Pagina's

Posts tonen met het label Goede Week. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Goede Week. Alle posts tonen

donderdag 5 april 2018

Passietocht



Op Goede Vrijdag 30 maart om 20.00 u. ging de zevende editie in Ieper van start. Een regeneditie dit keer in de Sint-Pieters- en de Sint-Jacobskerk met een korte passage over de vestingen. Maar daarom niet minder mooi of ingetogen. Voor de vierde keer nam Mieke Vanheule (30) het kruis op. In het dagelijks leven is de Ieperse Jezus beleidsmedewerker in het Jan Ypermanziekenhuis en moeder van twee jonge kinderen.

Een vrouw in de rol van Jezus?
“We spelen geen toneel, hé. We willen niet zozeer qua uiterlijk een geloofwaardige figuur neerzetten. Dan had de organisatie een man met Palestijns uiterlijk nodig. Het gaat om het verhaal erachter. Dat proberen we door te trekken naar de samenleving vandaag. Hoe zouden mensen vandaag reageren op de veroordeling en kruisiging van Jezus? Hoe gaan zij om met hun twijfels en hoop?” verduidelijkt Mieke heel terecht.


Tijdens het gebeuren krijgen de deelnemers scènes uit het lijdensverhaal te zien en te horen. Er wordt samen gezongen en gebeden. Onderweg met fakkels krijgen ze ook vragen die tot nadenken stemmen. Onaangekondigd maar uiteraard niet onopgemerkt was de aanwezigheid van bisschop Lode Aerts. Samen met de vertegenwoordigers van de verschillende christelijke kerken in Ieper (katholieken, protestanten, anglicanen en de evangelische kerk) ging hij voor in de gebedsmomenten.

Een foto-impressie van dit bijzonder ontroerend evenement kun je hieronder bekijken en beluisteren op de tonen van een wondermooi gezongen Psalm 22 ‘God, mijn God, waarom helpt Gij mij niet?’





woensdag 28 maart 2018

De gezindheid van Jezus



Op woensdag 21 maart nam onze bisschop Mgr. Lode Aerts – in de kapel van de zusters karmelietessen in Vlamertinge – ons bij wijze van decanale vastenbezinning mee in een reflectie over ‘de gezindheid van Jezus’. Dat deed hij aan de hand van een heel mooie passage uit één van de brieven van Paulus, namelijk Fil. 2,6-11, beter gekend als de ‘Filippenzen- of Christushymne’. Hierbij een verwerking.

We staan hier stil bij een van de oudste teksten over Jezus uit een brief van Paulus aan de christenen van Filippi. Daarin lezen we een lofzang, een soort credo avant-la-lettre. Deze passage is voor sommigen wellicht geen onbekende tekst, want ze wordt ieder jaar opnieuw op Palmzondag gelezen, vlak voordat het Passieverhaal wordt voorgedragen. Ze dringt werkelijk door tot de kern van het hele Goede Weekgebeuren. Daarin roept de apostel ons op de gezindheid van Jezus ook tot de onze te maken.

Christus eren in mekaar
De tekst wordt ingeleid met een oproep tot eenheid in de liefde, door eensgezindheid in voelen en denken, samenhorigheid, gemeenschap van Geest, samengevat de gezindheid van Jezus Christus zelf. (Fil 2,1-5). Paulus drukt de gelovigen – en meteen ook ons – op het hart elkaar graag te zien, niet toe te geven aan ijdelheid of eigenbelang, de ander altijd wat hoger te achten dan zichzelf. Christus spreekt tot ons vanuit onze diverse kwaliteiten. Al die positieve eigenschappen – charisma's – mogen we vanuit Hem bij elkaar waarderen. Als we al die gegeven positiviteit dan nog eens samenvoegen, elkaar aanvaarden zoals we zijn, worden we één en komen we beduidend sterker voor de dag dan anders.

Dat is geen kwestie van moraal (doen omdat het zo moet) maar van ethiek die voortkomt uit mystiek (éénwording), dixit Kardinaal Danneels. Hoe eensgezinder we zijn hoe meer Jezus in ons tot leven komt en wij in hem. Dat geldt evenzeer in een relatie, werk-, verenigings- of pastoraal verband. Zo komen we tot de (eens-)gezindheid van Jezus zelf. Daarmee eren en loven we Hem ook in ons gezamenlijk handelen.

