Pagina's

woensdag 23 maart 2016

De Passie, kilte of kippenvel?



Zowat 5000 toeschouwers troepten op zaterdagavond 19 maart samen op een goedgevulde Grote Markt te Ieper voor het passiespel ‘De Passie’, een twee uren durend, multimediaal spektakel. De helft minder dan de organisatoren verhoopt hadden. De koude zal wel heel wat mensen - en zeker op gezegende leeftijd -  weerhouden hebben om te komen. De inhoud van het verhaal, het scenario en de vertolkingen waren dan weer dubbel en dik zo ontroerend en onverhoopt goed om het lijden van koude voeten en verkleumde handen meteen te vergeten.

Dreigingsniveau 3
Zo begon het. Jassen en tassen moesten bij het binnenkomen opengemaakt en gescreend worden op de aanwezigheid van bommengordels en explosieven. In ieder geval een zeer vreemde, ietwat shockerende gewaarwording voor modale, vredelievende gelovigen of kerkgangers. Even leek het dan toch ook serieus mis te lopen toen op de laatste tonen van Geena Lisa’s schitterende vertolking van Maaike Oubouter’s lied ‘Dat ik je mis’, het licht onverwachts uitdoofde en tot grote schrik van veel toeschouwers een luide knal weerklonk. Gelukkig was het ‘maar’ een geniale vondst van scenarist Benjamin Sercu om de dood van broeder Stoffel voor het vuurpeleton te verbeelden. ‘Maar’ het maakte indruk als een dramatisch orgelpunt op al wat vooraf ging.



Het ‘platste’ en het ‘hoogste’
Het lijdensverhaal werd twee millenia verder in de tijd getransponeerd naar de realiteit van de Eerste Wereldoorlog. Een werkelijkheid die we vandaag, honderd jaar later, opnieuw aan de lijve ondervinden, na de voorbije rustige decennia in West-Europa. Met de aanhoudende oorlogen in het Midden-Oosten en de vluchtelingenstroom die dat op gang brengt, de terroristische aanvallen dichtbij huis, duiken ook hier de oude demonen weer op. Mensen worden geconfronteerd met het ‘platste’ en het ‘hoogste’ in zichzelf en worden dikwijls gekweld door weinig nobele gedachten. Iemand ‘tweette’ op twitter na de vreselijke aanslagen in Brussel: “We zien mensen vluchten uit Zaventem Airport. Iedereen begrijpt dat. We zien mensen vluchten uit Syrië. Niet iedereen begrijpt dat. Vreemd.”

Onverbeterlijke idealist
Dit geactualiseerde lijdensverhaal werd vanuit een geïmproviseerde studeerkamer op scene gebracht door verteller Bob De Moor. Hij baseerde zich op de dagboeken van z’n Nonkel Jean, zelf oudstrijder. Gaandeweg wordt duidelijk dat z’n wedervaren niet op hemzelf slaat maar veeleer op ‘broeder’ Stoffel, heel naïef in de beste zin van het woord, innemend gespeeld door Koen Vijverman, brancardier en een ‘onverbeterlijke’ idealist waar blijkbaar niemand ‘pak’ op heeft. Hij ziet ‘de mens’ in vriend en vijand en handelt daar ook consequent naar. Een ‘lastpak’ dus, een luis in de pels van zowel z’n geestelijke oversten, o.a. legeraalmoezenier Faes, vertolkt door Peter Bulcaen, als van de militaire overheid. De linken met de traditionele passie zijn direct min of meer duidelijk voor iedereen die iet of wat katholiek is opgevoed, wanneer we verder enkele prominente rollen overlopen: de verteller (een evangelist), broeder Stoffel (Jezus), Pierre (Petrus), piot Jules (Judas), nonkel Jean (Johannes, de zoon van Zebedeus), Marie, de moeder van Stoffel (Maria), de verpleegster Marie-Madeleine (Maria-Magdalena), aalmoezenier Faes (hogepriester Kajafas), Majoor Pillaert (landvoogd Pilatus) …

