Pagina's

zaterdag 20 december 2014

Kerstmis

Elke dag opnieuw


“Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op. Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders. Men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst.”

Die jubelende woorden van Jesaja, geschreven in de donkere dagen dat het volk van Galilea in ballingschap werd weggesleept, vinden als het ware hun echo in de vreugdekreet van het Lucasevangelie: “Ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer.”

Heerlijke, plechtige woorden zijn dat waarmee de geboorte van onze Verlosser, en meteen ook van ons geloof, wordt aangekondigd. Woorden ook die passen om het belangrijkste gebeuren uit de wereldgeschiedenis aan te kondigen. Want dat is de geboorte van Jezus inderdaad. Stel je voor God die als 'mens' onder de mensen komt wonen. Wat kan er nog belangrijker zijn?! Maar als we er even blijven bij stilstaan: wat blijft ervan over in deze wereld en in de werkelijkheid van elke dag? Wat betekent Kerstmis voor ons en wat betekent Kerstmis voor miljoenen anderen?

Ik denk dat Kerstmis de weg is gegaan van alle andere christelijke momenten. Als we de kalender overlopen, dan zien we dat het burgerlijke jaar dat over een week begint in grote trekken de liturgische kalender volgt. Gelovig of niet, alle andere liturgische hoogdagen zijn vrije dagen voor iedereen. Ook het schooljaar leeft op het ritme van Allerheiligen, Kerstmis, Aswoensdag en Pasen. Maar wat is er gebeurd? Allerheiligen wordt verdrongen door Halloween, en de Allerheiligenvakantie werd omgedoopt tot herfstvakantie. De zondagen van de advent zijn 'koopzondagen' geworden. Aswoensdag is niet meer het begin van de vasten, maar de start van een wekenlange carnavalsstoet, van fuiven en feesten zonder eind. Rond Pasen worden we om de oren geslagen met de paashaas, die zelfs die heerlijke paasklokken verdrongen heeft en Kerstmis is het feest geworden van de kerstman.
Je ziet hem aan de huizen hangen, gereed om onze slaapkamers binnen te dringen. Of probeert hij net buiten te geraken? Wie zal het zeggen? En over al dat geklauter heen wordt een ziekmakende commerciële saus uitgegoten, waarbij onnoemelijk veel geld wordt uitgegeven veelal aan dingen die niemand echt nodig heeft en die eigenlijk ook niemand wil.

Ook Kerstmis is niet ontsnapt aan dit proces van commercialisering van wat gewijd, sacraal of heilig is. De schreeuwende verlichting van winkels, straten en pleinen, de kabouters, de hertjes en de koetsen aan de huizen en in de voortuintjes, de duizenden flikkerlampjes in bomen en heesters ... het kan niet op. Waarbij je wellicht kunt bedenken: hoe meer Kerstmis in winkels, straten en tuinen, hoe minder Kerstmis in de huizen en in het hart van de mensen.

Ik wil niet zeuren, het heeft ook allemaal wel z'n charmes, het kan best gezellig zijn en veel kerst- of winterevocaties zijn ook heel kunstig en getuigen van goede smaak. Maar laat Kerstmis voor ons christenen vooral zijn en blijven wat het is: de verjaardag van de geboorte van Jezus, beter nog de hergeboorte van Jezus in ons hart, de vreugde omdat God onder ons is willen komen, als de minste mens onder alle mensen. Het geluk dat Hij zijn schepping zozeer liefheeft, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om ons het leven voor te leven dat Hij met ons voorheeft. En dat is uiteindelijk geen leven van alleen maar consumeren, hebben, vergaren en houden wel een leven van liefde, vrede en gerechtigheid.

Dat is het wat ik u en mezelf toewens:
dat Kerstmis een feest is van vrede, liefde en gerechtigheid.
Een feest dat we zonder al die glitter elke dag opnieuw willen vieren.
En vooral een feest dat we elke dag opnieuw willen waar maken in ons eigen leven en in dat van anderen.