De gezindheid – zijn manier van zijn en bestaan of mindset – van Jezus wordt verder vertolkt in voornoemde filippenzenhymne. (Fil 2,6-11) We vinden ze trouwens in varianten tot tweemaal toe in ons zangboek Zingt Jubilate (364 en 382).

[6] Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn.
[7] Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden.
[8] En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis.
[9] Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat,
[10] opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
[11] en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer dat is Jezus Christus.



Het lied beschrijft als het ware een kosmische reis – heen en terug – een duikvlucht vanuit de hoge hemel naar de diepste diepte en dan weer steil omhoog, want zover reikt Gods liefde in wie Hij is. Wie iemand liefheeft, die blijft ook niet passief zitten maar wil naar zijn geliefde toe en wil hem of haar voor zich winnen. Daarom is God in Jezus mens geworden en is Hij onder ons komen wonen.

Hij heeft niet genoeg aan zichzelf en is niet zelfzuchtig. Hij trekt geen muren op. Kerkvader Augustinus (354-430) verwoordt het mooi en helder in deze zin: “Wie begint lief te hebben, begint uit zichzelf te treden”. Zo is God en in Jezus komt Hij naar ons toe. Paus Benedictus XVI schrijft dat God zich in Jezus buiten haakjes zet om onder ons als mensen te kunnen zijn. Hij cijfert zich dus weg zoals ook ouders dat doen voor hun kinderen. Want wie teveel op zijn strepen gaat staan komt gemakkelijk tot onverschil.

Voor de fijnproevers: Adam maakt in het scheppingsverhaal precies de omgekeerde beweging van Jezus en denkt hetzelfde te kunnen bereiken: één te worden met God. Hij laat zich door de ‘slang’ in de (zonde)val strikken en wil slechts uit pure, aangewakkerde ik-zucht aan God gelijk worden. Een ander beeld van hoe Jezus zich geeft is dat van van de rivier de Jordaan. Die van het visrijke meer van Genesareth (Galilea) zuidwaarts voorbij Jeruzalem afwatert naar de Dode Zee, het laagst gelegen meer ter wereld waar alle leven ophoudt. Geven maakt gelukkig, tot in de dood zelf. Dat is ook de paradox van de liefde.

Waarom en hoever Jezus wil gaan in dat geven of ‘zichzelf ontledigen’, schrijft dezelfde Paulus in hoofdstuk 8 vers 9 in de tweede brief aan de Korinthiërs : “Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.” Het is meteen menens want Hij wordt geboren in een stal in een uithoek van het Romeinse rijk. Alleen enkele herders zijn er in de marge getuige van.

Erfzonde
Meer nog: ‘Hij neemt de gestalte aan van een slaaf.’ Paulus verbindt slavernij vaak met zondigheid, onvrijheid of verslaving, het onderworpen zijn aan het kwaad. Het kwaad is in Satan een duivelse kracht. Het komt niet alleen uit onszelf, kan ons gaandeweg overmeesteren en ons meesleuren in een spiraal van geweld.

De Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) schreef ooit dat de erfzonde de enige christelijke geloofswaarheid was die zich empirisch laat bewijzen. Om de geneigdheid van de mens tot het kwade te zien – ondanks al zijn pogingen om het goede te doen – hoef je maar om je heen te kijken. De bewijzen hiervan zijn legio en onomstotelijk. Je kan kiezen uit een enorme hoeveelheid beschrijvingen door overlevenden van de vernietigingskampen van de nazi’s, van Stalins goelag en van de talloze imitaties hiervan in onze wereld tot op de dag van vandaag. Of, gewoon met de apostel Paulus, in je eigen hart gaan kijken: “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Jezus, de enige mens, die zonder zonde is verwerpt dan wel de zonde maar nooit de zondaar zelf.


(Aan de voeten van de gekruisigde - Jaap Schruers)
God lijdt met ons
Meer nog: Hij gaat zelfs zover dat hij zich in gehoorzaamheid – uit vrije wil – vernedert tot de marteldood aan het kruis. Gruwelijk als die was en boosaardig gericht op het eindeloos rekken van het lijden was dergelijke vorm van executie een ondenkbaar, onuitsprekelijk vonnis voor elke Romeinse – wat meer mens dan een andere – burger. Een straf, enkel voorbehouden voor slaven, vreemdelingen, gepeupel of godloochenaars in de ogen van de toenmalige religieuze leiders. Maar God blijft in Jezus, mensen – wat ze ook tot hun eigen schande gedaan hebben – nabij tot in hun diepste ellende, lijdt zelfs fysiek met hen mee en beantwoordt het minste greintje berouw met zijn liefde.