Vox populi
Al die verbanden zijn schitterend en subtiel in de verhaallijnen verwerkt en vertaald naar de de platitudes van de ‘vox populi’ vandaag. Zo komen de evangelies in de dialogen bijzonder, bijna ‘akelig’ en zeer confronterend tot leven. Het sprak boekdelen. De manier bijvoorbeeld waarop de eucharistie door de omstaanders in de verbeelding van 'het Laatste Avondmaal’ wordt gebagatelliseerd. De manier waarop Marie-Madeleine, vertolkt door Lotte Vannieuwenborg, mannen in hun blootje zet als ze het heeft over lust, begeerte en liefde. De manier en de bochten waarin de krijgsraad zich kronkelt om het fatale vonnis nog als humaan voor te stellen. De manier waarop ‘broeder’ Stoffel ingepeperd wordt door zijn kerkelijke oversten dat hij geen ‘priester’ is en dus geen recht van spreken of handelen heeft. Dat hij zich maar beter terugtrekt binnen de veilige muren van het klooster om daar te gaan bidden voor de vrede en z’n eigen vel te redden. Stoffel repliceert dat hij alleen maar over God spreekt en naar dat Woord handelt, dat hij gewoon niet anders kan. Is dat dan verkeerd!? Neen, maar het loopt dan telkens weer verkeerd af. Zo verging het de profeten, Je zus en de afloop bij Stoffel is al even voorspelbaar. Desondanks wekt het steeds opnieuw een onverwoestbare hoop op beter, dat de liefde sterker is dan het kwaad.



Superlatieven tekort
Bijzonder geslaagd en inlevend waren de muzikale vertolkingen van Geena Lisa, Mathias Sercu en Simon De Cuyper, vol gedragen door het veelkoppige orkest, in hoofdzaak lokaal talent onder de begeesterende leiding van Nico Logghe. Uitmuntend was ook de keuze van de ondersteunende muziek waaronder meerdere songs van Stef Bos. Superlatieven tekort ook voor de bijrollen, vaak lokale beroemdheden die het verhaal nog dichterbij brachten en het een persoonlijke toets gaven … de frisse choreografie van Dieter Vandeputte en z’n dansers, alles in een regie van Bart Cafmeyer, die het overzichtelijk en goed te volgen in beeld bracht op die Grote Markt, ook een (technisch) huzarenstukje.

Te mooi om waar te zijn?
De verteller eindigt met enkele voor ons, moderne westerlingen o, zo nuchtere bedenkingen, die ons ondanks alles weer gaan doen twijfelen. Kloppen al die wonderlijke geruchten over broeder Stoffel wel? Hij heeft immers nergens bevestiging gevonden in de archieven over het vreselijke lot en het wedervaren van broeder Stoffel? Maar waarom doet zo’n verhaal, als het tenminste goed verteld wordt, ons dan telkens weer hopen op beter, doet het in ons het verlangen naar het onmogelijke oprijzen, doet het ons opleven of opstaan en beginnen wij weer opnieuw, tegen beter weten in? Schuilt hierin geen ‘goddelijke’ kracht die van ‘kilte een kippenvelmoment’ maakt?

Bekijk hieronder integraal de passie:



woensdag 9 maart 2016

Vrij en vrank


nuchter, gedurfd, tegen de tijdsgeest in en met de gekende scherts. 
Zo sprak professor Rik Torfs, praktiserend katholiek en BV, bevlogen en zonder complexen vanuit de maatschappelijk realiteit over enkele aspecten van gelovig leven vandaag op dinsdag 1 maart in Centrum Groenhove, Torhout. We geven jullie graag enkele van z’n gedachten mee. Z’n humor is vaak heel ‘ad rem’ en moeilijk spits weer te geven in een artikel. Maar daarmee vermijd je ook de foute beeldvorming bij sommige van z’n tegenstanders als dat Torfs gewoon een onnozelaar zou zijn en niets te zeggen heeft. Integendeel, een plezier om naar te luisteren en met inhoud.

Het is niet meer zo gemakkelijk als vroeger om openlijk christen, laat staan katholiek te zijn. Het brengt je meteen in een lastig parket, in de buurt van pausen, bisschoppen of mensen die daarop lijken. Het ‘instituut’ dat de individuele gelovige pakweg 50 jaar geleden nog vrijstelde van ‘zelf’ te denken. Daar had het kerkelijk apparaat een batterij aan theologen, paters van allerlei pluimage, intellectuelen en professoren voor die toen zelfs nog in de kranten over godsdienstige onderwerpen schreven. Je moest al – als je niet gelovig was – bewijzen dat je niet helemaal stompzinnig was. Vandaag lijkt het helemaal anders te zijn. Vlaanderen hield een enorme kater over aan haar ‘dominante’ katholieke verleden en nu is de bewijslast omgekeerd. Het uitgangspunt is dat je sowieso niet-gelovig bent en als je al een vorm van religieuze belangstelling hebt, zul je het verdomd goed moeten uitleggen om niet het voorwerp te worden van spotlust van allerlei verlichte geesten.

