Pagina's

zaterdag 29 augustus 2015

Blij met mijn geloof!

Waarom in godsnaam nog geloven? Proef je ook een zekere moedeloosheid in deze vraag? Vooral dat woordje 'nog' geeft te denken. Het ligt helemaal in de lijn van vragen als “Hoeveel mensen gaan er bij jullie nog naar de mis op zondag?”, “Zijn jullie kinderen nog getrouwd voor de kerk?” of “Worden de kleinkinderen bij jullie nog allemaal gedoopt?”. Tegelijk klinkt er ook wat scepsis in deze titelvraag. We stellen vast dat nogal wat, jongere mensen dan ons, best gelukkig kunnen zijn zonder geloof en Kerk. Trouwens, is geloven nog wel iets voor verstandige mensen? Maar je kunt ook blij en gelukkig zijn met je geloof! Welk geloof dan? Wat volgt is een indrukwekkende getuigenis van priester Jan Vanden Berghe (73 j.), interdiocesaan pastor Adem-tocht, een christelijk-gelovige spiritualiteitsbeweging voor 60-plussers, die oud en jong kan inspireren.




Een waardevol geloof
Als jongeman werd mij door een priester-leraar op het hart gedrukt dat ik blij mocht zijn omdat ik bij mijn geboorte in het 'enige ware geloof' terechtgekomen was. Maar toen al wekte dat mijn achterdocht. Met de jaren groeide mijn aanvoelen dat mensen gelukkiger zouden zijn als ze beter wisten waar het in ons geloof over gaat, en ervan en ernaar zouden leven. Met het ouder worden heb ik er alleen aan toegevoegd dat dit niet alleen voor 'de mensen' geldt, maar ook voor 'mezelf'! Voor alle duidelijkheid: ik heb geleerd mijn geloof niet langer te belijden als 'het enige ware geloof'. Die manier van denken en spreken maakt het samenleven met mensen met andere geloofsovertuigingen en levensbeschouwingen immers erg moeilijk. Beter is je niet af te vragen of je geloof het 'ware' is, maar of het 'waardevol' is: of het je helpt om jezelf, om mens te worden. Ja, ik beschouw mijn geloof als uiterst waardevol. Het lijkt me immers een bijzondere rijke voedingsbron voor het diepe verlangen in elk van ons om een goed en gelukkig mens te zijn ... Het is het geloof van waaruit Jezus van Nazareth leefde, het geloof dat hij heeft voorgeleefd. Geloven is immers veel meer dan waarheden aannemen, het is een levenshouding van moed en vertrouwen.

De gulden regel
Toen men Jezus vroeg wat volgens hem het voornaamste gebod was, kon hij het niet nalaten in één adem twéé geboden te noemen: “Bemin God boven alles en je naaste zoals jezelf”. Op het eerste deel van zijn antwoord kom ik later terug. Ik sta nu stil bij het tweede deel: “Bemin je naaste zoals jezelf” of, anders gezegd: “Behandel je medemens zoals je zelf behandeld wil worden.” Het is de 'gulden regel', die je in alle grote godsdiensten aantreft. Het is een oproep die ons niet fundamenteel onderscheidt van anderen, maar die Jezus wel heel centraal plaatst. In zijn verhaal over het Laatste Oordeel, het Einde der Tijden - over waar het 'uiteindelijk' op aankomt - blijkt God helemaal niet te vragen naar onze religieuze praktijken, maar alleen naar wat we voor onze medemensen gedaan hebben (Matteüs 25,31-46). En de wetgeleerde die hem vraagt “Wie is mijn naaste?” (Lucas 10,29) krijgt het alomgekende maar toch merkwaardige verhaal van de barmhartige Samaritaan voorgeschoteld ... De man kende uiteraard ook het gebod 'Bemin je naaste als jezelf', dat was geen probleem. Hij wilde dat gebod ook wel onderhouden. Maar dan liefst zonder te overdrijven. Vandaar zijn vraag: Wie valt daaronder, en wie niet? Hoever gaat dat, je 'naaste'? Nog verder dan mijn naaste buurman, mijn naaste familie? Een bijzonder belangrijke vraag! En kreeg de man een antwoord op zijn vraag? Neen! Onrechtstreeks gaf Jezus te kennen dat de enige goede vraag is: Ben ik bereid om, zoals die Samaritaan, zelf een naaste te worden als ik op mijn weg een mens in nood zie? Nee, je hoeft niet aan ons geloof vast te houden om deze oproep te onderschrijven. Maar lid zijn van een geloofsgemeenschap die ons hieraan blijvend herinnert en ons uitnodigt om het elke dag weer waar te maken, kan wel helpen ...

