Waarom
in godsnaam nog geloven? Proef
je ook een zekere moedeloosheid in deze vraag? Vooral dat woordje
'nog' geeft te denken. Het ligt helemaal in de lijn van vragen als
“Hoeveel mensen gaan er bij jullie nog naar de mis op zondag?”,
“Zijn jullie kinderen nog getrouwd voor de kerk?” of “Worden de
kleinkinderen bij jullie nog allemaal gedoopt?”. Tegelijk klinkt er
ook wat scepsis in deze titelvraag. We stellen vast dat nogal wat,
jongere mensen dan ons, best gelukkig kunnen zijn zonder geloof en
Kerk. Trouwens, is geloven nog wel iets voor verstandige mensen? Maar
je kunt ook blij en gelukkig zijn met je geloof! Welk geloof dan? Wat
volgt is een indrukwekkende getuigenis van priester Jan Vanden Berghe
(73 j.), interdiocesaan pastor Adem-tocht, een christelijk-gelovige
spiritualiteitsbeweging voor 60-plussers, die oud en jong kan
inspireren.
Een
waardevol geloof
Als
jongeman werd mij door een priester-leraar op het hart gedrukt dat ik
blij mocht zijn omdat ik bij mijn geboorte in het 'enige ware geloof'
terechtgekomen was. Maar toen al wekte dat mijn achterdocht. Met de
jaren groeide mijn aanvoelen dat mensen gelukkiger zouden zijn als ze
beter wisten waar het in ons geloof over gaat, en ervan en ernaar
zouden leven. Met het ouder worden heb ik er alleen aan toegevoegd
dat dit niet alleen voor 'de mensen' geldt, maar ook voor 'mezelf'!
Voor alle duidelijkheid: ik heb geleerd mijn geloof niet langer te
belijden als 'het enige ware geloof'. Die manier van denken en
spreken maakt het samenleven met mensen met andere
geloofsovertuigingen en levensbeschouwingen immers erg moeilijk.
Beter is je niet af te vragen of je geloof het 'ware' is, maar of het
'waardevol' is: of het je helpt om jezelf, om mens te worden. Ja, ik
beschouw mijn geloof als uiterst waardevol. Het lijkt me immers een
bijzondere rijke voedingsbron voor het diepe verlangen in elk van ons
om een goed en gelukkig mens te zijn ... Het is het geloof van
waaruit Jezus van Nazareth leefde, het geloof dat hij heeft
voorgeleefd. Geloven is immers veel meer dan waarheden aannemen, het
is een levenshouding van moed en vertrouwen.
De
gulden regel
Toen
men Jezus vroeg wat volgens hem het voornaamste gebod was, kon hij
het niet nalaten in één adem twéé geboden te noemen: “Bemin God
boven alles en je naaste zoals jezelf”. Op het eerste deel van zijn
antwoord kom ik later terug. Ik sta nu stil bij het tweede deel:
“Bemin je naaste zoals jezelf” of, anders gezegd: “Behandel je
medemens zoals je zelf behandeld wil worden.” Het is de 'gulden
regel', die je in alle grote godsdiensten aantreft. Het is een oproep
die ons niet fundamenteel onderscheidt van anderen, maar die Jezus
wel heel centraal plaatst. In zijn verhaal over het Laatste Oordeel,
het Einde der Tijden - over waar het 'uiteindelijk' op aankomt -
blijkt God helemaal niet te vragen naar onze religieuze praktijken,
maar alleen naar wat we voor onze medemensen gedaan hebben (Matteüs
25,31-46). En de wetgeleerde die hem vraagt “Wie is mijn naaste?”
(Lucas 10,29) krijgt het alomgekende maar toch merkwaardige verhaal
van de barmhartige Samaritaan voorgeschoteld ... De man kende
uiteraard ook het gebod 'Bemin je naaste als jezelf', dat was geen
probleem. Hij wilde dat gebod ook wel onderhouden. Maar dan liefst
zonder te overdrijven. Vandaar zijn vraag: Wie valt daaronder, en wie
niet? Hoever gaat dat, je 'naaste'? Nog verder dan mijn naaste
buurman, mijn naaste familie? Een bijzonder belangrijke vraag! En
kreeg de man een antwoord op zijn vraag? Neen! Onrechtstreeks gaf
Jezus te kennen dat de enige goede vraag is: Ben ik bereid om, zoals
die Samaritaan, zelf een naaste te worden als ik op mijn weg een mens
in nood zie? Nee, je hoeft niet aan ons geloof vast te houden om deze
oproep te onderschrijven. Maar lid zijn van een geloofsgemeenschap
die ons hieraan blijvend herinnert en ons uitnodigt om het elke dag
weer waar te maken, kan wel helpen ...