Als mensen in liefde echt mens met elkaar willen worden dan reikt de hemel even de aarde.
Dat is het verhaal van Jezus Christus. Het is niet voldoende ons daarbij aan Hem te spiegelen, laat ons ook ingaan op zijn geest van vrede, die is als een betrouwbare onderstroom op een soms woelige levenszee. 

Advent is hopen ...



Op 13 december was Joseph Kelley OSA in de Agneskerk in Lindenholt, Nijmegen. Hij is associate professor in Religious and Theological Studies aan het Merrimack College in Massachusetts. Hij bracht er voor de Augustijnse leken uit Nederland en Vlaanderen een voordracht met als titel 'Saint Augustine on Community and Hope'. Hierin staat de gemeenschap die augustijnen en leken samen vormen in gebed en werken voor gerechtigheid en vrede centraal. Gemeenschap belicht hij vanuit Augustinus’ visie op de hoop die de komst van Christus ons geeft: “U bent de kracht van mijn ziel. Ga bij haar binnen en richt haar voor u in dat ze van u wordt en u haar kunt bezitten ... Ik spreek. Dat is mijn hoop en daarom spreek ik en die hoop maakt mij gelukkig zo vaak ik echte vreugde ken.” (Belijdenissen X.I.I). Paulus schreef in deze nog heel actuele passage in zijn brief aan de Romeinen (8:18-25): “Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. En dat niet alleen ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.”

vrijdag 12 december 2014

Becelaere

unsere heimat


Een vereniging en een dorp die zichzelf respecteert stelt zich deze jaren genoegzaam de vraag wat er zich daar tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft afgespeeld. Ook Becelaere is toen de dans niet ontsprongen. Al heeft het nog al wat opzoekingswerk gekost om daar precies achter te komen. De Landelijke Gilde Beselare en KVLV legden op hun Sint-Elooisfeest op 6 december de vraag voor aan rasverteller en gids Staf David in OC De Leege Platse, gelegen op de gronden van het voormalig Duits kerkhof.



Honderd jaar geleden, in een tijd waar mensen al uitzonderlijk buiten hun dorp kwamen, sijpelt het nieuws van de komende oorlogsdreiging slechts met mondjesmaat door. De communicatiemiddelen zijn schaars en traag, de afstanden onnoemelijk veel groter dan nu, helemaal niet te vergelijken met de online-toestanden van nu. Het eerste fatale schot in Sarajevo en wat voor verwikkelingen dat met zich meebracht, is voor de dorpelingen een ver-van-hun-bed-show. Bijna niemand heeft van zijn leven ooit al een Fransman, een Duitser, laat staan een Engelsman gezien. Eerst horen ze over de gruweldaden van de Duitse invaller en het heldhaftig verzet van het Belgische leger. Veel concreter wordt het toen er hier op één dag ineens dertien leeftijdsklassen recruten worden opgevorderd. Misschien is het gewoon uit voorzorg zoals in 1870. Toen waaide het gewoon over. Maar reeds in de maand augustus zijn reeds zeven doden aan het front te betreuren. Plots verschijnen er in de Wervikstraat een indrukwekkende troep glimmend, uitgedoste Franse elite-ruiters. Dat wekt weer even hoop. Zo rap als ze gekomen zijn, zijn ze ook weer verdwenen. Eind september worden de eerste Duitse Uhlanen op verkenning waargenomen. In een daaropvolgend treffen met Engelse verkenners valt het eerste dodelijke schot op Beselaars grondgebied. Meerdere schermutselingen volgen, een eerste obus slaat in. De onrust neemt hand over hand toe onder de bevolking. De eerste vluchtelingen komen langs en stilaan dringt de ernst van de toestand door. Den Duits is niet te stoppen en de aanwezige Engelsen en Fransen trekken zich strategisch achteruit. De bevolking wordt geadviseerd te vertrekken maar niet iedereen laat zomaar have en goed achter. Ze verkiezen nog te blijven wat heel riskant is. Dat mag de toenmalige gemeente-ontvanger tot z'n schade en schande ervaren toen hij – op zoek naar melk – door de Engelsen eerst gearresteerd wordt op verdenking van spionage. De Duitse troepen stromen nu massaal binnen, doorzoeken de woningen om mogelijk verzet op te ruimen. Zo vallen de nog achtergebleven burgers al dan niet ten prooi aan de dodelijke willekeur van de de bezetter, worden ze aan hun lot overgelaten of verdreven. Staf David vertelt het allemaal in geuren en kleuren met (plaats)naam en toenaam. Veel van z'n verhalen gaan terug op de geschriften van Jozef Maes.

