Deze
tentoonstelling in de Sint-Maartenskathedraal in Ieper, vertelt over
een wel heel bijzonder aspect van de Eerste Wereldoorlog. De vele
‘dienaars van God’, priesters, zusters, seminaristen, monniken,
leken, geestelijken van andere godsdiensten… die ‘hun’ taak
vervulden in de verdediging van het vaderland, als aalmoezenier,
brancardier, verpleegkundige of gewoon als soldaat.
Aan
de hand van de 14 staties van de
kruisweg van kardinaal Newman worden
we uitgenodigd om even stil te staan bij de enorme uitdaging van
religieuzen om te midden van oorlog en onnoemelijk geweld in Gods
naam, dag in dag uit het evangelie gestalte gaven.
De
volgende zinnen drukken dit goed uit:
“Heer,
laat de priester in mij het in alle omstandigheden halen van de
soldaat in mij.”
“Allen
hadden ze het gelaat van de gekruisigde Christus: de gewonden die ik
bijstond en de doden die ik mee hielp dragen.”
Martial
Lekeux,
artillerist en Franciscaan: twee hoedanigheden die moeilijk te rijmen
zijn. Terwijl hij bij het hoofdkwartier van zijn groep aan het
Ijzerfront
1914 een pijp staat te roken,
wordt hij aangeklampt door de commandant:
“Héwel,
Lekeux, dat is nogal een verandering voor jou, de oorlog!”
“Maar
commandant, helemaal niet … (Ze beginnen me op de zenuwen te werken
met steeds hun ‘dat is nogal een verandering’). Alsof ik een
ander mens geworden ben door uit het klooster te zijn. Wat is in
feite het leven van een religieus? Zich geven uit liefde tot God,
toch? En wat doen we hier anders dan ons te geven, uit liefde dan nog
wel voor onze soldaten: is dat geen monnikkenleven?”
“Ja,
ja, hetzelfde leven maar de dagelijks verloop is toch heel anders?”
“Een
religieus is altijd gereed om te doen wat ze van hem vragen, als het
maar is om God en de mensen te dienen.”
Samaritaan
zonder ezel
Midden
al deze negativiteit komen ze – gedwongen door de omstandigheden –
los van hun opleiding tot een andere beleving van hun oorspronkelijke
roeping. De taak van de aalmoezenier op het slagveld bestond er onder
andere in de gewonden op te halen en in veiligheid te brengen en de
doden bijeen te brengen. Vele priesters, monniken en zusters hadden
zich hun leven natuurlijk wel anders voorgesteld. Maar toch mag het
volgende citaat die band met het Evangelie concreet maken:
“Ik
heb met vreugde gedacht aan de parabel van de Barmhartige Samaritaan.
Die had tenminste nog een ezel om de gewonde naar de herberg te
brengen - wij hadden enkel onze schouders! Wij zijn de sjouwers en de
voerlui van het slagveld… Wij zijn de Barmhartige Samaritanen van
de zielen… We hebben je opgetild en gedragen, soldaat.”
Mess of loopgracht
Mess of loopgracht
Voor
de oorlog waren er 23 aalmoezeniers in de garnizoensteden waar zich
een militair hospitaal of een school bevond. Voor de overige
garnizoensteden waren er nog eens 25 priesters voorzien. Op 16
augustus benoemde de Minister van Oorlog op voorstel van de kardinaal
één aalmoezenier per bataljon. In totaal zullen ongeveer 600
katholieke aalmoezeniers, 15 protestantse en nog enkele rabbijnen hun
dienst in het leger volbrengen.
De
opleiding van de religieuzen tot aalmoezenier/brancardier gebeurde
vanaf 1915 zoals van de overige dienstplichtigen in het
opleidingskamp
van Auvours.
Ze waren er per tien gelegerd in kleine tenten met wat stro en een
deken ter beschikking. Hun opleiding was dubbel; zowel theologisch
als militair.
