wereld.
Augustinus
Augustinus
Op
24 april, vierden we
het feest van Augustinus' bekering. Ook hij was vanuit zijn rationele
ingesteldheid niet bij machte om vanuit zichzelf te geloven. Het
moment, waarop dat zich definitief voltrok kan je lezen in het
achtste boek van zijn Belijdenissen en is door de schilder B. Gozzoli
prachtig weergegeven in een reeks over Augustinus' leven in de
Sant'Agostino, de Augustijnenkerk, te S. Gimignano (I). Augustinus
leest een tekst van Paulus, waarvan de eerste helft naar zijn oude
leven van vóór de bekering zou verwijzen, en de tweede helft naar
zijn nieuwe leven ná de bekering.








