De Augustijnse
Beweging
– een Nederlands platform van religieuzen en leken, instituties en
groepen die zich verbonden weten in de spiritualiteit van kerkvader
Augustinus – organiseerde op zaterdag
15 oktober
in klooster Mariënhage,
Eindhoven
haar nu al 30-ste
ontmoetingsdag
onder de titel ‘Bouwen
aan Gods Huis: kerk-zijn bij Augustinus’.
Pater
Paul de Wit O.S.A.,
prior-provinciaal
van de Belgische augustijnen, bracht rechttoe rechtaan, recht uit het
hart, het hoofdreferaat, vertrekkend vanuit dit citaat:
‘Het
kerkgebouw is het huis van onze gebeden, maar het eigenlijke huis van
God dat zijn wijzelf. Maar wij vormen met zijn allen het huis van de
Heer, wanneer wij door liefde met elkaar verbonden zijn.’
(uit Augustinus’ sermo 336,1)
Wanneer we deze uitspraak vandaag, in deze tijd, onder de huidige
omstandigheden op ons eigen leven gaan leggen, kunnen we ze hertalen
als:
‘Het
Rooms-katholieke instituut is de organisatie waartoe we als gedoopten
behoren. (1) Maar God wil in de eerste plaats in ons wonen (2) en
Zijn woonst is eigenlijk ons leven wanneer we dit delen in liefde.
(3)
Katholiek ondanks alles
(1)
Augustinus
is
zich als geen ander bewust van de gebreken van de Kerk en van zijn
leden in het bijzonder. Hij beseft dat de zogenaamde ‘gemeenschap
van de heiligen’ allesbehalve samenvalt met het doen en het laten
van wie gedoopt is. Er waren toen en nog altijd de vaak grondige
meningsverschillen tussen christenen, die niet alleen verbaal maar
ook in veel gevallen meedogenloos, op het scherp van de snee, op
leven en dood werden uitgevochten of beslecht. Bovendien is
Augustinus ervan overtuigd dat Gods geest ook ongedoopten in ‘de
gemeenschap van de heiligen’ kan verbinden. Zo staat in onze tijd
het instituut, van buiten en van binnen, voortdurend onder kritiek,
omwille van sexueel misbruik van bedienaars, homo-haat, om haar
autoritair machtsdenken, om verouderde ideeën en concepten, als een
instituut voor louter senioren, een instituut dat de echte verhouding
tot God tracht in te kapselen en te monopoliseren …
Dat
alles maakt dat nog heel weinig mensen gemotiveerd zijn om hun leven
in te richten vanuit het toebehoren, de rechten en plichten, aan dit
instituut. Ze wensen zich niet meer te identificeren met de
Katholieke Kerk. Vandaar de vele kerkverlaters en de vele niet
'practiserende' christenen. Maar wordt Kerk-zijn hier niet verengd
begrepen als lidmaatschap van een sociale organisatie.
En
toch verdedigt Augustinus dat instituut en de noodzaak om ook tot die
levende, materieel vormgegeven Kerk te willen behoren ondanks al zijn
mankementen. Voor hem is het een teken van bescheidenheid en deemoed
zich niet te onttrekken aan de beperkingen van ons sterfelijk
bestaan, dat we ondanks alles buigen voor de uiterlijke tekenen van
de sacramenten. Zo erkennen we tenminste dat we pelgrims zijn op weg
naar God, die zoveel groter is dan onszelf.
De oorsprong van de Kerk
(2)
Augustinus gaf er zich rekenschap van dat
een dergelijk verstaan alleen zinvol kan worden, zijn, en blijven
wanneer het gevoed wordt vanuit een dieper verstaan van dat
'kerkgebouw'. Het eigenlijke huis van God dat zijn wijzelf. God wil
in ons wonen, in ons mystieke zelf. Doorgaans gaan wij ‘ter kerke’.
