Pagina's

zaterdag 28 maart 2015

Allemaal aan tafel!



In deze Goede Week komen er veel verhalen naar ons toe. Van Palmzondag tot en met Pasen worden wij overspoeld met meestal bekende verhalen uit de heilige Schrift. Ze zijn zo bekend dat we het onderhand wel weten en ze dringen nauwelijks meer goed tot ons door. Vooral omdat ons hoofd vol zit met onze eigen verhalen. Waarom worden die eigenlijk niet verteld?

Echte, menselijke verhalen over onze worsteling met een ziekte, over de gespannen manier waarop wij ons werk moeten of willen doen, over het gebrek aan tijd en daardoor het verlies van vrienden. Verhalen over de gewetensnood die we hebben na het nemen van een verkeerde beslissing of over het wanhopig zoeken naar wat troost in zware dagen. Het kunnen ook verhalen zijn over hoe succesvol wij zijn omdat we hard gewerkt hebben, over de geboorte van een kind of een kleinkind.

De Goede Week zou eigenlijk een vreugdevolle en interessante ontmoeting moeten zijn tussen onze verhalen en de oude Bijbelse verhalen. Want tussen al die oude en nieuwe verhalen door ritselt ons geloof. Ons geloof is geen roerloos niet van z'n sokkel te krijgen standbeeld, het is veeleer een zwerver die door ons leven doolt. Hier en daar vinden we wat voedsel dat ons op de been houdt.

WITTE DONDERDAG

Op Witte Donderdag horen we een verhaal over een heel volk dat nieuwe moed vindt en op weg gaat. Maar eerst eten ze samen. Droog brood en gebraden lamsvlees. De stok in de hand. Ze trekken samen op en ze weten dat God met hen meegaat. Zo vinden ze net genoeg geloof om bevrijd te kunnen worden uit hun slavernij. En zo kunnen ook wij elkaar vasthouden als het leven tegenzit, kunnen we onze rug recht houden als wij verraden of in de steek gelaten worden, kunnen we de juiste woorden spreken als er over ons geroddeld wordt of als we onterecht beschuldigd worden.

Wij hebben verhalen over mensen die elkaar de oren niet willen wassen en de ander niet willen overladen met kritiek, maar die integendeel elkaar de voeten wassen omdat de een geen baas over de ander wil spelen, die elkaar als naaste willen ontmoeten en koesteren. Tijdens een echte maaltijd delen wij brood en verhalen. De verhalen van God, het brood van God, de beker met wijn, het verbond met God. En wij delen ons geloof, ons vertrouwen. Wij mogen aanschuiven met onze verhalen. Alle onze pijn en zorgen mogen gemengd in de levensbeker van bitter en zoet. Want zo zit ook Jezus in de kring met het verraad aan tafel, met de twijfel en de angst. Alles wordt gedeeld, lichaam en bloed, leven en dood. Zo worden wij met elkaar verenigd door brood en wijn, met oude en nieuwe verhalen, Gods liefde en ons gelovig zoeken. Een grootse ontmoeting. Een sacrament.



GOEDE VRIJDAG

Mooi, te mooi om waar te zijn? 'Waar zijn ze allemaal?' Het is de hartverscheurende vraag van mensen die zich in de steek gelaten voelen. Ze zijn ontslagen, ziek geworden, met justitie in aanraking gekomen, ze hebben een gehandicapt kind gekregen en opeens verdwijnen er allerlei vrienden en bekenden. Ze worden gemeden, ze zijn een probleem geworden. In onze huizen en in onze harten kan de wanhoop toeslaan. We weten ons geen raad en voelen ons bij het vuil gezet.

Niet minder aangrijpend is de klacht die mensen uiten aan het adres van God. De God die zo vertrouwd en trouw leek, blijkt zijn naam niet waar te maken. Want als alle rechtvaardigheid verdwenen is, als mensonterende geweld de dienst uitmaakt, waar blijft dan die God?
Overal op deze wereld klinkt die bittere klacht, wordt in stilte gehuild en vertrekken gezichten van pijn. Het lijdensverhaal van Jezus wordt eindeloos herhaald in deze wereld en zijn klacht aan het kruis klinkt als een machteloze echo tot op onze dagen.

'God verlaat ons niet.'
Dat zeggen de oude woorden, dat is ons beloofd. Dat kan wel zijn, maar we voelen het vaak anders. Als de wanhoop toeslaat, als het water ons aan de lippen staat, dan lijkt het wel of we er helemaal alleen voor staan. We laten het hoofd hangen en onze mond zit vol verwijten.
De pijn neemt ons helemaal in beslag en maakt onze wereld opeens heel klein. Pijn aan het lijf, pijn in het hart, we willen het niet en we protesteren. Het lijkt wel of pijn alle liefde, alle hoop en ook ons geloof opslokt en dat wij dan niets meer willen weten van de oude beloftes en onze diepgewortelde overtuiging.