Geloof moet verbinden
Bij zijn geboorte kwam Jezus van Nazareth terecht in een samenleving waarin de godsdienst een centrale plaats innam. Maar Lucas suggereert dat hij al vrij vroeg kritische vragen durfde te uiten. Denk maar aan het verhaal van de twaalfjarige in de tempel (Lucas 2,41-50). En vanaf zijn dertigste heeft hij zijn leven helemaal gewijd aan wat wij nu 'godsdienstkritiek' zouden noemen. Religieuze hoogwaardigheidsbekleders, wetgeleerden en schriftgeleerden werden zijn vijanden en wilden hem al heel snel uit de weg ruimen. Hij verzette zich tegen het kwaad dat door de godsdienst werd veroorzaakt: het onderscheid - en daarmee de scheiding - tussen de zogenaamd 'goede' en de zogenaamd 'slechte' mensen, de veroordeling en uitsluiting van de 'slechten' en de zelfgenoegzaamheid van de 'goeden'... Het joodse geloof was een godsdienst geworden die niet langer verbindend werkte, maar mensen integendeel uit elkaar haalde. Het was een godsdienst die verbood met tollenaars en zondaars aan tafel te gaan, die melaatsen uitsloot en met minachting neerkeek op wie de Wet met de voeten trad. Dat kon niet, vond Jezus! En als hij zo sterk de nadruk legde op barmhartigheid, vergeving en verzoening, dan had ook dat te maken met het herstellen van het sociale weefsel, opdat mensen op een gelukkige manier met elkaar verbonden zouden kunnen blijven.

Ik ben gelukkig dat onze Kerk niet langer - zoals in mijn kindertijd - de indruk wekt dat er effectief twee soorten mensen zouden zijn, goede en slechte. Ooit dacht ze dit blijkbaar te mogen afleiden uit het verhaal van de schapen en de bokken. Het hele optreden van Jezus spreekt deze interpretatie echter tegen! Tegelijk ben ik blij dat de Kerk ons nu ook voortdurend aanspoort tot samenwerking met alle mensen van goede wil, over de grenzen van geloofsovertuigingen en levensbeschouwingen heen. Zo zet ze ongetwijfeld voort wat Jezus bedoelde: godsdienst moet mensen met elkaar verbinden, tot 'broers en zussen' maken, in al hun verscheidenheid. Tot 'kinderen van dezelfde Vader', die zich samen inzetten voor een wereld waar het voor iedereen goed is om wonen.

De actieve geweldloosheid
Jezus ging daarbij het conflict niet uit de weg. Hij zweeg niet om de lieve vrede en ging niet 'in het verborgene' zijn eigen weg, trouw aan zijn persoonlijke overtuiging. Integendeel. Hij bestrijdt actief de uitwassen van het joodse geloof, maar dan zonder geweld te gebruiken. Zo past hij toe wat hij zijn leerlingen voorhield: vergeld geen kwaad met kwaad, bemin uw vijanden, behandel hen zoals je zelf door hen behandeld wil worden! Doelbewust overtreedt hij een aantal religieuze geboden en verboden, en verklaart daarna vaak zijn optreden met parabels. Hij zal 'zaaien' en erop vertrouwen dat zijn woord altijd wel ergens in goede aarde zal vallen en vruchtbaar is. Kiezen voor de geweldloosheid is bewust afstand doen van macht, is weigeren om een ander te 'dwingen', om psychisch of fysisch geweld uit te oefenen op de ander. Ik ben al blij te mogen leven in een tijd dat onze Kerk die fundamentele keuze van Jezus - eindelijk - aan het ontdekken is, de consequenties ervan begint in te zien en het onderscheid leert maken tussen het kwaad dat we bestrijden en de mensen die voor dat kwaad verantwoordelijk zijn ...