We gaan Hem zoeken, bezoeken in het kerkgebouw om er te bidden. Maar
zo pinnen we Hem vast en houden we Hem ook op afstand. Omgekeerd wil
God door alles heen in ons verblijven en zoekt Hij blijvend woonst in
ons. Het inzicht van deze omkering, deze perspectiefverandering, is
zeer belangrijk want op slag maakt het van ieder van ons de plaats
waar de Godsontmoeting en godsverering 'werkelijk', 'werkdadig',
'krachtdadig' kan worden! Zo worden we zelf van een innerlijke
‘kerkplaats’ tot een ‘kerk-gebeuren’. Ons lidmaatschap wordt
een levende 'geloofsbelijdenis'
Hier
ligt een zeer belangrijke pastorale indicatie, misschien wel een
missionaire uitdaging,
die
iedere gelovige voor een ander kan aangaan. We kunnen medemensen
nabij zijn om deze ‘omkeer’ te helpen maken. Niet door ze
voortdurend te pas of onpas uit te nodigen tot welke kerkdienst dan
ook. Veeleer door ze te helpen in concrete situaties en
gebeurtenissen Gods aanwezigheid te leren ontdekken in hun bestaan.
De Kerk mag in de eerste plaats niet verwijzen naar haarzelf, maar
sporen van Gods inwonen duiden in het leven van iedere mens. Dat
is de oorsprong van de Kerk. Verkondigt Jezus niet ‘Dat het Rijk
Gods al midden onder ons is’ en dat het reeds begonnen is. Dat Gods
genade, de werking, de kracht van Zijn Geest. ons reeds voorafgaat,
zoals ook Christus weldoende, bevrijdende leven ons een stap voor is.
Kerk als verbond(enheid)
(3)
Maar wij vormen met zijn allen pas het huis van de Heer, wanneer wij
door liefde met elkaar verbonden zijn’. Gods eigenlijke woonst is
niet het kerkgebouw. Dat is ons leven tenminste wanneer we dit delen
in liefde. Augustinus doet hier een belangrijke geloofsuitspraak:
Kerk als verbond en verbondenheid. Wanneer ik mijn leven ontdek als
Gods verlangen, als zijn in-wonen en bewonen, dan zal ik ook
begrijpen dat mijn leven niet alleen met Hem is verbonden, maar dat
ieder schepsel, ja de hele schepping bij mij inwoont en mijn leven
daar gedeeld, uitgedeeld en verdeeld wordt.
In
een geloofscontext betekent gemeenschap dus niet een opgetekend
lidmaatschap, maar één, gedeeld, bestaan dat met de inwoning van
God (Christus) in ons gepaard gaat. We leven van binnenuit in
verbondenheid met alle mensen, met de hele schepping, alles en
iedereen om ons heen (cfr Paus Franciscus en ecologie). Het geheel
wordt door ieder van ons gedeeld, mede-geleefd en mede-beleefd en van
daaruit groeit uiteraard een gedeelde verantwoordelijkheid voor
mekaar.
Terug naar af!
Dat alles vloeit mede samen in de bedding van de Kerk als
instituut waartoe we behoren. Het bepaalt haar inhoud en eigenheid.
Het vindt verder een tekenwaarde in de kerkgebouwen waar we samen tot
gebed en in deemoed tot een formele belijdenis komen van de Kerk als
mystieke verhouding en de Kerk als beleving van verbondenheid. Dat
schenkt ons de kracht, hoop en vertrouwen om de vele beperkingen van
de Kerk als instituut mee te dragen.
Kerk als bouwen aan God huis
betekent elkaar de startplaats te helpen ontdekken waar alles begint.
Genieten van Gods inwoning in ons concrete leven, waarin Hij altijd
al het eerste woord heeft Elkaar beluisteren en ontdekken hoe we daar
beleven dat mijn leven een 'samen-leven' is en naast een gezamenlijk
geschenk ook een gedeelde verantwoordelijkheid is. Vanuit die
schoonheid de kracht te vinden de last te dragen van ons beperkte
inzichten en gebrekkige inzet van alledag zowel van mezelf, van
anderen en van de instituties waar we deel van uitmaken.







