Op
Pasen vieren we de kern van het evangelie. Het 'goede nieuws' is dit:
liefde is sterker dan haat. Leven overwint de dood. Maar hoe kunnen
wij dit in 's hemelsnaam verstaan? Wat betekent het dat Jezus is
opgestaan? Een woord bij Pasen van bisschop Lode Aerts.
Om
de verrijzenis enigszins te begrijpen, moeten we niet alles focussen
op Jezus' dood. Ook de leerlingen hadden nooit de verrijzenis
ervaren, als ze niet verder raakten dan de laatste uren op Golgotha.
Dat er nieuw leven kwam in Jezus' dood wordt maar verstaanbaar, als
we denken aan al wat Hij te voren zei en deed. Reeds van bij het
begin bracht Jezus “leven,
en wel in overvloed”
(Joh
10,10).
Dat wordt zo mooi samengevat in het grote dankgebed:
Dat wordt zo mooi samengevat in het grote dankgebed:
“Armen
en zieken, zondaars en wie uitgestoten waren, heeft Hij van harte
liefgehad. Deelgenoot was Hij in alle menselijke nood” (XI,C).
Jezus was als een levende poort
voor de liefde van God.
En die liefde heeft uiteindelijk zelfs de dood overwonnen.
En die liefde heeft uiteindelijk zelfs de dood overwonnen.
Liefde te midden van haat
Iets werd duidelijk op de
dramatische avond voor Jezus' dood. Het paasfeest was ophanden. Jezus
ging met zijn leerlingen voor het laatst aan tafel. Hij wist: Hij
ging hen verlaten. En toch: hoe tragisch ook, zijn dood betekende
voor Hem niet het einde. Ze leek Hem niet in tegenspraak met wat Hij
altijd had verkondigd. Integendeel, zijn verwerping had in zijn ogen
te maken met het doorbreken van Gods liefde en zijn Rijk van vrede.
Dat
blijkt uit het gebaar van brood en wijn. Het gebroken brood betrekt
Jezus op zichzelf. “Dit
is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven” (Lc 22,19).
Zo ook met de beker wijn. Die wijn staat voor zijn eigen bloed,
“vergoten
voor velen” (Mc 14,24).
In de paasnacht wordt voor elke Jood het verbond vernieuwd dat God
sloot met zijn volk. Dat deed Mozes bij de uittocht uit Egypte door
het sprenkelen van enkele druppels bloed als levenskracht (vgl. Ex
24).
Dit
is Pasen. De passage van dood naar leven. De bevrijding van Gods volk
uit zijn doodsnood. Op die reddende passage blijft Jezus tot in zijn
laatste uren vertrouwen. Jezus sterft dus zoals Hij leefde. Hij
oordeelt niet, zelfs met de dood voor ogen (Lc 6,37). Hij sluit
niemand uit. Hij bemint de vijand (Lc 6,27). Ook op Golgotha krijgt
de wraak geen kans. Jezus bidt voor zijn beulen, die arme
slachtoffers van verblinding en indoctrinatie (Lc 23,34). Hij wast
ook de voeten van zijn verrader en breekt voor hem het brood (Joh
13,26). Benedictus XVI noemde dit “een kernsplitsing in het
binnenste van het zijn”. Jezus laat de liefde binnen stromen in een
wereld van lijden en kwaad. Echter: zou die liefde sterker zijn dan
de dood?
Gods Zoon aan het kruis
Het
was vrijdagnamiddag, in onze tijdrekening wellicht 7 april van het
jaar 30. Jezus werd terechtgesteld. Gods eigen Zoon werd “onder
de overtreders van de wet gerekend”
(Lc 22,37). Hij werd de deelgenoot van alle verworpenen, de gezel van
onschuldig vervolgden, de broer van zwakken en zondaars. Wat er die
laatste dag gebeurde had een enorm brede impact - net als het hele
leven van Jezus! Het blijkt als we twee vragen voor ogen houden.
Eén: wie werd er aan het
kruishout gespijkerd?
En twee: wie hield de hamer vast?
Op het eerste gezicht bleven de
feiten bescheiden van omvang:
De veroordeelde heette Jezus, een
jonge rabbi die een opstootje had veroorzaakt op het tempelplein. Hij
werd aan een kruis geslagen door een stel Romeinse soldaten.
Het evangelie houdt het echter
niet bij deze feiten. Zoals steeds getuigt het van een diepere
ervaring die ook ons raakt vandaag.
Nogmaals:
wie werd gekruisigd? Voor het evangelie zeker geen gewone rabbi. In
Jezus was “de
goedheid en de mensenliefde van God onze redder verschenen” (Tit
3,4).
Echter: “Hij
kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet” (Joh 1,11).
Ten tweede: wie wees Jezus af?
Niet
alleen het stel soldaten. Zij waren maar uitvoerders. Jezus’ vonnis
was eigenlijk al geveld sinds zijn eerste dagen in het openbaar. Toen
al kreeg Hij bakken kritiek over zich van de Farizeeën: 'oudste
zonen' die de feestzaal niet in wilden omdat ze zelf hun hemel
verdienden met hun goede werken. Ook de hogepriester veroordeelde
Jezus, en wel in naam van de Joodse Wet. In de landvoogd Pilatus die
het vonnis uitvoerde, bleek dan weer de eeuwige argwaan van politieke
leiders tegen Gods nieuwe, broederlijke samenleving. Zelfs het gewone
volk dat eerst nog enthousiast “Hosanna” zong, liet zich ompraten
en schreeuwde “aan
het kruis met Hem” (Lc 23,21).