Een blijde boodschap
Misschien bleef je bij het lezen van wat ik tot hiertoe vertelde op je honger. Is dat alles nu het voornaamste wat ons geloof ons te bieden heeft? Veel kleine verhalen die ons uitnodigen om een goed mens en een goed medemens te worden? Het antwoord is neen. Voor wat voorafgaat hoef je inderdaad niet noodzakelijk bij ons geloof, bij Jezus van Nazareth en ons christelijk geloof terecht te komen. Wel is het van onschatbare waarde, om die algemeen menselijke waarden aan te bieden en levend te houden.
Fundamenteel hou ik van mijn geloof omdat het met een 'blijde boodschap' komt. Op de eerste plaats zelfs, voorafgaand aan al het andere. Het 'goede nieuws', voor hen die het durven geloven: dat wij er mogen zijn, elk van ons, als een geliefd kind van de Vader. Het geloof dat God, het Geheim dat aan de oorsprong staat van 'hemel en aarde', ons kent bij naam, en dat wij Hem ter harte gaan ... het lijkt steeds meer onvoorstelbaar. Hoe groter het universum wordt, hoe kleiner de mens. De psalmist was zich al bewust van dat ondenkbare: “Wat is de mens, God, dat Gij aan hem denkt, het mensenkind, dat hij U ter harte gaat?" (Psalm 8). Het is een geloof dat, voor wie de sprong waagt, een mens ongelooflijk vrij en blij kan maken: "Uw Vader in de hemel weet wel wat Gij nodig hebt..." Dit geloof was zelfs voor Jezus niet altijd evident, als we de evangelisten mogen geloven. Ook hij zou op het kruis een ander psalmwoord geschreeuwd hebben, volgens Marcus zelfs zijn laatste woord: “Mijn God - waarom hebt Gij me in de steek gelaten?" (Marcus 15,34) Niets menselijks was hem vreemd. Want wat we hier geloof noemen is eigenlijk vertrouwen en dat heeft een mens nooit 'eens en voorgoed'.

Het doet deugd tot een gemeenschap te behoren die altijd opnieuw deze fundamentele boodschap laat klinken: je mag er zijn, zijn wie je bent. Er is immers een God die jou liefheeft en in jou gelooft, en jou telkens weer toekomst geeft! Die Kerkgemeenschap heeft me de stilte leren liefhebben. Ze heeft me leren bidden en de 'weg naar binnen' te gaan, me tot wat meer zelfkennis en zelfaanvaarding geleid, en tot vertrouwen.

Tot slot
Zo leerde ik het voor mezelf te verwoorden, mijn geloof.Het heeft alles te maken met de 'menswording' van Jezus in mijn eigen leven. Want in die mens, mens geworden zoals de mens bedoeld is, 'naar Gods beeld en gelijkenis', is God waarlijk aan het licht gekomen. Dat geloof ik. Jezus noemde ons allemaal kinderen van God en probeerde ons te laten delen in zijn vertrouwen dat God een goede Vader is. Terecht noemen wij hem nu het kind van God bij uitstek, en daarom dé Zoon van God. Met wat hij als mens heeft voorgeleefd en voorgehouden, met wat hij geloofd en gehoopt heeft, wil ik verder doen. Dankbaar ben ik blij om wat de religieuze bedding waarin ik geboren ben, me geschonken heeft. Ik hoop dat nog velen mogen ontdekken dat dit geloof en zo'n geloofsgemeenschap bijzonder levengevend kunnen zijn!

donderdag 20 augustus 2015

Maria, de altijd stoorbare

Lieve Borry
Op zaterdag 15 augustus – het feest van Maria-tenhemelopneming – vond aan het kapelletje van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, beheerd door de familie Borry, op de Westhoek-Zonnebeke (splitsing Grote Molenstraat en Nonnenbossenstraat), nu al voor de 22-ste keer een Mariahulde plaats. Een viering in openlucht voor flink wat gelovigen, gedragen door gebed, zang en bezinning, bezield voorgegaan door Lieve Borry en afgerond door een meervoudige priesterlijke zegen. In zijn homilie vertolkte priester Michel Goeman een tekst van vicaris Kris Depoortere: een exclusief interview met Maria zelf in de kapel van het AZ Sint-Lucas in Brugge ...

Ik heb deze namiddag een dame uitgenodigd voor een interview. Ze zit hier heel vaak, eigenlijk altijd. Zoals ze ook staat in de vele kapelletjes langs de weg.

Dank dat je hier vannamiddag bij ons wil zijn. Mag ik je voornaam gebruiken?
Ja zeg maar Maria, 'Mària' in 't Westvlaams is ook goed!

