De
Eerste Communie is reeds decennia lang een sterk verankerd,
collectief, religieus geïnspireerd overgangsritueel geworden in onze
dorpen. In de beleving van jonge ouders lijkt het dan ook steeds zo
te zijn gegaan. Op nogal wat plaatsen wordt geëxperimenteerd met de
invulling van dit sacrament onder het mom dat het inhoudelijk zijn
doel voorbijschiet. Terecht of niet?
Het
is pas een eeuw geleden, dat paus Pius X vond dat kinderen mee naar
de communie mochten gaan, zodra ze bewust het onderscheid konden
maken tussen een gewoon stukje brood en een hostie. Voordien viel dat
samen met het Vormsel. De
kinderen, die hij voor ogen had, kwamen met hun ouders mee naar de
mis. Maar zo heb je er bijna geen meer. In die zin schiet de Eerste
Communie een eerste keer z’n doel voorbij.
Tien
extra bezoekers, dat levert een gemiddelde eerste communicant op.
Geen wonder dat de kerken tussen Pasen en Pinksteren nog een keer
ouderwets vol durven te zitten. Goede reclame, zou je denken, maar
binnen de Kerk is niet iedereen daar even blij mee. Er schort iets
aan de beleving. De viering heeft meer weg van een parade, een
veredeld schoolfeestje dan van een eucharistie.
Heeft
iemand daar dan last van? Ja, die al even zeldzaam geworden gelovigen
voor wie de kerk meer is dan de plek waar je alleen op de grote
momenten van je leven komt. Maar als zij dan als trouwe kerkgangers
thuis blijven – wat meestal gebeurt – schiet de Eerste Communie
een tweede keer haar doel voorbij. Want in die viering hoort de
geloofsgemeenschap als geheel het kind binnen de kring op te nemen.
Het lijken wel twee compleet van elkaar gescheiden werelden.
Terug
naar af
Op
sommige plaatsen is de Eerste Communie geen massagebeuren meer. De
communicanten worden er gespreid over de zondagen tussen Pasen en
Pinksteren. Het houdt veel meer steek als de Eerste Communie gegeven
wordt tijdens een gewone eucharistieviering, zeggen ze. Eentje met
een feestelijk accent voor de communicanten, dat wel. Ze doen hun
blijde intrede, lezen de voorbeden en brengen de offergaven naar het
altaar. En ze gaan als gezin ter communie, en zo hebben ze zich ook
voorbereid.
In
Franstalig België proberen ze Eerste Communie en Vormsel weer bij
elkaar te brengen. En dan wordt de Eerste Communie de uitzondering
die de regel bevestigt voor de praktiserende katholieken. Die mogen
dan net als vroeger aangeven wanneer hun kinderen er klaar voor zijn,
en dan samen met hen een eerste keer ter communie gaan op een zondag
naar keuze. Daar zijn geen toneeltjes of kinderliedjes bij nodig. Op
die manier lijk je tegemoet te komen aan de verzuchtingen van het
traditionele, zondagse publiek.
Stekeblind
Toch
ben je dan weer stekeblind voor enkele harde feiten. Je moet geen
geschoolde socioloog zijn om te beseffen, dat deze kerkgangers er
binnen tien jaar niet meer zullen zijn. De secularisatie is nog niet
over haar dieptepunt heen en de vergrijzing kent verder geen genade.
Wekelijkse eucharistievieringen in elke parochiekerk voor een handvol
mensen zijn binnenkort niet meer te verantwoorden of te organiseren.
Morrelen aan het huidige systeem van Eerste Communie- of
Vormselvieringen – hoe onvolkomen ook – is uit den boze. Het is
veeleer een goedbedoelde truc om de uitdovende zondagspatrijk op te
schonen. De ‘oude tijden’ komen daarmee niet terug. Het is op
termijn nog meer letterlijk dan figuurlijk het kind met het badwater
weggooien. In onze federatie waar in Beselare, Geluveld, Passendale
en Zonnebeke de schoolpastoraal in het algemeen hoog in het vaandel
staat en bloeit zou dat ‘doodzonde’ zijn.