Atheïst? Neen, anti-theïst!
Vroeger ‘dachten’ nogal wat mensen dat ze gelovig waren, of bij gebrek daaraan gewoon omdat iedereen het was. Geleidelijk deed zich een verschuiving voor en werden ze dan maar ‘agnost’. Of God bestaat, laten ze nog in het ongewisse. Echt weten kun je het niet. En is nu juist niet een van Zijn sterkste punten dat Hij zich wonderwel goed verborgen weet te houden. ‘Atheïsme’ is dan weer het ‘geloof’ dat God niet bestaat. Je kan inderdaad geen sluitend wetenschappelijk bewijs voorleggen van Zijn bestaan. Maar de negatieve bewijslast, nl. dat Hij niet bestaat, is nog veel moeilijker. Hoe zou jij – als dat zo is – bewijzen dat je nog nooit in Parijs bent geweest? Begin er maar eens aan. Een volgende stap van ongeloof is ‘anti-theïsme’. Je kan het beschouwen als een missionaire vorm van atheïsme. Het probeert z’n gelijk te halen via de evolutietheorie en allerlei syllogismen. Het stelt ronduit dat geloven verwerpelijk en gevaarlijk is en dat het dus bestreden moet worden. De aarde moet bevrijd worden van elke vorm van religie. Een hele klus, want dan neem je het op tegen niet minder dan drie vierden van de wereldbevolking die niet in de absolute rede geloven.

Meer dan wetenschap alleen
Je kan best ook redelijk denken, wetenschap bedrijven en toch geloven. Om tot zekere kennis van de werkelijkheid te komen moet de wetenschap ze reduceren. Water wordt dan gewoon een scheikundige formule ‘H2O’. Daarmee is zeker niet alles gezegd over water. Over haar symbolische betekenis in religieuze rituelen. Bestaan er objectieve normen voor schoonheid? Wat doe je met liefde? Komt er na verliefdheid, echte liefde of juist niet? De indruk wekken dat het leven alleen maar een zaak van wetenschap is, klopt niet. Zo mis je veel. Er is meer dan dat en die werkelijkheid wordt verder benaderd door beeldende kunsten, poëzie en religie. Wetenschap is geen afdoende reden om zeker niet te geloven.

Geloof is echter voor alles een kwestie van ‘genade’. Je kan best een gezin hebben met meerdere kinderen die op dezelfde manier zijn gelovig opgevoed en waar de een toch meer neigt naar religiositeit dan de andere. Het kan zeker niet afgedwongen worden. Het gaat gepaard met een zekere openheid voor wat je te boven gaat en een zekere achtergrond en kennis terzake, maar voor de rest is er geen enkele garantie. Als je het ongedwongen ‘kan’ helpt het wel om het leven prettiger en aangenamer door te komen. Toch maakt het je niet persé ‘beter’ dan wie niet gelooft.

Geloof brengt rust
Toen de Europese grondwet werd opgesteld, kwam de vraag of er daar geen preambule in moest met de verwijzing naar God of de christelijke wortels van het continent. Een vreemde vraag in Belgenland waar de grondwet al sedert 1831 geen dergelijke toespeling kent. Neen dus! De Verlichting voor alles. Maar als je God aanroept in deze, dan poneer je tegelijk dat je niet alles ‘mag’ of ‘kan’ doen. Bepalen wie nog mag leven of niet en dan maar moet sterven. Het is rustgevend als niet alles afhangt van je eigen zelfbeschikking. Tomeloze ambitie leidt vooral tot ontgoocheling en het is bijzonder vermoeiend elke dag ‘geweldig’ te moeten zijn. Je mag als gelovige openstaan, vertrouwen in Iemand die groter is, al ontslaat het je niet van je eigen verantwoordelijkheid. Geloven in God betekent echter ook niet dat je alle lasten van de wereld op je schouders moet torsen. Geloven is meer dan moraal.