Geloof
moet verbinden
Bij
zijn geboorte kwam Jezus van Nazareth terecht in een samenleving
waarin de godsdienst een centrale plaats innam. Maar Lucas suggereert
dat hij al vrij vroeg kritische vragen durfde te uiten. Denk maar aan
het verhaal van de twaalfjarige in de tempel (Lucas 2,41-50). En
vanaf zijn dertigste heeft hij zijn leven helemaal gewijd aan wat wij
nu 'godsdienstkritiek' zouden noemen. Religieuze
hoogwaardigheidsbekleders, wetgeleerden en schriftgeleerden werden
zijn vijanden en wilden hem al heel snel uit de weg ruimen. Hij
verzette zich tegen het kwaad dat door de godsdienst werd
veroorzaakt: het onderscheid - en daarmee de scheiding - tussen de
zogenaamd 'goede' en de zogenaamd 'slechte' mensen, de veroordeling
en uitsluiting van de 'slechten' en de zelfgenoegzaamheid van de
'goeden'... Het joodse geloof was een godsdienst geworden die niet
langer verbindend werkte, maar mensen integendeel uit elkaar haalde.
Het was een godsdienst die verbood met tollenaars en zondaars aan
tafel te gaan, die melaatsen uitsloot en met minachting neerkeek op
wie de Wet met de voeten trad. Dat kon niet, vond Jezus! En als hij
zo sterk de nadruk legde op barmhartigheid, vergeving en verzoening,
dan had ook dat te maken met het herstellen van het sociale weefsel,
opdat mensen op een gelukkige manier met elkaar verbonden zouden
kunnen blijven.
Ik
ben gelukkig dat onze Kerk niet langer - zoals in mijn kindertijd -
de indruk wekt dat er effectief twee soorten mensen zouden zijn,
goede en slechte. Ooit dacht ze dit blijkbaar te mogen afleiden uit
het verhaal van de schapen en de bokken. Het hele optreden van Jezus
spreekt deze interpretatie echter tegen! Tegelijk ben ik blij dat de
Kerk ons nu ook voortdurend aanspoort tot samenwerking met alle
mensen van goede wil, over de grenzen van geloofsovertuigingen en
levensbeschouwingen heen. Zo zet ze ongetwijfeld voort wat Jezus
bedoelde: godsdienst moet mensen met elkaar verbinden, tot 'broers en
zussen' maken, in al hun verscheidenheid. Tot 'kinderen van dezelfde
Vader', die zich samen inzetten voor een wereld waar het voor
iedereen goed is om wonen.
De
actieve geweldloosheid
Jezus
ging daarbij het conflict niet uit de weg. Hij zweeg niet om de lieve
vrede en ging niet 'in het verborgene' zijn eigen weg, trouw aan zijn
persoonlijke overtuiging. Integendeel. Hij bestrijdt actief de
uitwassen van het joodse geloof, maar dan zonder geweld te gebruiken.
Zo past hij toe wat hij zijn leerlingen voorhield: vergeld geen kwaad
met kwaad, bemin uw vijanden, behandel hen zoals je zelf door hen
behandeld wil worden! Doelbewust overtreedt hij een aantal religieuze
geboden en verboden, en verklaart daarna vaak zijn optreden met
parabels. Hij zal 'zaaien' en erop vertrouwen dat zijn woord altijd
wel ergens in goede aarde zal vallen en vruchtbaar is. Kiezen voor de
geweldloosheid is bewust afstand doen van macht, is weigeren om een
ander te 'dwingen', om psychisch of fysisch geweld uit te oefenen op
de ander. Ik ben al blij te mogen leven in een tijd dat onze Kerk die
fundamentele keuze van Jezus - eindelijk - aan het ontdekken is, de
consequenties ervan begint in te zien en het onderscheid leert maken
tussen het kwaad dat we bestrijden en de mensen die voor dat kwaad
verantwoordelijk zijn ...
Een
blijde boodschap
Misschien
bleef je bij het lezen van wat ik tot hiertoe vertelde op je honger.