Je verblijft al eeuwen onder ons, in zovele bedevaartsoorden, in straatkapelletjes, thuis en bij onze zieken in de ziekenhuizen. Ik stoor toch niet.
Ik zit hier al zolang en ik wordt altijd gestoord. Daar dien ik namelijk voor. Ik ben 'de stoorbare'. Zoals trouwens alle moeders met kinderen, die heel licht slapen. Ze horen alles, altijd. Het begint altijd met horen. Ik hoor mensen komen, de ene kwiek en vlug, de andere sloffend. Ik hoor naaldhakken, pantoffels, een rolstoel, soms snikken, ik hoor een geldstuk vallen in de offerblok, ik hoor ze een kaarsje nemen, maar ik hoor meest van al stilte. En dan zie ik ze als ze naar voren komen. Ik zie een flukse dame op krukken. Ze lag wekenlang in het ziekenhuis op de afdeling orthopedie. Een ski-ongeval. Ze is blij met de vlotte revalidatie. Ze zet dankbaar een kaarsje neer. Maar er zijn geen diepe echte onrustvragen bij haar. Gelukkig maar.

Ine Coghe
Moeder Maria, zijn er ook ergere situaties?
Ik zag hier ook een koppeltje. Allebei een bolle buik. De man had suikerziekte en de vrouw was hoogzwanger. Ze vertelden hoe gelukkig ze waren met elkaar en met het komende nieuwe leven. Ze vroegen of ik ervoor kon zorgen dat er niets mis zou zijn met hun kindje. Ik heb gezegd dat ik dat niet kon, maar dat ik wel kon zorgen voor een baxter vertrouwen, liefde en moed om voor elkaar en voor hun kindje te zorgen. En zie, weer een kaarsje aan mijn voeten. Ik heb hier mensen gehad die een goed lief kwamen vragen voor hun dochter.
Ze schreven het ook op in het intentieboek op het tafeltje achteraan. De priester las het hier zelfs voor in de zondagsmis. En dat lief dat is intussen gelukt. Maar het mooiste uit mijn carrière was dit. Jozef, heette de man, net zoals mijn man. Hij had ouderdomsvlekken op zijn handen. Hij ging voor mij zitten en begon te wenen. “Maria”, zei hij, “ik weet niet wat ik moet vragen. Mijn vrouw Christina is ziek en, ik ook. Wij willen voor elkaar blijven zorgen tot op het laatste. We hebben al zo veel gepraat over wie best als eerste gaat. Ik geef het nu in jouw handen Maria. Het doet zo'n pijn om elkaar los te laten. Zorg je dat het niet te lang duurt. Ik bedoel, laat ons niet te lang alleen.” Het was niet simpel om dat te regelen. Maar het is gebeurd en ze zijn nu weer samen daarboven. Dat was het ontroerendste uit mijn loopbaan. Ik had er zelf ook zo'n deugd.

Je zit hier ook dag en nacht.
Ik zit hier niet alleen elke dag en nacht op wacht. Ik sta ook in vele van jullie huizen bij een kaarsje op de schouw. Zo zit ik nagenoeg in alle ziekenhuizen van bij ons. Ik herinner mij nog goed een zekere Klaas. Hij zat op afdeling psychiatrie. Hij was de uitgangscode te weten gekomen en was ontsnapt. Hij had geweldige zin om een jointje te roken. En vermits hier toch al zoveel kaarsjes staan te roken, dacht hij dat het wel niet zou opvallen. Maar dan hoorde ik iemand naderbij komen. Ja ze zochten hem van de afdeling. Gelukkig was het een vrijwilligster. Ze ging aan mijn voeten naast Klaas zitten. Wat hebben we toen alle drie gepraat. En dan zei Klaas tegen mij. Maria, wat ben ik blij dat je hier altijd op mij zit te wachten. Ze zeggen tegen mij Moeder-van-altijddurende-bijstand.