Oog om oog, tand om tand
Mensen hebben het graag over ‘zero-tolerance’. Jammer genoeg is dat dan weer een totaal gebrek aan moraal. Ook weer een zucht naar absolute zekerheid, een uiting van angst voor het onvoorziene. Er vallen hoegenaamd geen doden in het verkeer als gevolg van een enkele likeurpraline. Nul-tolerantie scheert alles over dezelfde kam zonder enig begrip voor de omstandigheden. Een afgewogen waarde-oordeel is dan niet meer nodig, gewetensvorming evenmin. Kort na de Tweede Wereldoorlog stond in een context van herstel van recht en orde op een fietsendiefstal één jaar effectieve opsluiting. Als je dat vandaag zou toepassen voor hetzelfde en even verwerpelijke vergrijp, kan je in Leuven nog enkel gaan lesgeven in de gevangenis van Leuven-Centraal. Iedereen gelijk voor de wet? Jawel maar de uitzondering is er om de regel met het nodige begrip te bevestigen, niet om ze ontkrachten. Van willekeur kan zeker geen sprake zijn.

Barmhartigheid en vergevingsgezindheid worden als bij uitstek christelijke principes in onze samenleving beschouwd als een zwaktebod. Het tegendeel is waar. Moord schreeuwt om de herinvoering van de doodstraf, seksueel misbruik om castratie … en meer van dergelijke barbarij. De echte vraag is hoe je de maatschappij kunt behoeden voor het kwaad en pure wraak. Het is de enige manier om een spiraal van geweld te verhinderen of te doorbreken.
Meer zelfs is het een zaak van welbegrepen eigenbelang omdat je dan van een last bevrijd bent.

Het onmogelijke wordt (een beetje) waar
In dezelfde sfeer mogen ook enkele controversiële bijbelzinnen als “biedt dan je andere wang aan” of “bemin je vijanden” begrepen worden. Het zijn veeleer uitingen van realisme dan van dwaas dolorisme. Het eerste is vooral bedoeld om de dader te confronteren met het absurde van zijn daad en mag niet als een uitnodiging gezien worden om zich willoos te laten afslachten. En voor je je vijanden kunt liefhebben moet je er eerst hebben. Daar is niets mis mee. Zonder vijanden kun je zelfs moeilijk christelijk leven. Enkel wie een totaal onbenullig leven leidt, kent geen vijanden. De minste ambitie of succesje wekt algauw afgunst op. Het komt er vooral op neer tegenstanders menselijk en respectvol te benaderen. Dat is al beminnen in de brede zin van het woord.

Het christelijk geloof vraagt van ons niet het onmogelijke, ook niet als het om vluchtelingen gaat. We worden niet boven onze mogelijkheden en draagkracht bevraagd. Maar we worden wel serieus geappeleerd om ons er toch niet te gemakkelijk van af te maken. Doen wat je echt aankan is al heel wat. Daar ontbreekt het vaak aan. We hoeven ons een beetje … maar niet helemaal weg te cijferen zoals we soms denken en dan maar afhaken.

Tot slot dulden belangrijke zaken als geloof en liefde een portie humor. Die brengt vaak de oplossing wanneer de weg lijkt dood te lopen, stellingen worden ingenomen, het speelveld te klein is geworden.

donderdag 3 maart 2016

Salut en de kost


en de wind van achter … Veel meer dan een zegenwens klinkt dit gezegde als een regelrechte verwensing en toch geeft het alles met vergeving en loslaten van oud zeer te maken. Aan het woord is professor-emeritus theologie en religiewetenschappen (KUL) en Salesiaan Roger Burggraeve, oud-Passendalenaar op de vastenconferentie op 25 februari in de kapittelzaal van de Ieperse kathedraal. In het ‘jaar van de barmhartigheid’ trekt hij voor ons een aantal ‘verwrongen’ zogezegd christelijke denkbeelden recht rond vergeving en verzoening. 
Enkele hoofdlijnen uit z’n betoog.

Vroeger – en wellicht nog altijd – was het simpel. Onder het motto ‘tot 7 maal 70 maal vergeef ik een ander zijn schuld’ en ‘we gaan toch geen ruzie maken’ dwong de meester op de speelplaats twee herrieschoppers elkaar een handje te schudden. Daarmee was de kous af. Zonder meer vergeven kan dit menselijk gezien wel? Zwijgt men dan niet gemakshalve, omwille van de lieve vrede over het aangedane kwaad? Dat er in deze, wel eens een dader en een slachtoffer kan zijn? Zo werkt het misschien tussen een oneindige barmhartige God en de mens, maar niet tussen mensen zelf. Vergeving en verzoening komen niet zomaar uit de lucht vallen. Het is een proces van vallen en weer opstaan en naargelang de aard van de feiten, best een hele lange weg vol hindernissen en obstakels. Wat is er nu nodig om te kunnen vergeven? Wat gaat er aan vergeving vooraf?