Kerkvader Origenes (185-254) schrijft daarover: “Beseft gij niet dat wanneer God zich inlaat met de avonturen van de mensen, Hij dan ook menselijk lijden aanvoelt. De Heer uw God droeg u zoals iemand zijn kinderen. God neemt onze manier van leven in de wereld op zich, juist als Jezus ons leven op zich neemt. God is echt niet ongevoelig. Als we tot Hem bidden heeft hij altijd mededogen. Hij lijdt met ons mee.”

Gods liefde gaat alles te boven
Met deze hymne wil Paulus ons binnenvoeren in het mysterie van Jezus Christus. Jezus hoort tot de wereld van het goddelijke, maar Hij laat zich daarop niet voorstaan. Hij stelt zich juist dienstbaar op, als een slaaf, en aanvaardt in alle vrijheid het ergste lijden en een vreselijke dood. Het is een extreem bewijs van trouw en het toppunt van liefde, als je dit allemaal voor God, voor het volk en voor de hele mensheid overhebt.

Omdat God zelf de bron van alle liefde is, heeft Hij Hem hoog verheven en heeft Hij zijn naam aan Jezus’ naam verbonden. In bijbelse taal betekent dat de hoogst denkbare plaats en waardigheid. Met verwijzing naar Jesaja 45, 23 wordt Hem nu alle eer toegeschreven in de hemel en op aarde en zelfs daaronder. Hem wordt een naam gegeven die boven alle namen is: ‘Jezus Christus is de Heer’. Wie dit ziet – zoals zo vaak bekeerlingen – zal Hem erkennen als zijn Heer en als de gezondene van God. Zelfs de duivel, de verpersoonlijking van het kwaad, kan hier niet tegenop. Zo voert de hymne ons binnen in het geheim van de liefde zoals dit in het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus wordt geopenbaard.

De Goede Week nodigt ons uit stil te staan bij de kern van ons geloven. Het verhaal over Jezus Christus, dat zich in de verschillende vieringen voor ons afspeelt, maakt ons tot getuigen van iets waarvoor wij geen woorden hebben. De Goede Week aandachtig meevieren kan ons niet echt alles uitleggen, maar ons misschien wel verder tot de kern doen naderen.

woensdag 21 maart 2018

De zeven kruiswoorden

We staan voor de ‘passietijd’ het uitgelezen moment om stil te staan, te mediteren, tot gebed te komen, als het ware te cirkelen rond de zeven kruiswoorden van Jezus aan de hand van een werk van de Nederlandse kunstschilder Huub Bogaers (°1957). We richten ons vanuit zijn woorden, doorheen onze beleving en staande in een gebroken wereld rechtstreeks tot Christus zelf. We voelen ons persoonlijk betrokken en hebben oor voor die kreten van hoge nood die rondom ons in de wereld naar God opstijgen. Dat is nodig want deze woorden klinken zo bekend in de oren dat ze ons door gewenning vaak niet meer ten diepste raken. Een bezinning aangereikt door vicaris Koen Vanhoutte, genoteerd op de recollectie van maandag 5 maart in de Sint-Sixtusabdij van West-Vleteren.

“Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” – Lucas 23:33


Die open plek in zijn doorboorde, gehavende rechterhand wijst niet alleen op schuld maar hij biedt ook vergeving aan. Jezus wordt onschuldig de dood ingejaagd, op een laffe manier vermoord. Hij heeft dus alle reden om kwaad te zijn en op wraak te zinnen. Niets van dat alles bij Hem want tot op het kruis blijft Hij zichzelf. Niets of niemand slaagt erin om haat in zijn hart te zaaien. Ook in extreme omstandigheden laat Hij de goedheid van God en zijn verregaande vergevingsgezindheid blijken.

Wat Hij in zijn Bergrede zo mooi had gepredikt – “Heb uw vijanden lief” – brengt Hij hier in praktijk. Hij gaat zover in zijn goedheid dat Hij daar zelfs zijn vijanden in betrekt. Het kwade niet met het kwade maar met het goede vergelden. Het is één van de speerpunten van het evangelie, zo eigen aan het christendom. In onze wereld – zelfs in het humanistische denken – is dit gewoon te gek voor woorden. Die goedheid komt uit God zelf en Jezus illustreert dat met zijn bede. Jezus bidt en de Hebreeënbrief leert dat dit gebed ook na zijn verrijzenis verdergaat. Hij blijft voor ons ten beste spreken en om vergeving vragen.

