Er
is een vreemds aan de gang in onze samenleving. Enerzijds zijn ziekte
en dood uit het dagelijkse leven gebannen richting woonzorgcentra en
ziekenhuizen. Anderzijds lopen we storm voor emotionele rouwdiensten
en hebben we de mond vol over hoe we willen sterven. We lijken wel
gefascineerd door de 'goede
dood'
en in dat maatschappelijk spreken lijkt euthanasie
een
evidentie geworden. Het is op korte tijd voor heelwat mensen
geruisloos het prototype geworden van die mooie dood. Over euthanasie
en over het omgaan met de vraag ernaar in de pastoraal had een
studiedag plaats op maandag
2 maart in
'De
Lovie' in
Proven. Priester
Philippe Hallein
gaf de inleiding, ziekenhuispastor
Miguel Dehondt
(Jan Ypermanziekenhuis) en Marian
Vanacker
(Psychiatrisch ziekenhuis Heilig Hart) in Ieper getuigden vanuit de
praktijk. Enkele beschouwingen ...
Euthanasie
vragen is in België sinds 2002 een wettelijk erkend recht waarbij
een zieke onder welomschreven voorwaarden - zoals o.m. een medisch
uitzichtloze situatie, aanhoudend lichamelijk en/of psychisch lijden
- kan verzoeken om levensbeëindiging met de hulp van een arts. Men
kan ook zijn wil over het levenseinde uitdrukken in een
wilsverklaring die eveneens aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
Geregeld duiken pleidooien op voor uitbreiding van de
euthanasieregeling naar andere groepen zoals naar wilsbekwame
minderjarigen (wat in 2014 werd gestemd en veel kritiek wereldwijd
opleverde), of naar dementerenden, of naar niet behandelbare
geïnterneerden of gewoon naar ouderen die hun leven als voltooid
ervaren en het mooi willen afsluiten.
Feitelijk
neemt het aantal euthanasiegevallen toe. In 2013 werden in België
3239 gevallen van euthanasie geregistreerd. In 73% van de gevallen
ging het om kankerpatiënten, in 87% om patiënten die 'kennelijk
binnen afzienbare tijd zouden sterven'. Slechts een kleine minderheid
(13%) betrof mensen die nog een lange levensverwachting hadden . 61%
van de patiënten die in 2013 euthanasie kregen was ouder dan 70.
Merkwaardig is echter dat - zoals uit onderzoek blijkt - de meeste
mensen die over euthanasie spreken, zich uiteindelijk niet laten
euthanaseren.
Achter
dat nogal vlotjes vragen naar het verlossende spuitje blijken diepe
angsten en zinvragen schuil te gaan. In het spreken over euthanasie
zit maar al te dikwijls een vraag om het eigen levenseinde
bespreekbaar te maken. Er is de angst voor nutteloze therapieën of
voor pijn en verstikking. Er is de twijfel of men het wel zal
aankunnen de hele weg ten einde te gaan. Het verlangen gespaard te
worden voor lijden is van alle tijden. Als de arts kan informeren hoe
die ongemakken medisch verholpen kunnen worden, verdwijnt vaak de
onrust. Dan komt er weer openheid voor wat er nog aan kleine mooie
dingen te beleven valt. Maar naast de louter medische zorg blijft in
die beklemmende momenten ook menselijke nabijheid en deskundige
ondersteuning broodnodig. Zowel in thuissituaties als op palliatieve
diensten merk je de weldoende invloed van die zorgende en
respectvolle aanwezigheid.
De
vraag naar euthanasie gaat vandaag echter verder dan alleen maar in
situaties van ondraaglijk lichamelijk lijden bij terminale patiënten.
Mensen zijn ook bang voor de aftakeling die de ouderdom zou kunnen
meebrengen. Ze willen niet afhankelijk worden van anderen of zijn
bang hun geliefden tot last te zijn. 'Dat is toch geen leven meer',
klinkt het dan. Maar welk beeld van mens-zijn en van zinvol leven
schuilt daarachter? Waarom hebben velen het zo moeilijk om anderen
nodig te hebben? Is heel ons bestaan niet verweven met dat van
anderen? Hebben ze dan zelf niet vaak met heel veel genegenheid en
toewijding voor anderen zorg gedragen? Waarom laten ze niet toe dat
anderen dat ook voor hen willen doen? Is het zo moeilijk om te
ontvangen?