Ten onder gaan aan twijfel of je geloof verliezen. Voor veel mensen is het een breekpunt. Ze kunnen God niet meer gevonden krijgen na een groot verdriet of een vernietigend onrecht. Anderen gaan diep door het dal, maar verliezen hun vertrouwen niet. Ook al zien ze nergens een uitweg, ze weten dat het er op een dag weer zal zijn. Hun klacht is hevig, maar niet zonder vertrouwen. Zo is ook de dood genadeloos, maar niet zonder hoop. Het onrecht is misdadig, maar er zal bevrijding komen. Het verhaal van ons geloof is zo breekbaar, dat we het kunnen verliezen. Daarom moeten we het er blijvend over hebben, willen wij dit met elkaar delen. We geven het elkaar door op de dag van het kruis, uit naam van allen die gekruisigd worden in deze wereld, uit naam van allen die vergeten en alleen gelaten worden, uit naam van de ontroostbaren en van pijn verdoofde mensen. We lopen niet weg, we verloochenen niet, we zien het. We willen met hen verbonden zijn.

donderdag 26 maart 2015

Leven als paasmensen

Elk jaar beleven we de Goede Week en gaan we de weg van Goede Vrijdag naar Pasen. En daarna volgen we de leerlingen van Pasen naar Pinksteren. Voor velen onder ons routine, we kennen die verhalen – enigszins vertekend – uit het hoofd. Laten we toch proberen te begrijpen hoe de apostelen die dagen beleefd hebben. En in het bijzonder hoe de verschijningsverhalen ook ons kunnen inspireren om als christenen, als 'paasmensen', te leven. We zullen het concreet maken aan de hand van de episode aan het meer van Tiberias.

De evangelieverhalen vertellen ons hoe het avontuur van de leerlingen met Jezus ogenschijnlijk op een totale mislukking was uitgelopen. De hoop dat Hij Israël zou bevrijden van de bezetter leek ijdel. Toen Jezus gevangen werd genomen, waren ze als lafaards weggelopen. Simon Petrus had Hem driemaal verloochend. Jezus stierf de roemloos de kruisdood en werd begraven. En dan kwam het bericht van enkele vrouwen dat het graf 'leeg' was. Maria Magdalena kreeg de boodschap: 'Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien'. Maria was van Magdala, een dorpje van miserie in Galilea. Dacht ze werkelijk daar die liefdevolle, genezende, reddende Jezus terug te ontmoeten? Wat moesten de apostelen met die vrouwenpraat? Petrus en Johannes liepen vol twijfels naar het graf. Petrus zag 'het lege graf' en kon het niet plaatsen. Johannes, de leerling die Jezus liefhad, zag het ook, maar hij geloofde wel. Twee leerlingen waren ontgoocheld van Jeruzalem naar Emmaüs getrokken. 's Avonds vertelden ze dat ze Jezus herkend hadden in een vreemdeling die voor hen de Schrift verklaard had en met hen het brood gebroken had. Het is maar een greep uit de verhalen die ons overgeleverd zijn. Wat moesten de leerlingen daarmee aanvangen? En hoe zit het met ons?

JEZUS, DE LEVENDE ...
De ouderen onder ons herinneren zich nog levendig hoe we in de 'gewijde geschiedenis' bijbelprenten te zien kregen, waarop Jezus weer levend, triomferend uit zijn graf kwam. Op de achtergrond stonden Romeinse soldaten die met verstomming tegen de grond waren geslagen. Maar die scène is nergens concreet beschreven in het evangelie. Het zijn dan ook geen historische verslagen maar verhalen die een gelovige ervaring willen doorgeven. Omschrijvingen als 'de derde dag, het lege graf, uit de slaap ontwaken of verrijzen, opgewekt worden of opstaan uit de dood' ... het zijn allemaal beelden uit de joodse cultuur om te kunnen zeggen wat de leerlingen zo sterk ervaren hebben. Nl. dat Jezus' leven zo intiem verbonden of één was met God dat Hij bij zijn dood volledig opgegaan is in God. Hij is dus 'het eeuwige leven ingegaan'. Het is die intense ervaring die de evangelisten keer op keer vertellen in de paasverhalen en in de verschijningsverhalen. Al was Jezus fysiek dood, ze hebben Hem telkens weer ontmoet en herkend in hun leven. Ze hebben als het ware zijn stem gehoord. Ze hebben Hem gezien. Ze hebben Hem herkend. Het is op z'n minst te vergelijken met wat ook wij kunnen ervaren met onze geliefde overledenen? We kunnen met ze praten, we ervaren hen als levend bij ons. Ze geven ons zelfs de kracht om ons leven terug in handen te nemen. Gaandeweg zijn de leerlingen daardoor als mens gegroeid. De ontgoocheling, de twijfel en het onbegrip na de kruisdood maakte stilaan plaats voor geloof en vertrouwen. Stap voor stap gaan ze ervaren wat er met Pasen gebeurd is en welke weerslag dat op hun leven heeft. Ze worden 'paasmensen' die hun leven afstemmen op Jezus en in zijn spoor proberen te leven. Elke evangelist legt daarbij z'n eigen accent. Zo ook Johannes' verhaal over de verschijning van Jezus aan het meer van Tiberias. Armand Demeulemeester schilderde dit tafereel heel plastisch en kleurrijk op doek. Dit expressionistische werk is – zoals hier bekend – te bewonderen in het koor van de kerk van Geluveld (foto).