Het inferno van de kerk
Bijzonder interessant is verder het Duitse gedenkboek van het 246-ste regiment. Dat beschrijft de trieste lotgevallen van het inmiddels verlaten dorp, de vreselijke clash tussen het Engelse en het Duitse leger aan en voorbij De Reutel. Hier en verder loopt alles vast en begint een langdurige stellingenoorlog. Het slagveld ligt bezaaid met lijken en gewonden. Op 21 oktober wordt de kerk ingericht als militair hospitaal door de Duitsers. Matrassen en dekens worden aangevoerd uit de verlaten huizen en gekwetste Duitse soldaten, maar ook Fransen en Engelsen worden er verpleegd. De sacristie wordt operatiezaal waar dokter Gartner met zijn assistenten het (on)mogelijke doet. Priester- en altaargewaden worden verscheurd voor noodverband. Afgezette ledematen belanden in de wijwaterkuipen om ze daarna op de begraafplaats rond de kerk te begraven. In afwachting van verzorging of verdere evacuatie liggen overal gewonden van de doopvont tot aan het hoofdaltaar. Er is nauwelijks ruimte om te passeren. Een aalmoezenier heeft de handen vol om de laatste bijstand te verlenen aan de stervenden. Op vrijdag 23 oktober stort het dak van de kerk in door nieuw geschut met als gevolg nog meer hallucinante en hartverscheurende toestanden. Het kerkruim is in een dichte zwaveldamp gehuld. Een panische angst maakt zich meester van de meer dan driehonderd aanwezige gewonden. Het kerkhof kan de toevlucht van lijken niet meer aan. Daarna gaan ze naar de kelders van de brouwerij, daarna een hoeve aan 't Kruiske, bijgenaamd 't Keizer Willemshof, waar een stoomtram hen nog kan evacueren. De brouwerijkelders dienen nu als wasserij voor de kledij. Ook andere hoeves en herbergen dienen als medische post. Het bezette dorp, nu een Duitse heimat, wordt door de Ortskommandant geregeerd. Overal zijn militairen ingekwartierd. Op de gemeente worden in 1917 een zestigtal betonnen constructies als verblijfplaats voor de officieren gebouwd. Vooral met de Derde Slag bij Ieper en het Eindoffensief worden de resten van het dorp in puin geschoten. Op 28 september 1918 wordt Beselare, als één van de verste dorpen die dag, door Britten heroverd. Bij de Wapenstilstand bestaat Beselare nog slechts bij naam. Eens de winter 1918-1919 voorbij, beginnen er inwoners van Beselare terug te komen. Ze treffen er bomputten aan, evenals prikkeldraad, graven en begraafplaatsen, betonnen schuilplaatsen, kadavers, steenhoopjes, afgeknotte boomstammen, wrakken van neergestorte vliegtuigen en vastgelopen tanks…



De heropbouw kan beginnen
Eind 1919 huist het gemeentebestuur in barakken, in 1920 wordt een barak opgericht voor kerk en schoolklassen, in 1921 verrijst het eerste stenen woonhuis, in 1923 wordt begonnen met de bouw van de neo-gotische Sint-Martinuskerk naar plannen van Marstboom en Janssen, in 1925 wordt ze in gebruik genomen, in 1923-1924 zijn het klooster en de jongensschool klaar, de pastorie en het gemeentehuis komen in 1926 aan de beurt. In 1926-1927 is de heropbouw nagenoeg voltooid, maar tegen eind 1928 is de bevolking nog steeds niet terug op peil. Er zijn 46 militaire doden en 17 burgers omgekomen, waarvan 12 burgers uit Beselare en andere gemeenten, die in Beselare omgekomen zijn en 5 burgers van Beselare, die elders omgekomen zijn. In 1927 wordt voor hen een gedenkteken onthuld, een initiatief van de V.O.S. ('Vlaamse Oud-Strijders').