Godsgeschenk
We
hoeven ons helemaal niet te schamen voor die zogezegd
‘onverschillige’ ouders, die nauwelijks of nooit naar de kerk
gaan en toch hun kinderen hun eerste of plechtige communie laten
doen. En al zeker niet bij eerste-communicantjes. Integendeel, het is
een verdienste. Die kinderen geloven vaak heel oprecht en willen
meestal ook zelf ‘écht’ graag hun communie doen. Ouders willen
hun kind dat ook van harte gunnen, zelfs al geloven ze niet. Ze zien
het dan eerder als een mooie, zinvolle traditie, als een
familiefeest. Jonge kinderen hebben nog geen vooroordelen tegenover
religie. Ze krijgen in de godsdienstles vooral mooie verhalen te
horen en dat spreekt hen erg aan. Begrijpelijk dat ze evenzeer
bekoord worden door het bijbehorend feest en de leuke cadeautjes.
Maar alles lijkt nog in balans.
Gelovig
of niet-gelovig zijn ook termen die vandaag vele ladingen dekken.
Vroeger was het simpel. Je had enkel gelovigen en niet-gelovigen.
Geloven is zeer verscheiden geworden. Mensen die er dagelijks van
leven, gelovigen die niet praktiseren, ongelovigen die niet daarom
nog niet per se atheïstisch zijn en mensen die ruim denken en die
van de rituelen houden. We moeten dus voorzichtig zijn met een
oordeel, want we kunnen niet in de harten van de mensen kijken en
schijn bedriegt nog al eens.
Er
zijn natuurlijk her en der verhalen genoeg bekend van ouders die bij
de inschrijving voor een communie een reprimande krijgen van meneer
pastoor omdat ze nooit naar de kerk gaan. Of die tijdens de viering
zelf nog eens door catechisten uit pure frustratie een veeg uit de
pan krijgen. Beter is de tijdsgeest en de mens te aanvaarden zoals
hij zich voordoet als een godsgeschenk om mee an de slag te gaan.
Goddank dat ze zich met welke motieven dan ook nog aanmelden. Echt
onverschillig kun je dat niet noemen.
Zaaien niet maaien
De
gegeven kansen dus dankbaar te baat te nemen en te werk te gaan zoals
de Zaaier. We planten Gods woord als zaadjes. De meeste gaan zoals in
de parabel verloren maar sommige groeien uiteindelijk toch uit tot
een mooi plantje. Dat jeugdig groen behandelen als door ons te
maaien, te oogsten kasplantjes is geen optie. Dat werkt verstikkend
en het verleden heeft voldoende aangetoond hoe contra-productief of
hoe averechts dit kan werken. Geloof is niet voor niets een ‘gave
van de Geest’. Hij weet wat Hij wil en nog meer wat hij doet.
Switch
Eerste-communicantjes
vragen vaak zelf om hun communie te mogen doen, want ze willen graag
‘vriendjes zijn met Jezus’. Bij vormelingen ligt dat al wat
moeilijker. Een twaalfjarige is sowieso al een stuk kritischer. Aan
jonge kinderen wordt het geloof vooral verhalend door gegeven. Jezus
die wonderen verricht of die vissen en brood vermenigvuldigt. Een
deel van de kinderen voelt tegen het vijfde leerjaar al aan dat er
iets niet klopt en maken langzaamaan een switch.
Die
verhalen zijn vooral een manier om Jezus’ woorden kracht bij te
zetten en uit te leggen dat Hij een erg belangrijk iemand was. Uit
onderzoek blijkt dat kinderen van het vijfde en zesde leerjaar –
mits begeleiding – wel degelijk in staat zijn om die verhalen op
een eerder ‘volwassen’ manier naar waarde te schatten. We mogen
ze op dat vlak dus niet onderschatten want anders voelen ze zich soms
echt voorgelogen en gooien ze de eerste jaren van het middelbaar hun
geloof zelfs vaak helemaal overboord. En dat was toch de bedoeling
niet.