Dank je voor dit interview. Wil je de groeten doen aan je Zoon Jezus?
Als het lukt, want Hij is altijd in-altijddurende-vergadering. Hij is voortdurend met iederen begaan. Het meest met de broze, bedroefde en uitzicht zoekende mensen. Hij heeft niet veel tijd om te luisteren naar mijn groeten. Zeg ook maar aan de mensen in Zonnebeke dat ze steeds mij welkom zijn. Ik ben Zijn en hun moeder en ze mogen mij altijd durend storen.

woensdag 12 augustus 2015

Terugblik Leerhuis

Jesaja's Blijde Boodschap vandaag

Tijdens het afgelopen werkjaar kwamen overal in ons bisdom groepjes van het tweejaarlijks ingerichte 'Leerhuis' bijeen. Dat was ook het geval binnen
onze parochiefederatie in Zonnebeke. Dit jaar stond het in het teken van het Bijbelboek Jesaja. Zeven bijeenkomsten lang werden zeven teksten uit Jesaja besproken. De reeks begon in september 2014 met een gezamenlijke bijeenkomst in Centrum Groenhove te Torhout waar het boek Jesaja werd voorgesteld en de bisschop de deelnemers aan het Leerhuis op weg stuurde. Op 26 mei 2015 vond in de Godelievekerk te Roeselare een grote feestelijke slotbijeenkomst plaats, waar Hans Debel ter afsluiting een synthese presenteerde en het koor 'De Colores' vervolgens bij elk van de zeven beurten enkele passende liederen zong.

Hans Debel en Inge Cordemans

Tijdens de voorbije maanden hebben we dus in ons Leerhuis een hele weg afgelegd doorheen het omvangrijke boek op naam van de profeet Jesaja, waaraan tientallen schrijvers gedurende honderden jaren lang hebben gewerkt. Gaandeweg en niet zonder moeite, hebben we ons doorheen de rijkdom van deze profetische traditie in het Oude Testament geworsteld. Het is ook vanuit die overlevering dat de eerste christenen Jezus' woorden en daden hebben proberen te begrijpen. Ook Jezus maakte zich immers in naam van God kwaad om het onrecht dat Hij zag. Hij wilde ontredderde mensen nieuwe moed inspreken en gebruikte net zoals de profeten voor hem soms raadselachtige beeldspraak om de toekomst richting te geven. We mochten ons dan ook meteen uitgedaagd weten in ons christen-zijn vandaag.

Betrokken op de wereld
We lazen hoe een man zich geroepen wist door God, hoe hij het uitschreeuwde dat hij zichzelf niet waardig vond om Gods Woord te spreken, en hoe hij uiteindelijk dan toch zei: 'Hier ben ik, stuur mij'. Zo hebben mensen van alle tijden hun roeping ervaren. We voelen ons overdonderd en vragen ons af wat uitgerekend óns geschikt zou maken om in naam van God te spreken tot onze wereld. Die taak lijkt zo groot, zo omvangrijk, zo moeilijk dat we liever zouden willen dat een ander het doet. Kan God dan niet zélf rechtstreeks tot de wereld spreken? Zou Hij dan niet meer gehoor vinden? Doorheen ons getob groeit echter de overtuiging dat God zich in deze wereld slechts door mensen kan laten zien, en dus onze handen, onze voeten en onze stem nodig heeft. En dan fluisteren we aarzelend die zelfde woorden 'Hier ben ik, stuur mij' en trekken ondanks onze twijfels op weg om Gods Woord te verkondigen.

In de verkondiging van de oudtestamentische profeten komt twijfel slechts zelden voor. Onvermoeibaar klagen ze in niet mis te verstane bewoordingen het onrecht aan dat ze zien. Hoe is het mogelijk dat de leiders van het volk zich bezatten en feestvieren terwijl het recht onder hun ogen wordt verkracht? Woedend dreigt de profeet dat God het hele volk zal vernietigen als het op deze weg verder gaat. God verwacht immers zo veel van dit volk! In de beeldrijke taal van Jesaja is het volk God zo dierbaar als een wijngaard. Dat is zowat het meest kostbare bezit dat iemand in die tijd kon hebben. De wijngaard blijkt echter slechts rotte, stinkende druiven voort te brengen. Geen enkele wijngaardenier doet nog moeite voor een dergelijke wijngaard. Hoe kan dit volk dan verwachten dat God nog naar hen zal omzien? Het kan toch niet dat God een wereld wil waarin kinderen op straat liggen te sterven, onschuldigen worden gefolterd en gedood, of mensen omkomen terwijl ze op zee naar een beter bestaan zoeken! De profetische woede is geworteld in een diepmenselijk rechtvaardigheidsgevoel, maar ook in het besef dat geloven consequenties heeft voor de manier waarop we in de wereld staan. Een geloof dat niet actief betrokken is op de wereld en zich beperkt tot de voorgeschreven offers in de tempel, is een dood geloof. Even dood is het geloof dat zich zou beperken tot een fysieke aanwezigheid in de zondagseucharistie.