Gedenkplaat
In het voormalige gemeentehuis hangt nog een gedenkplaat die in 1974 werd onthuld. Daarop valt te lezen: “BESELARE 60 jaar geleden volledig verwoest en voor de komende generaties heropgebouwd, betreurde in beide wereldoorlogen 67 slachtoffers.'. 'Gedurende de oorlog 1914-18 werden hier 5.752 duitse soldaten begraven.', 'In aanwezigheid van Veteranen van de voormalige 54. (Würrt.) RD. van het Sanitätsbataillon 10 van de Becelaere-Kaserne en het stadsbestuur van ESSLINGEN werd deze plaat aangebracht, niet alleen om de herinnering op te roepen bij diegenen die deze tijd hebben meegemaakt, maar vooral voor de jongere generaties. Moge de intussen ontstane verzoening leiden tot de vervulling van de wens: "NOOIT MEER OORLOG"”. De stad Esslingen in Duitsland is verbroederd met de gemeente Beselare.

't Zunnetje in kerstmodus


Welzijnsschakel 't Zunnetje is een gezamenlijk initiatief van de Zonnebeekse parochies, die een betekenisvolle bijdrage willen leveren om mensen in armoede in hun eigenwaarde, veerkracht en weerbaarheid te versterken.




Zo organiseren zij in deze adventstijd op zondag 21 december om 15.00 u. een Kerstevocatie – met jong talent van eigen bodem – in en rond de kerk van Zandvoorde 
De inkom bedraagt 5 euro, met één consumptie inbegrepen.
Er wordt ons muziek, zang en voordrachten gebracht (foto editie 2013)
Nadien kan men genieten van de kerstsfeer op het marktplein bij een drankje en in het OC Santforde van een pannenkoek met koffie.
Dit alles ten voordele van Welzijnsschakel ’t Zunnetje, onze plaatselijke bekommernis en steun tegen armoede in Zonnebeke.

Er zijn nog altijd 'kerstrozen tegen armoede' te verkrijgen t.v.v. hun werking:
Voor bestellingen en info kan je altijd terecht bij
Marie-Jeanne Ameele
Wervikstraat 112
8980 Beselare
tel. 057 46 76 18
marie-jeanne-ameele@hotmail.com

Op zaterdagnamiddag 20 december vind je enkele van onze vrijwilligers terug op de parking van warenhuis SPAR in de Langemarkstraat in Zonnebeke voor een ultiem kerstrozenoffensief. 

vrijdag 5 december 2014

Onze kerken

Levende stenen


Onze kerkgebouwen worden in vraag gesteld. Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Hoe kan het dat die prachtige gebouwen die vroeger hét centrum, dé trots van het dorp, hét centrum van het sociale gebeuren waren, in slechts enkele decennia een last, een bron van grijze haren geworden zijn? Voor de Kerk zelf is het in ieder geval een uitermate pijnlijk gebeuren, een zichtbaar teken van afkalving en verlies aan invloed, een rouwproces dat nog in volle gang is. Is het een voorteken dat binnen enkele decennia de Kerk definitief haar deuren zal moeten sluiten, zoals sommigen voorspellen of hopen? Of bestaat de Kerk uit nog méér dan stenen en gebouwen? Wat heeft deze leegloop veroorzaakt en had dit kunnen voorkomen worden? Wat te doen met onze kerkgebouwen?