Wie zich, door die moeilijke grondhouding, laat raken, overstijgt even die oude stempel van oog-om-oog-tand-om-tand. Misschien kunnen wij bij onszelf al enkele kleine praktijken van ontwapenende goedheid voor de geest halen. Tegenover mensen die ons kwaad hebben berokkend, gekwetst of genegeerd hebben. We lieten ons niet opjutten of zonnen niet op wraak. Zouden wij dat ook kunnen? Zoals Stefanus, de eerste martelaar, deze kruiswoorden herhaalt - bij zijn steniging - in de Handelingen: “Heer reken hen deze zonden niet aan”. Wijzelf kunnen vanuit die gezindheid bidden dat die spiraal van geweld – van kwaad naar erger – die de wereld beheerst, doorbroken mag worden.

“Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” – Lucas 23:43


Zijn linkerhand contrasteert helder in een donkere omgeving. Die duisternis verwijst naar de man naast Hem op het kruis, die schuld bekent. Hij kijkt op naar Jezus met een blik-van-red-ons. Op het moment van zijn eigen sterven, brengt Hij het nog op om in te gaan op het schuldbesef van zijn metgezel op het kruis en spiegelt hem in alle miserie het paradijs voor.

Ook hier doorbreekt hij weerom alle gangbare conventies. Achter de wolken schijnt de zon. In de liturgie van Witte Donderdag – het laatste avondmaal – spreekt Jezus eenzelfde kostbare taal: “Ik zal nu niet meer van de beker drinken tot Ik hem nieuw met u in het Koninkrijk van mijn Vader zal drinken.” In die groeiende duisternis spreekt Jezus een verrassend tegen-woord van een beloftevolle toekomst. We horen ook dat er niet alleen voor hemzelf en zijn leerlingen een paradijs is weggelegd, maar zelfs voor een grote misdadiger die in een klein moment zich bekeert. Het wringt met ons rechtvaardigheidsgevoel maar ook voor zondaars, zwakke mensen die hun hoop op de Heer blijven stellen, is er een paradijs.

Zou ik ook zoals Jezus een eenvoudig excuus van iemand aanvaarden om hem of haar het allerbeste te wensen? Of is het van ‘eerst nog wel eens zien en dan geloven’? Jezus' onevenredig optreden hier, kan ons aanzetten om wat guller om te gaan met nieuwe kansen bieden. Dat doet ons denken aan alle mensen die op deze wereld ‘geen leven’ hebben, die naam waardig. En het doet ons bidden dat God niettemin deze levens mag voltooien. Dat Hij mensen die hier door een hel moeten gaan een hemel mag geven.

“Vrouw, zie daar uw zoon. Zie daar uw moeder.” – Johannes 19:26


Jezus geeft zijn moeder en geliefde leerling aan mekaar. Ze worden wel niet in de echt verbonden maar toch echt verbonden. Johannes staat hier symbool voor ons allemaal, zijn beminde leerlingen. Voorbij Pasen zijn wij in zorg aan elkaar gegeven. Je kan het een vorm van kerkgeboorte noemen. Jezus heeft ons aan elkaar gegeven in die Kerk. Beleven wij dat dan ook zo? De Kerk is geen keuze-gemeenschap.

Onder het kruis staat niet veel volk meer. De meesten zijn weggevlucht. In de gegeven, penibele omstandigheden kunnen die twee – in onmacht gevangen – nog weinig doen. Maar ze zijn er, tot het einde toe trouw gebleven. Een andere vraag die zich hier opdringt in bange dagen is of wij ook weglopen van het kruis van anderen? Gewoon het feit dat we er zijn – los van de vraag of we er iets kunnen doen – spreekt al boekdelen. Hopelijk worden rond mensen, die een kruis moeten dragen, veel kringen van solidariteit gevormd. Het brengt vaak het beste in mensen naar boven.

Niettemin zijn er mensen die hun lijden alleen moeten dragen. De kring die er soms is of die mankeert, doet ons hoe dan ook bidden: “God geve dat er niemand in zijn lijden of sterven alleen moet zijn, dat er er kleine kring mag zijn.”

“Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” – Matteüs 27:46


De meest verscheurende kreet uit psalm 22:1 aan het kruis. “Hoe zit dat eigenlijk tussen ons, Ik je welbeminde zoon, waar ben je nu?” Een ervaring die nog erger is dan het fysieke of psychische: het spirituele lijden. Diegene waarop je heel je leven hebt vertrouwd of gebouwd, lijkt er nu niet te zijn. De grond schuift weg onder je voeten. Stilte in alle talen, zelfs geen stem meer zoals aan de Jordaan of op de berg Tabor.

Jezus is geheel en al mens in deze en wordt niet gespaard. Ik heb niemand, dus ben ik niemand. Als God mij niet draagt ben ik verloren. Net als Job in het gelijknamige boek, is Jezus zich van geen schuld bewust en toch overkomt hen dat. Ik heb dit niet verdiend.

Voor ons christenen is het belangrijk te beseffen, dat Jezus door deze ervaring van verlatenheid – dat gebrek aan perspectief – is gegaan en dat we niet te vlug of achteloos de sprong naar Pasen maken. Hij heeft zich vernederd tot het diepste zwart, niemand meer zijn, de dood zelf. God laat mij vallen en komt voor mij niet op.

Ook voor ons loopt – ondanks een volgehouden inzet – niet alles van een leien dakje. Maken wij ons geen begoochelingen? We gaan door dorheid, twijfel en ongeloof. Vaak moeten we verder doen met een soort naakt geloof zonder smaak. Het is een veelgehoorde klacht onder gelovige mensen. Waar is die God die liefde hoort te zijn en omkijkt naar kleine mensen?

Toestanden waar we Hem ver weten, doen ons ook zo bidden. Allerminst een gebed van vroomheid, we roepen het naar God toe. Maar we mogen ook bidden voor mensen die daar door heengaan. We hopen dat ze met Jezus er niet alleen de diepte van doormaken maar ook uitzicht krijgen. Dat ligt niet in onze handen. Psalm 22 bloeit naar het einde toe ook open in een lied van vertrouwen.

Wereldwijd klinkt die klacht ook onder christenen. Maar tezelfdertijd weten zij zich gelovig gesteund door Jezus, die deze ellende zelf belichaamt. In Hem vertoeft God, zelfs in uiterste verlatenheid.

“Ik heb dorst” – Johannes 19:26


Jezus' dorst reikt verder dan het verlangen naar wat zure wijn, maar naar de Vader. Hij is de enige die redden kan. Hij reikt naar het Koninkrijk, het paradijs, naar dat nieuwe leven, naar een nieuw begin en in het bijzonder ... naar ons geloof.

Het eerste wat God van ons vraagt is te geloven in degene die Hij gezonden heeft. Heel merkwaardig. Het eerste werk is niet een goed werk te doen. Ongeloof en afwijzing is wat Hij meemaakt op het kruis. Ze moeten Hem niet hebben. Jezus bedelt om ons geloof. Is er nu niemand die zich vrij en van harte aan mij verbindt en mijn boodschap aanneemt?

Dorst ook naar liefde. “Dit is het nieuwe gebod: dat er liefde is zoals Ik het u heb voorgeleefd.” Jezus belichaamt hier het verlangen naar de volheid van God. Jezus is ook Gods mensgeworden woord die reikhalst naar de mens. Een verlangen dat over en weer gaat.

Dat kan ons doen stilstaan bij welk verlangen er in ons leeft. Waar dorst en honger ik naar? Soms naar heel banale maar ook naar diepere dingen. Dorsten naar aanvaarding, naar erkenning, naar liefde, dorsten naar God. Geloven in het wonder dat die oneindige God ook verlangt naar mij, nietige mens. Dorsten ook om de noden en de verlangens van de wereld. Dat doen we altijd weer in onze voorbeden. Onze dorst naar gerechtigheid uitroepen naar God toe.

“Het is volbracht” – Johannes 19:30


Uitgerekend op een uur waar het grote faillissement van zijn leven getekend wordt, spreekt Jezus deze woorden uit. Menselijk gesproken toch een complete ondergang en een roemloos einde. De uitverkorene van God is uitgerangeerd. Opgeruimd staat netjes. Hoe kun je dan zoiets zeggen? Maar zijn zending heeft hij trouw en consequent, koste wat het koste, tot in het onvoorstelbare volgehouden. Hij heeft het niet gezocht maar Hij was bereid het met de prijs van zijn leven te betalen.