Onder
de 150.000 rekruten die er passeerden waren er velen die zich lieten
bekeren. In de openluchtmissen kwam nagenoeg het ganse kamp bijeen en
er werden elke maand 2000 communies uitgereikt. Maar dit kamp was
maar een etappe. De edelmoedigheid van de aalmoezeniers zou moeten
blijken aan het front zelf.
Zo
zijn er onder hen van het slag dat zich liever ophoudt bij de
officieren en vaker in de mess te vinden zijn dan in het heetst van
de strijd. Dat is menselijk … maar toch. Hij die bij zijn mannen
wil blijven, die het leven van de infanterist en zijn ontberingen wil
delen, is natuurlijk de echte aalmoezenier. Met mooie woorden kun je
weinigen verleiden maar met daden des te meer …
“In
de loopgraven praat ik niet over godsdienst. wat ik doe is de mannen
op hun gemak stellen en hun vertrouwen geven. Op die manier worden we
kameraden. Als de aanval begint, ben ik bij de eersten die zich
lanceren en ik hoor sommigen prevelen: ‘Die pastoor heeft geen
schrik!’ Als ik zo met hen de aanval inzet, preek ik het mooiste
sermoen en ik ben er zeker van dat ze ‘s anderdendaags allen in de
mis zullen zijn”.
Een
Engelse solddat, voorheen hevig anti-klerikaal, vertelt vol
bewondering over de anglicaanse
aalmoezenier
Mellisch:
“Op
een buitengewone manier heeft hij zijn opdracht vervuld. Onmiddellijk
lagen de mannen die het eerst de vijandelijke linies bereikten onder
het vuur van de mitrailleurs, maar dat werhield er hem niet van zich
‘al wandelend’ zoals in vredesijd, zijn kameraden te vervoegen.
Hij bemoedigde vriendelijk de eerste gewonden en bracht ze zelf
achter de linies, zonder zich om zijn eigen veiligheid te bekommeren
...”
Handelaar
in geluk
Wanneer
de soldaten liggen uit te rusten bij hun schuilplaatsen, ver van de
Ijzer, gaan ‘de commercanten’ de loopgraven in en uit en
presenteren hun koopwaar. Maar de verkoop hapert vandaag want er is
een concurrent. Lang voor de kantine opengaat, komt aalmoezenier De
Groote aan
zijn soldaten verkopen wat hij met veel moeite bijeengekregen heeft.
Hij verkoopt met grote afslag zodat iedereen bediend geraakt. Hij
kent wie niets geeft en die krijgen alles gratis. Maar dan op en
delicate wijze. Zij doen alsof ze tussen duim en wijsvinger, een
geldstuk hebben en geven hem … niets. Naar buiten is alles is orde
en ieder krijgt zijn deel.
Drie
of vier keer per jaar had een soldaat recht op enkele dagen verlof.
De aalmoezeniers zorgden ervoor dat dat momenten werden van
ontspanning en voedsel voor de ziel. Velen gingen op bedevaart naar
Lourdes. Ze gingen bij Onze-lieve-Vrouw op bezoek omdat ze haar veel
te vragen hadden voor hun ouders, hun vaderland en tenslotte voor
zichzelf die voortdurend in levensgevaar waren. ze genoten er verder
van de grootste vrijheid en genoegens … om uiteindelijk hun
gevechtspost terug in te nemen.
En
toen het gebeurde het dat … enkele soldaten zich klaar maakten om
de zoveelste lijkkist buiten te dragen. Anderen namen de brancard,
besmuikt met modder en bloed, weg. Er werd een graf gedolven dicht
bij hun schuilplaatst. Een priester bad de gebeden onder het lawaai
van de bombardementen die opnieuw slachtoffers maken. Dan sloeg ieder
een kruis, ging weg en probeerde te vergeten … of dacht nog even na
aan de familie die zat te wachten op de brief die niet meer zou
komen.