Het koor 'De Colores'

Hoop ondanks alles
Opeens echter verandert alles in het Oude Israël. Bij de inval van de Babyloniërs aan het begin van de zesde eeuw komt het koninkrijk ten val en begint de ballingschap. Het onvoorstelbare is werkelijkheid geworden. Alles waar dit volk in geloofde, komt op losse schroeven te staan. Sommigen zeggen dat het zijn verdiende loon heeft gekregen voor zijn wangedrag. Anderen schreeuwen wanhopig hun onmacht, ongeloof en verdriet uit en zien geen toekomst meer. Maar dan staan er opnieuw mensen op die weigeren te geloven dat dit het einde is. Ze zijn ervan overtuigd dat God het volk zal troosten en van daaruit de weg naar een nieuwe toekomst zal wijzen. Een toekomst die helemaal anders zal zijn dan het verleden. Dat geloof doet hen op een nieuwe manier tegen God zelf aankijken. En van daaruit gaan ze ook hun eigen roeping opnieuw begrijpen, als die van een volk dat de wereld deze liefdevolle God moet leren kennen.

Hadden wij ons ooit – twintig, dertig, veertig jaar geleden – kunnen voorstellen dat wat wij nu meemaken de toekomst van de Kerk zou zijn? In sommige parochiekerken komt nauwelijks nog iemand binnen. Bepaalde uitgeleefde structuren zijn hun ziel kwijt. Voor steeds meer mensen in onze samenleving is God dood. En ook nu zeggen sommigen dat de Kerk haar verdiende loon krijgt voor het kwaad dat zij in het verleden heeft aangericht, voor het geschonden vertrouwen, voor de onherstelbare schade die onschuldige kinderen is aangedaan. Dat alles vult ons met verdriet. Ons geloof wordt tot in zijn diepste fundamenten geraakt. We zien het niet echt meer zitten en we durven niet langer te vertrouwen op wat komen zal. Weemoedig denken we aan wat voorbij is. Soms wensen we heimelijk dat het weer wordt als vroeger. Moeten ook wij niet ophouden met te kijken naar het verleden en durven vooruitblikken naar een toekomst waarin we getroost zullen worden? Misschien moeten ook wij op zoek gaan naar de stem die roept: 'Baan voor de Heer een weg door de woestijn'. En misschien moeten ook wij ons gaan afvragen of God niet anders is dan we eeuwenlang gedacht hebben, anders, maar zeker niet dood! Geloven wij immers niet in een levende God die ook ons nog steeds roept om uit te zien naar een toekomst waarin verslagen harten nieuwe hoop krijgen, aan armen blij nieuws wordt gemeld, en iedereen die treurt wordt getroost? Het is dezelfde 'blijde boodschap', het evangelie waarover we in het boek Jesaja lezen.

We beseffen echter maar al te goed hoe moeilijk het is om vanuit een dergelijk vertrouwen te leven wanneer we ons in de steek gelaten voelen en er geen einde lijkt te komen aan de ballingschap. Het is moeilijk om in God te blijven geloven in een wereld die zich niet om God lijkt te bekommeren. Wanneer je omwille van Hem scheef bekeken en verguisd wordt. Net daarom voert de profeet een nieuwe figuur ten tonele: een 'anonieme dienaar' in wie God vreugde vindt. In die 'lijdende dienaar' kan het volk zichzelf herkennen, want ook hij denkt dat het allemaal tevergeefs is geweest en dat hij zijn krachten voor niets heeft gebruikt. Uitgerekend die dienaar wordt opnieuw geroepen om Gods liefde aan de wereld te laten zien. Hij verzet zich niet. Hij stelt zijn rug bloot aan zijn folteraars en biedt zijn wangen aan wanneer ze hem de baard uitrukken. Hij, een schijnbaar onopvallend figuur, weet zich geroepen om moedelozen op te beuren, om zich geweldloos te blijven verzetten en zo recht te verschaffen aan velen, ook als hij zichzelf daarvoor moet vernederen. Door de eeuwen heen hebben zo vele mensen zich met deze dienaar vereenzelvigd door zich radicaal in te zetten voor het goed van anderen en de gevolgen van die keuze te dragen. Ongetwijfeld heeft ook Jezus zelf zijn leven zo beleefd als een totale dienstbaarheid aan kwetsbare mensen, zelfs als Hij daarvoor de dood van een slaaf moest sterven.