Aan de oever van de Jordaan kreeg Hij te horen dat Hij Gods welbeminde zoon was en Hij voelde aan dat Hij juist die boodschap – aan broze mensen in het bijzonder – moest brengen. Denk niet dat je niet meetelt, je bent belangrijk in Gods ogen. Hij is met dit verhaal zelfs naar de zondaars getrokken. Een tijding waar mee Hij – door zelf te sterven – zelfs naar de stervenden gaat. Allen die sterk aanvoelden dat God hen liet vallen. Geloof niet dat God je laat vallen. Durf vertrouwen in dat donkerste uur, waar alles erop wijst dat Hij je laat vallen, dat die God voorbij de grens van die dood je zal opvangen en aanwezig is. Deze ultieme woorden in zijn stervensuur zijn de voltooiing, het sluitstuk van zijn boodschap en zending die niet vergeefs is geweest.

Hoe trouw, consequent ben ik dan in mijn keuzes? Geef ik het op als het moeilijk wordt? In de trouw van Jezus gaan staan, kan christenen sieren. We beloven veel, maar hoeveel van die beloften worden trouw vervuld? Als je dat verbreedt naar de wereld zou je kunnen hopen en bidden dat mensen, die zoals Jezus in de dood ten onder gaan, ook iets mogen meemaken van die onverwachte voltooiing.

“Vader in in uw handen beveel ik mijn geest.” – Lucas 23:46


Hoezeer Hij ook door zijn godsverlatenheid is heen gegaan, is niets of niemand erin geslaagd om het godsvertrouwen bij Jezus helemaal weg te roven. Het feit dat Hij tot God blijft spreken bevestigt dat. Deze woorden – een citaat uit psalm 31:5 – zijn een ultieme act van overgave.

De kunstenaar verbeeldt het bijna als een begin van opstanding. Hij reikt de handen naar God omdat alleen nog van Hem toekomst kan komen. Hoezeer zijn vertrouwen ook beproefd is, vloeit het nooit helemaal weg. Ook Stefanus, de eerste martelaar, spreekt opnieuw vol overgave eenzelfde woord in het zevende hoofdstuk van de Handelingen: “Heer Jezus ontvang mijn geest.”

Sterven zoals Christus zou dus voor ons kunnen betekenen dat er ondanks alles een vorm van godsvertrouwen overblijft. Zo evident is dat niet, zelfs niet onder religieuzen. “Zal dat wel zo zijn, zal God daar wel staan, zal er wel een ontmoeting zijn?” We kunnen er maar voor bidden dat wij ons in dat ultieme uur aan dat beetje godsvertrouwen in ons hart kunnen optrekken. En dat dit ook alle christenen gegeven wordt. Het hoeft geen uitgezongen credo te zijn, maar minstens een verwachting dat Iemand op mij wacht.

woensdag 5 april 2017

Liefde sterker dan de dood

Op Pasen vieren we de kern van het evangelie. Het 'goede nieuws' is dit: liefde is sterker dan haat. Leven overwint de dood. Maar hoe kunnen wij dit in 's hemelsnaam verstaan? Wat betekent het dat Jezus is opgestaan? Een woord bij Pasen van bisschop Lode Aerts.

Om de verrijzenis enigszins te begrijpen, moeten we niet alles focussen op Jezus' dood. Ook de leerlingen hadden nooit de verrijzenis ervaren, als ze niet verder raakten dan de laatste uren op Golgotha. Dat er nieuw leven kwam in Jezus' dood wordt maar verstaanbaar, als we denken aan al wat Hij te voren zei en deed. Reeds van bij het begin bracht Jezus “leven, en wel in overvloed” (Joh 10,10). 


Dat wordt zo mooi samengevat in het grote dankgebed:
“Armen en zieken, zondaars en wie uitgestoten waren, heeft Hij van harte liefgehad. Deelgenoot was Hij in alle menselijke nood” (XI,C).

Jezus was als een levende poort voor de liefde van God. 
En die liefde heeft uiteindelijk zelfs de dood overwonnen.

Liefde te midden van haat
Iets werd duidelijk op de dramatische avond voor Jezus' dood. Het paasfeest was ophanden. Jezus ging met zijn leerlingen voor het laatst aan tafel. Hij wist: Hij ging hen verlaten. En toch: hoe tragisch ook, zijn dood betekende voor Hem niet het einde. Ze leek Hem niet in tegenspraak met wat Hij altijd had verkondigd. Integendeel, zijn verwerping had in zijn ogen te maken met het doorbreken van Gods liefde en zijn Rijk van vrede.