Wie wil verhelpen, heeft eerst een juiste diagnose nodig. Er zijn vele redenen, zowel van buiten als van binnen. De uitwendige oorzaken kunnen we gemakkelijk aanwijzen in een veranderende cultuur, secularisatie, toenemend materialisme, individualisme, humanisme, media, concurrentie van andere levensbeschouwingen, de blijkbaar onvermijdelijke besparingsdrang ... En de Kerk heeft zeker altijd vijanden gehad, die alle middelen blijven aanwenden om haar onderuit te halen. Maar als we alleen maar de schuld voor onze problemen zoeken bij 'de anderen' leren we niets uit onze eigen fouten en ons verleden en gaan we voorbij aan onze verantwoordelijkheid. Als een organisatie innerlijk sterk genoeg is, kunnen uiterlijke factoren haar nooit kapot krijgen. Het is net zoals in een huwelijk: als de liefde binnenin sterk genoeg is, kunnen alle pijlen van buitenaf haar niet doden. Zie maar naar de eerste drie eeuwen van het jonge christendom toen het geduchte Romeinse staatsapparaat haar probeerde in bloed te smoren, maar... de vervolgde Kerk bleek sterker dan het keizerrijk en overwon haar.

Tot eer van de mens
Waarom is het vandaag dan omgekeerd? Vanaf de jaren '50 ging het kerkbezoek met rasse schreden achteruit. De sociale druk verminderde en mensen bleven op zondagmorgen thuis. Mensen geloofden vooral omdat het moest of omdat iedereen het deed, maar de persoonlijke overtuiging was minimaal. 'Naamchristenen' noemt men ze. Als mensen de kerk verlaten omdat het ineens niet meer 'moét', dan zijn ze nooit volwassen in het geloof geworden. Maar ook de Kerk mag de hand in eigen boezem steken. Geloof opdringen en mensen als kleine kinderen behandelen, creëert onvermijdelijk een tegenreactie.

'Kerk' werd eeuwenlang geassocieerd met een gebouw van steen, niet met de mensen erin. Op de lagere school leerden we in de godsdienstlessen dat de kerken 'tot eer van God' gebouwd zijn, met de toren die naar omhoog reikt, en met de inzet van de allerbeste vakmensen en kunstenaars. Maar als we wat nader kijken, moet 'tot eer van God' ook met een korrel zout genomen worden, want hoeveel 'eer van mensen' was er niet in gemengd? Moest de kerktoren niet nét hoger zijn dan deze van het naburige dorp?

Een schat in de akker
Had de Kerk niet de woorden van haar eerste leider, Petrus, meer indachtig moeten zijn: 'laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis'? (Eerste brief van Petrus 2:5) De Kerk is éérst een geestelijk bouwwerk, en de mensen zijn het levende bouwmateriaal, de stenen komen pas achteraf. Heeft de oerkerk niet prima overleefd in de catacomben? Een zekere maatschappelijke druk of vervolging is niet persé slecht voor de Kerk. De rijkdommen van de Kerk liggen niet in haar gebouwen of bezittingen, maar in de spirituele schat van de evangelies. Jezus vergeleek ze met 'een schat in een akker', of 'een parel van grote waarde waarvoor een koopman al zijn bezittingen verkocht'. Het is beter de geesten van de christenen weer te voéden dan gebouwen te verafgoden. Er is in deze wereld al genoeg geestelijke anorexia.

Er zijn wel al veranderingen merkbaar tegenwoordig: de kleine groep gelovigen, binnen traditionele kerken en in de nieuwe kerken, wordt bewuster: ze weten wát ze geloven en waaróm. Mondige gelovige leken laten hun stem horen. Ze tonen dat je gelovig kan zijn én intellectueel scherp, politiek actief, sociaal bewogen en wetenschappelijk aan de top. Er is zeker hoop voor de Kerk, met of zonder haar gebouwen.

In het ergste geval moet de Kerk eerst (tijdelijk?) 'ge-de-materialiseerd' worden om haar immateriële erfgoed te herontdekken. Als haar ware kapitaal – de boodschap van Jezus! –
aangeboord en ontgonnen wordt, zal de wereld een heel ander gelaat van de Kerk te zien krijgen.