Een droom die richting geeft
Toen een terugkeer naar het eigen land eindelijk mogelijk werd, botsten hun hoopvolle verwachtingen over een nieuwe toekomst meteen op de weerbarstige realiteit. Maar veeleer dan zich daardoor te laten ontmoedigen, werd de profetische stem daarop nog krachtiger en hoopvoller, tot ze haast wel utopisch klonk: 'Er zal geen geween of geklaag meer zijn, geen zuigeling zal de honderd jaar niet halen, de wolf en het lam zullen samen eten, niemand zal nog kwaad doen'. Een dergelijke toekomst klinkt ongelooflijk, en toch is zij geen verre fantasie. Het is integendeel een droom om vanuit te leven, een kompas waarop mensen zich kunnen oriënteren, een uitnodiging om te streven naar wat ondenkbaar lijkt. Daaruit kan veel goeds voortkomen. Zo wijst het profetische visioen ons een richting naar de toekomst.

Misschien is dat wel waar onze Kerk tegenwoordig het meeste nood aan heeft. De durf om dit soort dromen uit te spreken. Zoals tientallen schrijvers het boek Jesaja door de eeuwen heen hebben voortgeschreven, zo worden ook wij persoonlijk uitgenodigd om in het spoor van Jesaja te treden en zelf verkondigers van Gods Woord te worden. Mensen die zich kunnen opwinden over het onrecht dat zij zien, die troost bieden aan wie ontmoedigd is, die durven dromen van een nieuwe toekomst voor deze wereld en voor onze Kerk. Mensen die op weg trekken om die toekomst te helpen waarmaken, net als ook Jezus het heeft gedaan. Als we immers geloven dat Gods Woord een 'blijde boodschap' is die vreugde schenkt, dan kunnen we niet anders dan die vreugde van het evangelie met anderen te willen delen.

zondag 9 augustus 2015

Mystiek

Als geloven een ervaring wordt

Op een diocesane bezinningsdag van Adem-Tocht op maandag 11 mei in Centrum Groenhove, Torhout kwamen een 220 mensen bijeen om te luisteren naar E.P. Klaas Blijlevens. Hij had het over “Als geloven een ervaring wordt - mystici wijzen ons de weg”. Geen evident onderwerp en ook geen vakantielectuur, maar zei de bekende Duitse theoloog Karl Rahner niet dat “de 21ste eeuw zal mystiek zijn of niet”. Wie zijn die Adem-tochters en wat drijft hen?


Even voorstellen
'Adem-Tocht', voorheen 'Gulden Leeftijd', is een christelijk-gelovige spiritualiteitsbeweging voor 60-plussers, opgericht in 1962 in Frankrijk als 'Vie Montante'. In ons bisdom zijn liefst 78 actieve groepen maar (nog) niet in Zonnebeke. Levens- en zinvragen klinken na het pensioen indringender dan ooit. Hoe beleven 60-plussers het ouder worden? Hoe geven ze relaties gestalte? In wie en waarin geloven ze en welke bronnen boren ze aan? Hoe staan ze als christenen tegenover maatschappelijke uitdagingen en ethische vragen, tegenover Kerk, tegenover andere culturen en levensbeschouwingen? Welke keuzes maken ze? Niet alleen door kinderen en kleinkinderen maar ook vanuit de media worden ze voortdurend geconfronteerd met de verscheidenheid in de samenleving.

In hun maandelijkse bijeenkomsten luisteren 60-plussers naar elkaar en delen ze hun zoeken, hun inzichten en ervaringen, in respect voor elkaars aanvoelen en overtuiging. De thema's worden gesuggereerd door de mensen zelf en uitgewerkt aangereikt in het tweemaandelijkse tijdschrift 'Adem-Tocht', vroeger 'Gulden Parel'. Geen enkel thema wordt geschuwd of uit de weg gegaan. De website biedt bijkomende lectuur, suggesties voor het gesprek en materiaal voor een afsluitend gebedsmoment. Als mensen elkaar regelmatig ontmoeten en met elkaar spreken over wat in hen omgaat, ontstaat er een klimaat van vertrouwen en vriendschap. Vanuit hun overtuiging zetten deze mensen zich in voor hun familie, een project, hun straat, wijk, parochie ... Ze nemen het ook voor elkaar op. Ze voelen zich verbonden met elkaar. Ze leven met elkaar mee en ze zijn bekommerd om elkaars welzijn. In Adem-Tocht vinden ze steun voor hun engagement binnen en buiten de groep.