Dat blijkt uit het gebaar van brood en wijn. Het gebroken brood betrekt Jezus op zichzelf. “Dit is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven” (Lc 22,19). Zo ook met de beker wijn. Die wijn staat voor zijn eigen bloed, “vergoten voor velen” (Mc 14,24). In de paasnacht wordt voor elke Jood het verbond vernieuwd dat God sloot met zijn volk. Dat deed Mozes bij de uittocht uit Egypte door het sprenkelen van enkele druppels bloed als levenskracht (vgl. Ex 24).

Dit is Pasen. De passage van dood naar leven. De bevrijding van Gods volk uit zijn doodsnood. Op die reddende passage blijft Jezus tot in zijn laatste uren vertrouwen. Jezus sterft dus zoals Hij leefde. Hij oordeelt niet, zelfs met de dood voor ogen (Lc 6,37). Hij sluit niemand uit. Hij bemint de vijand (Lc 6,27). Ook op Golgotha krijgt de wraak geen kans. Jezus bidt voor zijn beulen, die arme slachtoffers van verblinding en indoctrinatie (Lc 23,34). Hij wast ook de voeten van zijn verrader en breekt voor hem het brood (Joh 13,26). Benedictus XVI noemde dit “een kernsplitsing in het binnenste van het zijn”. Jezus laat de liefde binnen stromen in een wereld van lijden en kwaad. Echter: zou die liefde sterker zijn dan de dood?

Gods Zoon aan het kruis
Het was vrijdagnamiddag, in onze tijdrekening wellicht 7 april van het jaar 30. Jezus werd terechtgesteld. Gods eigen Zoon werd “onder de overtreders van de wet gerekend” (Lc 22,37). Hij werd de deelgenoot van alle verworpenen, de gezel van onschuldig vervolgden, de broer van zwakken en zondaars. Wat er die laatste dag gebeurde had een enorm brede impact - net als het hele leven van Jezus! Het blijkt als we twee vragen voor ogen houden.

Eén: wie werd er aan het kruishout gespijkerd?
En twee: wie hield de hamer vast?

Op het eerste gezicht bleven de feiten bescheiden van omvang:
De veroordeelde heette Jezus, een jonge rabbi die een opstootje had veroorzaakt op het tempelplein. Hij werd aan een kruis geslagen door een stel Romeinse soldaten.

Het evangelie houdt het echter niet bij deze feiten. Zoals steeds getuigt het van een diepere ervaring die ook ons raakt vandaag.

Nogmaals: wie werd gekruisigd? Voor het evangelie zeker geen gewone rabbi. In Jezus was “de goedheid en de mensenliefde van God onze redder verschenen” (Tit 3,4). Echter: “Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet” (Joh 1,11).

Ten tweede: wie wees Jezus af?
Niet alleen het stel soldaten. Zij waren maar uitvoerders. Jezus’ vonnis was eigenlijk al geveld sinds zijn eerste dagen in het openbaar. Toen al kreeg Hij bakken kritiek over zich van de Farizeeën: 'oudste zonen' die de feestzaal niet in wilden omdat ze zelf hun hemel verdienden met hun goede werken. Ook de hogepriester veroordeelde Jezus, en wel in naam van de Joodse Wet. In de landvoogd Pilatus die het vonnis uitvoerde, bleek dan weer de eeuwige argwaan van politieke leiders tegen Gods nieuwe, broederlijke samenleving. Zelfs het gewone volk dat eerst nog enthousiast “Hosanna” zong, liet zich ompraten en schreeuwde “aan het kruis met Hem” (Lc 23,21). Sterker nog: ook zijn Leerlingen “lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg” (Mc 14,50).

Is het relaas van Jezus' passie en Pasen dus niet ons eigen verhaal? Zijn wij het niet, die weigeren om de poort van Gods liefde binnen te stappen? Als moderne westerlingen geven we het niet graag toe, maar bestaat ze of bestaat ze niet: onze angst tegenover een onverdiende liefde, onze traagheid voor een nieuw leven in volheid, kortom: onze onmacht en onwil tegenover de verrijzenis?