Is dat alles nu het voornaamste wat ons geloof ons te bieden heeft?
Veel kleine verhalen die ons uitnodigen om een goed mens en een goed
medemens te worden? Het antwoord is neen. Voor wat voorafgaat hoef je
inderdaad niet noodzakelijk bij ons geloof, bij Jezus van Nazareth en
ons christelijk geloof terecht te komen. Wel is het van onschatbare
waarde, om die algemeen menselijke waarden aan te bieden en levend te
houden.
Fundamenteel
hou ik van mijn geloof omdat het met een 'blijde boodschap' komt. Op
de eerste plaats zelfs, voorafgaand aan al het andere. Het 'goede
nieuws', voor hen die het durven geloven: dat wij er mogen zijn, elk
van ons, als een geliefd kind van de Vader. Het geloof dat God, het
Geheim dat aan de oorsprong staat van 'hemel en aarde', ons kent bij
naam, en dat wij Hem ter harte gaan ... het lijkt steeds meer
onvoorstelbaar. Hoe groter het universum wordt, hoe kleiner de mens.
De psalmist was zich al bewust van dat ondenkbare: “Wat is de mens,
God, dat Gij aan hem denkt, het mensenkind, dat hij U ter harte
gaat?" (Psalm 8). Het is een geloof dat, voor wie de sprong
waagt, een mens ongelooflijk vrij en blij kan maken: "Uw Vader
in de hemel weet wel wat Gij nodig hebt..." Dit geloof was zelfs
voor Jezus niet altijd evident, als we de evangelisten mogen geloven.
Ook hij zou op het kruis een ander psalmwoord geschreeuwd hebben,
volgens Marcus zelfs zijn laatste woord: “Mijn God - waarom hebt
Gij me in de steek gelaten?" (Marcus 15,34) Niets menselijks was
hem vreemd. Want wat we hier geloof noemen is eigenlijk vertrouwen en
dat heeft een mens nooit 'eens en voorgoed'.
Het
doet deugd tot een gemeenschap te behoren die altijd opnieuw deze
fundamentele boodschap laat klinken: je mag er zijn, zijn wie je
bent. Er is immers een God die jou liefheeft en in jou gelooft, en
jou telkens weer toekomst geeft! Die Kerkgemeenschap heeft me de
stilte leren liefhebben. Ze heeft me leren bidden en de 'weg naar
binnen' te gaan, me tot wat meer zelfkennis en zelfaanvaarding
geleid, en tot vertrouwen.
Tot
slot
Zo leerde ik het voor mezelf te verwoorden, mijn geloof.Het heeft alles te maken met de 'menswording' van Jezus in mijn eigen leven. Want in die mens, mens geworden zoals de mens bedoeld is, 'naar Gods beeld en gelijkenis', is God waarlijk aan het licht gekomen. Dat geloof ik. Jezus noemde ons allemaal kinderen van God en probeerde ons te laten delen in zijn vertrouwen dat God een goede Vader is. Terecht noemen wij hem nu het kind van God bij uitstek, en daarom dé Zoon van God. Met wat hij als mens heeft voorgeleefd en voorgehouden, met wat hij geloofd en gehoopt heeft, wil ik verder doen. Dankbaar ben ik blij om wat de religieuze bedding waarin ik geboren ben, me geschonken heeft. Ik hoop dat nog velen mogen ontdekken dat dit geloof en zo'n geloofsgemeenschap bijzonder levengevend kunnen zijn!
Zo leerde ik het voor mezelf te verwoorden, mijn geloof.Het heeft alles te maken met de 'menswording' van Jezus in mijn eigen leven. Want in die mens, mens geworden zoals de mens bedoeld is, 'naar Gods beeld en gelijkenis', is God waarlijk aan het licht gekomen. Dat geloof ik. Jezus noemde ons allemaal kinderen van God en probeerde ons te laten delen in zijn vertrouwen dat God een goede Vader is. Terecht noemen wij hem nu het kind van God bij uitstek, en daarom dé Zoon van God. Met wat hij als mens heeft voorgeleefd en voorgehouden, met wat hij geloofd en gehoopt heeft, wil ik verder doen. Dankbaar ben ik blij om wat de religieuze bedding waarin ik geboren ben, me geschonken heeft. Ik hoop dat nog velen mogen ontdekken dat dit geloof en zo'n geloofsgemeenschap bijzonder levengevend kunnen zijn!