Hoe omgaan met het aangedane kwaad
Het begint met er bij stil te staan, het ernstig nemen. Anders lukt het niet ‘van harte’ zoals het in de ‘geestelijke werken van barmhartigheid’ staat. Je kunt niet zomaar ‘goedkoop’ vergeven om er vanaf te zijn. Geen ‘zand erover’, ‘over je woede heen stappen’ of ‘er niet zwaar aan tillen’, ‘het niet aan je hart laten komen’. Hoe goed bedoeld ook, gaat dat eigenlijk boven je krachten. Het heelt allerminst je kwetsuur. Die gaat onderhuids etteren, doet je verzuren waardoor je erg onaangenaam, depressief of kwaad kunt worden tegenover je medemensen. Dan moeten die een ander geestelijk werk van barmhartigheid in stelling brengen, nl. ‘lastige mensen geduldig verdragen’. Wie het aangedane kwaad bagatelliseert, niet verteert, kan er ook niet eerlijk mee omgaan. Het moet op een of andere manier geoordeeld en tot z’n recht komen.

Essentieel is dat je ondanks alle negatieve gevoelens, vanuit de rede blijft handelen en je niet besluit tot ‘wraak’, het de ander ‘betaald’ wil zetten. Dan wordt je zelf besmet door het kwaad en raak je er zeker niet los van. Beter is je pijn te ‘delen met een vertrouwenspersoon’. En al is je verhaal in eerste instantie nog scheef en krom van de emoties, praten ontlast. Belangrijk is ook te beseffen dat niks definitief verloren is, dat alles om zeep zou zijn en dat je je niet gaat ‘wentelen in een slachtofferrol’. Niemand is in staat je definitief ten gronde te vernederen of te richten. Je kan kracht putten uit je unieke talenten. ‘Zelfrespect’ helpt je verder. Krijg je na herhaaldelijke, ernstige pogingen geen erkenning of gehoor dan pas “moet je hem behandelen als een heiden of een tollenaar”, zegt Jezus (Matteüs 18,17). Hij vraagt van ons niet het onmogelijke, geen heroïsch christendom.


Stapstenen naar vergeving en verzoening
Het begint met het innerlijke verlangen om te vergeven. Dat is al heel heilzaam, zelfs al is het onmogelijk om naar de dader toe te stappen om het redelijkerwijs uit te praten.

Mensen zitten soms gewrongen omdat het hen niet lukt om te vergeven. Ze ervaren het ten onrechte als een morele plicht. Ben je geen onmens als je niet kunt vergeven? Staat er niet in het Onzevader “en vergeef ons onze schulden, zoals wij ook vergeven aan onze schuldenaren”? Ze denken dan omdat ze niet tot vergeving in staat zijn, zij uiteindelijk ook geen vergeving van God zullen ontvangen. Het tegenovergestelde is waar. Zijn vergeving is onvoorwaardelijk. Hij vergeeft waardoor wij ook in geloof de kracht en de genade ontvangen om de ander te vergeven. Vergelijk het met een kind dat volledig gratuït de liefde van z’n ouders krijgt. Omdat dat gebeurt leert het ook hen en anderen graag te zien.

Paus Franciscus houdt ons voor dat een biechtstoel geen ‘folterkamer’ is. Het geloof dat God vergeeft, vergemakkelijkt onze bekentenis. Daarom mogen we ook niet te hard zijn voor onze medemensen. Zero-tolerantie is geen optie voor een christen. Anders is er weinig hoop op een nieuwe toekomst en zet het bijvoorbeeld aan tot ‘vluchtmisdrijf’. De omstandigheden moeten altijd in rekening gebracht worden. Niemand is perfect.

Vergeving en verzoening worden vaak met elkaar verward. Het zijn geen synoniemen. Vergeving komt eerst en vraagt niet noodzakelijk om verzoening. De geleden schade mag dan wel geregeld zijn, recht zijn geschied, mensen kunnen nooit tot verzoening worden gedwongen. Die vaak, verkeerdelijk voorgehouden, zogenaamde morele plicht kan zelfs vergeving lelijk in de weg staan. Als vergeving en verzoening van elkaar losgekoppeld worden, wordt het mogelijk elkaar los te laten, elk in peis en vree z’n weg te laten gaan.
Verzoening mag nooit als een straf ervaren worden.

Vandaar de gevleugelde woorden: “Salut en de kost en de wind van achter.” 
Anders gezegd: “Ik wens je het beste, voorspoed en dat het zo verder mag gaan in het leven.”