De levende God in de dood
Dat de leerlingen niet vrijuit gingen bij Jezus' dood, beseften ze maar al te goed. Petrus barstte in tranen uit wanneer hij zijn verraad besefte. Judas pleegde zelfmoord. De overigen leefden ondergedoken met schrik en verdriet. Misschien was hun Heer nog in leven geweest, als ze voor Hem waren opgekomen. Ze konden er niet om heen: eens waren ze Hem enthousiast achterna gegaan. En nu hadden ze Hem in de steek gelaten.

In de pijn om hun zwakheid en verraad kwamen de leerlingen echter tot de onthutsende ervaring, dat de Gekruisigde leefde. Nog verrassender was dit: wanneer Jezus zich als een levende liet zien, maakte Hij hen helemaal geen verwijten. Hij brieste niet tegen Petrus hoe die had durven beweren dat zijn Meester voor hem een volslagen onbekende was. Jezus, die
net voor het verraad nog Judas de voeten had gewassen en die voor zijn beulen ten beste had gepleit, was ook nu niet bitter of haatdragend tegen zijn laffe leerlingen. Het eerste woord dat Hij hen toesprak was: “Vrede zij u” (Joh 20,19).

Op het verraad van de leerlingen volgde blijkbaar vergeving en sjaloom. En dit kwam niet van een spook uit de onderwereld of een schim. De Verrezene maakte zich kenbaar in de heerlijkheid van God. Het ging niet om het voort vegeteren van een dode, maar om een nieuwe schepping bij God. Dat hebben de leerlingen intuïtief gevat: Jezus is definitief bij God de Vader. Het was God zelf, die was ingetreden tot in de dood en die Hem deed delen in zijn eigen goddelijk leven. Hier ligt het wonder van de verrijzenis: de levende God is in de dood gekomen en zijn liefde is sterker dan de dood, sterker ook dan alle onmacht en onwil.

Net als bij het leven van de aardse Jezus gaat het bij de Verrezene eigenlijk om God zelf. Laten we eerlijk zijn. Louter menselijk beschouwd was de zaak van Jezus dramatisch ten einde gekomen op het kruis. Maar als de leerlingen over de opstanding spraken, hadden zij het over de zaak van God. God heeft zich op Golgotha met de stervende Jezus vereenzelvigd. Alleen de presentie van de levende God kon het hopeloze lot van de dode Jezus ten goede keren. Menselijk gesproken is de dood de hopeloosheid zelf. Hoop tegenover de dood is maar denkbaar, als de levende God zelf in de dood aanwezig komt. Welnu: dat is de kern van Jezus' opstanding. God heeft de dood op het kruis overwonnen, door zelf in de dood aanwezig te komen. Wat voor de mens Jezus dodelijk moest aflopen, werd helemaal anders door de verborgen aanwezigheid van Gods totale liefde.

De dood verschalkt
De kerkvaders stellen het heel plastisch voor. Het monster van de dood is verschalkt. Het had zijn slachtoffer opgeslokt in de mening dat het een gewone sterveling was. Maar dat was buiten de waard gerekend! In Jezus was Gods Zoon aanwezig! Welnu, die goddelijke levenskracht kon door het graf niet worden vastgehouden. Hier kwam God tussenbeide, nog sterker dan in het slavenhuis van Egypte. Hier was het de levende God, die zich kenbaar maakte, zelfs in de dood. Door Gods liefde waren er al veel poorten open gegaan bij alles wat Jezus zei en deed. Maar nu is ook de laatste en de zwaarste deur geforceerd: de poort van het dodenrijk.

Op fresco's en iconen heeft de Oosterse Kerk dit wonder suggestief weergegeven. Jezus verbrijzelt er de poorten van de hel en laat die duistere krocht volstromen met licht en leven. In zijn overweldigende lichtglans treedt Hij het duister binnen van de dood. Daar reikt Hij Adam en Eva de hand en trekt hen weg uit het graf. Daarom is Christus neergedaald ter helle, zoals we in het credo zeggen (vgl IPe 3,18-19). Hij is afgedaald in het dodenrijk, opdat ieder mens, zelfs na een hels leven, door Christus met open armen wordt ontvangen en omhelsd. Er is een behouden thuiskomst voor alle verloren zonen en dochters. Wanneer we die omhelzing aanvaarden, wacht ons het eeuwig leven, het verbond, het leven met God. Zijn liefde is sterker dan de dood. Hier ontspringt de bron van elke christelijke hoop, van vreugde en vertrouwen. Hier begint onze opstanding. Zalig Pasen!