Vrede
en verzoening
Paus Benedictus XV, die de Kerk leidde van 1914 tot 1922, heeft vanuit de ellende van de Eerste Wereldoorlog, de lijnen uitgetekend voor een vernieuwde kijk binnen de Kerk op oorlog en vrede. Als christen zijn we geroepen om alles in het werk te stellen om oorlog te voorkomen en ons totaal in te zetten voor vrede en verzoening. In een tekst van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-65) komt dit verder op bijzondere wijze naar voor waar in ‘Gaudium et Spes’ gezegd wordt:
“Laten ook zij, die zich als militair aan de dienst van het vaderland hebben gewijd, zich beschouwen als de dienaars van de veiligheid en de vrijheid van de volken; en door een correcte uitoefening van deze taak werkelijk bijdragen tot het behoud van de vrede”.
Deze oproep tot vrede en tot inzet voor vrede in de wereld die al tijdens wereldoorlog I bij paus Benedictus XV klonk, echoot ook vandaag sterk door in het spreken van paus Franciscus. In april vorig jaar tijdens een jubileum voor Militairen in Rome, politieagenten en soldaten moedigde hij hen aan om instrumenten van verzoening, bruggenbouwers en zaaiers van vrede te zijn.
Paus Benedictus XV, die de Kerk leidde van 1914 tot 1922, heeft vanuit de ellende van de Eerste Wereldoorlog, de lijnen uitgetekend voor een vernieuwde kijk binnen de Kerk op oorlog en vrede. Als christen zijn we geroepen om alles in het werk te stellen om oorlog te voorkomen en ons totaal in te zetten voor vrede en verzoening. In een tekst van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-65) komt dit verder op bijzondere wijze naar voor waar in ‘Gaudium et Spes’ gezegd wordt:
“Laten ook zij, die zich als militair aan de dienst van het vaderland hebben gewijd, zich beschouwen als de dienaars van de veiligheid en de vrijheid van de volken; en door een correcte uitoefening van deze taak werkelijk bijdragen tot het behoud van de vrede”.
Deze oproep tot vrede en tot inzet voor vrede in de wereld die al tijdens wereldoorlog I bij paus Benedictus XV klonk, echoot ook vandaag sterk door in het spreken van paus Franciscus. In april vorig jaar tijdens een jubileum voor Militairen in Rome, politieagenten en soldaten moedigde hij hen aan om instrumenten van verzoening, bruggenbouwers en zaaiers van vrede te zijn.
Derde
Wereldoorlog
Dit
neemt niet weg dat we ook vandaag wereldwijd geconfronteerd blijven
met de verschrikkelijke realiteit blijft van oorlog en geweld. Paus
Franciscus zegt het als volgt:
“Met alle misdaden, slachtpartijen en verwoestingen in de wereld kunnen we stilaan misschien wel spreken over een Derde Wereldoorlog. Die wordt op dit moment in stukjes en beetjes uitgevochten.”
“Met alle misdaden, slachtpartijen en verwoestingen in de wereld kunnen we stilaan misschien wel spreken over een Derde Wereldoorlog. Die wordt op dit moment in stukjes en beetjes uitgevochten.”
Hij
zei dit in 2015 naar aanleiding van de terroristische aanslagen in
Parijs, maar wij hebben intussen ook de aanslagen gehad dicht bij
ons, te Brussel 22 maart vorig jaar en we weten hoe niet alleen in
Europa maar op vele plaatsen in de wereld mensen het gevaar lopen
slachtoffer te worden van blind geweld. Daartegenover staan dan
telkens weer grote golven van solidariteit en medeleven naar voor
komen en mensen ook tot elkaar brengen .
De
tentoonstelling loopt van nog tot 8 november 2017 (niet van 11 tot 19
september) in de Sint-Maartenskathedraal in Ieper en is dagelijks
gratis toegankelijk .