Maar wat te doen met onze leegstaande kerkgebouwen?
Voor alles, ze weer vullen! Of gelooft u niet in wonderen? Is de opstanding uit de doden niet hét centrale geloofsmysterie? Waarom dan niet voor de Kerk? Maar in de tussentijd, ze naast de liturgie mee benutten als een ruimte waar het geestelijke en het sociale elkaar omarmen. Geloof en liefde gaan perfect hand in hand, evenals gebed en muziek, gemeenschap en schoonheid. Onze 'probleemgebouwen' kunnen best nog erg interessant en veelbelovend worden ...

Lees het artikel van Ignace Demaerel: http://www.knack.be/nieuws/belgie/wat-te-doen-met-de-leegstaande-kerkgebouwen/article-opinion-126085.html

't Zunnetje op rozen


Tenminste, de welzijnsschakel wekt heel wat enthousiasme, veel mensen willen zich inzetten. Liefst drie dagen lang, op woensdag 26, donderdag 27 en vrijdag 28 november, keurden en ordenden de vrijwilligers ontvangen kledij in OC 't Zonnerad. Een grote voorraad kleren en speelgoed vullen de rekken en wachten een nieuwe bestemming.

Advent

Paraplu-mensen

De meeste mensen houden niet van regen. Al bij de eerste druppels schieten bontgekleurde paraplu's de lucht in. Wie geen paraplu heeft, kruipt dieper weg in zijn kraag of probeert zichzelf zo goed mogelijk droog te houden met een boekentas, een krant of wat dan ook. We worden niet graag nat. We gebruiken een paraplu om ons te beschermen. Maar een paraplu kan ook een uitnodiging zijn. Er is makkelijk plaats voor twee. Je gaat (even) dezelfde weg en deelt de beschutting tegen weer en wind. Met wie deel jij? In de advent worden we bij uitstek geroepen om paraplumensen te zijn. Elke dag doen we even onze paraplu open: om ons af te schermen van de drukte en tijd te maken om uit te kijken naar de komst van Christus. Maar we houden onze paraplu ook open als een uitnodiging voor de wereld. 

Uit het dagboek van Robby


Dag dagboek,

Mijn tenen doen pijn. Mijn schoenen zijn weer te klein. Als ik naar mama's gezicht kijk, ziet het er niet goed uit voor mijn tenen. Een paar nieuwe schoenen kan ze echt niet betalen nu. Misschien volgende maand ... De bazen van ons land moeten toch echt beter hun best doen. Als de juf gelijk heeft en als mama voor mij moet kunnen zorgen, dan moet ze toch echt meer geld verdienen. Gelukkig is het bijna vakantie. Thuis kan ik op mijn pantoffels rondlopen. Arme tenen.
Vorige week bracht onze buurman nog een lange broek en een trui van Jeffrey. Hij groeit al even snel als ik. Die kleren lossen mijn probleem niet op, maar ze houden mij tenminste warm. Ik vond ze niet zo mooi maar mama zegt dat het degelijke kleren zijn. “Robby, je weet dat we geen keus hebben.”
Ik haat het. Ik zou zo graag eens zelf naar de winkel gaan. Een échte klerenwinkel in een échte winkelstraat. En daar zelf iets kiezen ... Eén dingetje maar ... Jammer dat er geen voetbalprentjes bij de kleren zaten. Jordy vindt dat zo leuk. Misschien zijn ze het gewoon vergeten. Mama zegt dat het onbeleefd is om dat te gaan vragen. Mama is altijd verlegen. Als ik Jeffrey nog eens zie, vraag ik het toch. Hij heeft zelf gezegd dat hij ze niet leuk vindt en ze zal sparen voor Jordy. Dan is dat toch niet onbeleefd? Mama heeft me zelf gezegd dat ik goed voor mijn kleine broer moet zorgen en dat familie het allerbelangrijkste van heel de wereld is. Morgen vraag ik het!


Robby