Steeds
vaker hoor je de vraag naar euthanasie ook bij mensen die levensmoe
zijn, mensen die zichzelf als het ware overleven. Ze horen er niet
meer bij, hebben niets meer te verwachten van het leven. Ze kwijnen
weg in een eentonig en eenzaam bestaan, thuis of in een
woonzorgcentrum. Hun betekenis lijkt verengd tot een zorglast en een
zorgkost. Heeft onze samenleving geen ander antwoord op die
levensmoeheid dan de zachte dood? Deze vraag wordt nog schrijnender
bij dementerenden. Een man werd aangesproken op het feit dat hij zijn
dementerende echtgenote dagelijks ging bezoeken. Het kostte hem
moeite, ja. Hij moest daarvoor ook een en ander opofferen. 'Je moet
dat niet zo vaak doen', raadde men hem welwillend aan. 'Zij kent je
toch niet'. 'Dat is waar', antwoordde hij, 'maar ik ken haar wel'!
Maakt zo'n antwoord niet duidelijk dat ons bestaan zijn betekenis
mede ontleent aan de koestering, de erkenning en de waardering van de
andere? Mogen we niet geloven dat elke mens ook zo ten diepste door
God gekend en bemind is?
Achter
al die bekommernissen schuilt de vraag naar wat zinvol leven is, naar
de zin van het lijden, naar je betekenis als mens. Durven en kunnen
we doorstoten naar die diepste diepte van ons bestaan? Soms is
sterven een kortstondig moment maar meestal is het een min of meer
langdurig proces. Het is een stukje leven dat nog iets waardevols kan
toevoegen aan wie je bent. Het kan zelfs nog een ander mens van je
maken. Het kan verzoening en vergeving bewerken. Het kan je helpen om
het levengevende woord te spreken waarvan wie achterblijft nadien kan
leven. Het kan je leven vervullen. Deze kijk op sterven staat haaks
op de wens of de praktijk om het sterven te bewerken of te
versnellen. Vaak is de motor achter de aanhoudende euthanasievraag
het verlangen om de regie over het eigen leven te behouden en het
zelfbeeld overeind te houden. Het vraagt inderdaad moed om de
confrontatie met beperkingen en onmacht aan te gaan. Het is niet
evident om midden vele verlieservaringen nog een weg naar
levensvervulling te ontdekken. Dat vraagt tijd. Dat vraagt ook steun
en nabijheid van je omgeving. Dat vraagt soms ook geloof.
Merk
op dat in het woord om-geving de term geven
besloten ligt. Sterven is de levensfase bij uitstek waar je kan
ontdekken wat je in het leven allemaal 'gegeven' is. Ze kan je laten
ervaren dat je niet alles in handen hebt, dat je niet almachtig bent
maar dat dit ook niet nodig is. Ze kan je immers ook laten ontdekken
dat je betekenis verder reikt dan je eigen levensproject, dat je
waardevol en geliefd bent om wie je bent, zomaar, ook in je
kwetsbaarheid en hulpbehoevendheid. Kan je je aan die verbinding met
je omgeving toevertrouwen? Of kies je ervoor om in de euthanasie toch
je autonomie door te drukken onder het motto 'het is toch mijn
leven'? Besef je dan dat de eenzijdige klemtoon op je eigen autonomie
een inbreuk kan zijn op de autonomie van je omgeving? Als je
euthanasie krijgt, is jouw probleem wel opgelost, maar voor de
geliefden die achterblijven is het soms moeilijk om weer voluit aan
te knopen bij het leven. Sterven is ook een appel aan de omgeving.
Kan en wil de omgeving de duistere weg van het laatste lijden meegaan
of wordt haar roep om het sterven te doen vooruitgaan zo dwingend dat
aan de stervende zijn eigen parcours ontzegd wordt? Kunnen stervende
en omgeving elkaar in onmacht nabij zijn, geduldig en warm? Kunnen ze
elkaars hand vasthouden? Er is ook een werkelijkheid die je eigen
leven en sterven overstijgt en waarin je een kleine maar niet
anonieme schakel bent. Voor wie gelooft, is die dragende grond van je
bestaan Iemand die tot je zegt: 'Vrees niet, Ik ben er'.
Sterven
is triest. Sterven doet pijn. Lijden op zich is niet zinvol en moet
zoveel mogelijk verlicht worden. Maar er is ook veel menswaardigheid
in het lijden als het samen gedragen wordt, als mensen elkaar nabij
zijn, ook als ze niets meer kunnen doen. Als je het hebt meegemaakt
kun je daarover niet zwijgen. Op
de weg door het lijden keek Jezus uit naar de steun van zijn
vrienden:
'Waak en bid hier met mij'.
Hij riep ook om de trouw van zijn Vader: 'Waarom
heb je mij verlaten?'
Misschien moeten wij de kracht herontdekken van het waken en bidden
bij de stervende mens.