Wat is nu mystiek?

Pater Klaas nam een lange aanloop met een begrippenkader waarin hij het onderwerp 'mystiek' glashelder plaatste. We kennen allemaal nog onze oude catechismus van vroeger. Die had het in vraag-en-antwoordvorm in drie delen over de geloofsbelijdenis (wat we geloven), de genademiddelen (of de sacramenten die we vieren binnen de liturgie) en de moraal (hoe we vanuit dit alles dienstbaar kunnen zijn). De nieuwe Catechismus van de Katholieke Kerk (1995) volgt, iets anders verwoordt, dezelfde indeling en voegt er een vierde deel aan toe: het christelijk gebed als voedingsbron. Uit die bron of de Geest zelf vloeide het geschreven woord van het evangelie, alle vormen van spiritualiteit en de mystiek. Zo heeft dat evangelie de laatste 2000 jaar heel wat mensen aangesproken. In de specifieke, historische context waarin ze leefden, hebben mensen naar manieren gezocht om evangelisch te leven. Dat noemen wij christelijke spiritualiteit. We denken dan bijvoorbeeld aan de woestijnvaders, aan figuren als Augustinus, Benedictus, Dominicus, Franciscus, Ignatius van Loloya en vele anderen.

Mystiek is 'van godswege' de zekere, buitengewone, geleefde en beleefde ervaring dat heel dat begrippenkader 'waar' is. Dat alles wat ik als gelovige belijdt, vier en doe, geheel en al klopt zonder de minste zweem van gelovige twijfel. En dat is verre van iedereen gegeven. Het is een ervaring van Gods tegenwoordigheid die menselijk gezien niet op te wekken is. Ze gebeurt op initiatief van God zelf. Hij maakt de mysticus. Hij raakt hem of haar aan. Het is best aannemelijk dat het sterven sowieso gepaard gaat met een mystieke ervaring. Alles wat ons van God scheidt, het materiële, het lichamelijke laten we dan node los en zo komen we dan voor het aanschijn van God te staan. De mysticus kan zoiets bij leven al beleven.

De mystiek begaafde Amerikaans-Franse auteur Julien Green (1900-1998) beschrijft het zo:

“Ik ondervond toen plots zo'n diepe vreugde dat geen woorden het adequaat kunnen beschrijven. Ik bleef staan, ten prooi aan dat geheimenisvolle geluk waarover verder niets te zeggen valt. Ik had het gevoel dat heel zacht een venster voor mij geopend werd. Wellicht zoals wanneer men gaat sterven en het lichaam ophoudt te lijden, terwijl de ziel zich bevindt op de drempel van de nacht. Staande voor dit schouwspel wordt alles wat deel uitmaakt van ons dagelijks leven onbeduidend. Het bijkomstige wordt immers onzichtbaar in de nacht.”

En toch hoeft de niet-mystiek begenadigde gelovige niet jaloers te zijn op de mysticus. Beiden beleven ze hetzelfde geheim, bijvoorbeeld dat van de eucharistie. Beiden leven ze in diepe verbondenheid met de Vader, dank zij Jezus Christus en in de kracht van de Heilige Geest kunnen beiden God loven en danken. Maar de mysticus mag deze relatie met de Drie-ene God direct en bewust beleven. De gewone gelovige daarentegen zal altijd blijvend nood hebben aan 'bemiddelingen' en 'bemiddelaars'. Hij vindt ze in de sacramenten en andere tekens door middel van de priester en de diaken.

In het verwoorden van hun ervaringen kunnen mystieke auteurs ons helpen om de diepte en de grootheid van het gewone gelovige bestaan als christenmens te herontdekken, met name het beleven van de diepe verbondenheid met Christus. God roept ons allen tot heiligheid en het is niet omdat velen niet 'heiligverklaard' worden, dat ze het niet zijn. Veel diep gelovige mensen zijn mystiek begenadigd, of ze hebben flitsen van mystieke vervoering, vroeger en nu. Toch zijn er onder ons die God roept tot een bijzondere vriendschap. De middeleeuwse mysticus Ruusbroec spreekt in dit verband van dienaren, vrienden en zonen. Het verschil tussen hen is niet dat zij telkens een andere roeping zouden hebben, maar ieder beleeft dezelfde roeping op een eigen wijze.