Sterker nog: ook zijn Leerlingen “lieten
Hem allemaal in de steek en vluchtten weg” (Mc 14,50).
Is het relaas van Jezus' passie
en Pasen dus niet ons eigen verhaal? Zijn wij het niet, die weigeren
om de poort van Gods liefde binnen te stappen? Als moderne
westerlingen geven we het niet graag toe, maar bestaat ze of bestaat
ze niet: onze angst tegenover een onverdiende liefde, onze traagheid
voor een nieuw leven in volheid, kortom: onze onmacht en onwil
tegenover de verrijzenis?
De levende God in de dood
Dat de leerlingen niet vrijuit
gingen bij Jezus' dood, beseften ze maar al te goed. Petrus barstte
in tranen uit wanneer hij zijn verraad besefte. Judas pleegde
zelfmoord. De overigen leefden ondergedoken met schrik en verdriet.
Misschien was hun Heer nog in leven geweest, als ze voor Hem waren
opgekomen. Ze konden er niet om heen: eens waren ze Hem enthousiast
achterna gegaan. En nu hadden ze Hem in de steek gelaten.
In de pijn om hun zwakheid en
verraad kwamen de leerlingen echter tot de onthutsende ervaring, dat
de Gekruisigde leefde. Nog verrassender was dit: wanneer Jezus zich
als een levende liet zien, maakte Hij hen helemaal geen verwijten.
Hij brieste niet tegen Petrus hoe die had durven beweren dat zijn
Meester voor hem een volslagen onbekende was. Jezus, die
net
voor het verraad nog Judas de voeten had gewassen en die voor zijn
beulen ten beste had gepleit, was ook nu niet bitter of haatdragend
tegen zijn laffe leerlingen. Het eerste woord dat Hij hen toesprak
was: “Vrede
zij u” (Joh 20,19).
Op
het verraad van de leerlingen volgde blijkbaar vergeving en sjaloom.
En dit kwam niet van een spook uit de onderwereld of een schim. De
Verrezene maakte zich kenbaar in de heerlijkheid van God. Het ging
niet om het voort vegeteren van een dode, maar om een nieuwe
schepping bij God. Dat hebben de leerlingen intuïtief gevat: Jezus
is definitief bij God de Vader. Het was God zelf, die was ingetreden
tot in de dood en die Hem deed delen in zijn eigen goddelijk leven.
Hier ligt het wonder van de verrijzenis: de levende God is in de dood
gekomen en zijn liefde is sterker dan de dood, sterker ook dan alle
onmacht en onwil.
Net als bij het leven van de
aardse Jezus gaat het bij de Verrezene eigenlijk om God zelf. Laten
we eerlijk zijn. Louter menselijk beschouwd was de zaak van Jezus
dramatisch ten einde gekomen op het kruis. Maar als de leerlingen
over de opstanding spraken, hadden zij het over de zaak van God. God
heeft zich op Golgotha met de stervende Jezus vereenzelvigd. Alleen
de presentie van de levende God kon het hopeloze lot van de dode
Jezus ten goede keren. Menselijk gesproken is de dood de hopeloosheid
zelf. Hoop tegenover de dood is maar denkbaar, als de levende God
zelf in de dood aanwezig komt. Welnu: dat is de kern van Jezus'
opstanding. God heeft de dood op het kruis overwonnen, door zelf in
de dood aanwezig te komen. Wat voor de mens Jezus dodelijk moest
aflopen, werd helemaal anders door de verborgen aanwezigheid van Gods
totale liefde.
De dood verschalkt
De kerkvaders stellen het heel
plastisch voor. Het monster van de dood is verschalkt. Het had zijn
slachtoffer opgeslokt in de mening dat het een gewone sterveling was.
Maar dat was buiten de waard gerekend! In Jezus was Gods Zoon
aanwezig! Welnu, die goddelijke levenskracht kon door het graf niet
worden vastgehouden. Hier kwam God tussenbeide, nog sterker dan in
het slavenhuis van Egypte. Hier was het de levende God, die zich
kenbaar maakte, zelfs in de dood. Door Gods liefde waren er al veel
poorten open gegaan bij alles wat Jezus zei en deed. Maar nu is ook
de laatste en de zwaarste deur geforceerd: de poort van het
dodenrijk.
Op fresco's en iconen heeft de
Oosterse Kerk dit wonder suggestief weergegeven. Jezus verbrijzelt er
de poorten van de hel en laat die duistere krocht volstromen met
licht en leven. In zijn overweldigende lichtglans treedt Hij het
duister binnen van de dood. Daar reikt Hij Adam en Eva de hand en
trekt hen weg uit het graf. Daarom is Christus neergedaald ter helle,
zoals we in het credo zeggen (vgl IPe 3,18-19). Hij is afgedaald in
het dodenrijk, opdat ieder mens, zelfs na een hels leven, door
Christus met open armen wordt ontvangen en omhelsd. Er is een
behouden thuiskomst voor alle verloren zonen en dochters. Wanneer we
die omhelzing aanvaarden, wacht ons het eeuwig leven, het verbond,
het leven met God. Zijn liefde is sterker dan de dood. Hier
ontspringt de bron van elke christelijke hoop, van vreugde en
vertrouwen. Hier begint onze opstanding. Zalig Pasen!