... AAN HET MEER VAN TIBERIAS
Ook Petrus wilde zijn leven weer opnemen op dezelfde manier als vroeger. Hij wilde gaan vissen zoals altijd. Hij was een man met ervaring. Hij kende het meer van Tiberias als z'n broekzak. De leerlingen staken 's avonds van wal en wierpen hun netten uit, aan de linkerkant of bakboord. Ze voeren de hele nacht door. Zo deden ze het vroeger altijd en toch lukte het nu niet meer. Een man op het strand vroeg om wat vis. Ze antwoordden nors 'neen'. Ze negeerden hem. Opgesloten in zichzelf, deden ze de deur dicht voor een ontmoeting. Ze snapten niet dat achter zijn vraag een belangrijke mededeling kon zitten. We kennen dat. Geen tijd voor een gesprek. Op de andere gericht leven is niet gemakkelijk. Ze hadden het Jezus nochtans vaak zien doen. De blinde moest Jezus zelfs niet roepen om hulp. Jezus zag hem en ging er zelf naartoe. Die vreemdeling op de oever was wel geïnteresseerd in hun probleem. Ze hadden niets gevangen. Hij leefde met hen mee en wou hen helpen: 'Gooi het net rechts uit'. 'Gooi het over de andere boeg, 'dan lukt het wel'. En inderdaad het lukt. Een' andere boeg' is een prachtige metafoor voor een andere manier van leven. Het is een uitnodiging om nieuwe wegen te durven gaan en de kant te kiezen van het leven waar aandacht is voor anderen, waar geluisterd wordt naar elkaar. Wie Pasen heeft meegemaakt, kan niet doen alsof er niets gebeurd is.

Simon Petrus sprong uit de boot als hij de geliefde leerling hoorde zeggen: 'Het is de Heer'. Petrus had de hint van Johannes nodig. Dan spoedde Petrus zich naar Jezus, maar keerde terug om samen met de anderen de vangst aan wal te brengen. Niemand kan zoiets alleen. Daarvoor hebben we elkaar nodig. Jezus rekent ook op onze bijdrage: 'Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben'. Geloven doen we samen. En onze bijdrage leveren we in groepen van dienstbaarheid. Denken we bij voorbeeld aan onze Welzijnsschakel 't Zunnetje voor mensen in armoede, aan aan onze kernen van ziekenzorg, aan mensen die voorgaan in gebedsdiensten of die meewerken in de catechese, de koren, de bewegingen, parochie- en kerkraden, de federale stuurgroep ... Dat is kerk zijn. Zo gebeurt God. Zo leeft en handelt Jezus door zijn 'paasmensen'.

Ze vingen overvloedig vis. Het net zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. Zeventig jaar later was het voor de christenen rond Johannes duidelijk dat die honderddrieënvijftig vissen verwezen naar het aantal leden van hun gemeenschap waarin ze leefden als 'paasmensen': ze leefden zoals Jezus het hun had voorgedaan en iedereen kon zien hoe ze elkaar liefhadden. Ze waren uitdrukking van zijn visioen. Ze waren mensenvissers geworden. 'Paasmensen' hebben aandacht voor anderen. Niemand is een vreemdeling. Ook niet die aan de kant staan. Die ver van ons bed in het Zuiden leven evenmin. Zelfs niet de armoezaaiers die stommiteiten blijven uithalen en zo in de schulden blijven zitten. Gekwetste en eenzame mensen die we zelf moeten opzoeken. 'Wie is dan zijn naaste?' vroeg Jezus nadat hij de parabel van de barmhartige Samaritaan verteld had.

'Paasmensen' willen ontmoeten, met Jezus' ogen naar mensen kijken, dichtbij of ver weg, begrijpen, mededogen voelen, iets voor anderen betekenen, in kleine dingen soms, maar in het bewustzijn van Jezus' visioen. Jezus nodigde hen uit om iets te eten, om maaltijd te vieren, om het brood en de vis te breken en te delen zoals bij de broodvermenigvuldiging, bij het Laatste Avondmaal en in zovele verhalen uit de evangelies. Toen begrepen de apostelen pas echt dat Jezus 'in hun midden was'. Zondag na zondag kunnen wij ook die levende Jezus vieren. Luisteren naar woorden over 'de andere boeg'. Die blijde boodschap in ons opnemen en beleven in ons dagelijks leven: gerechtigheid doen, vergeven en verzoenen, leven voor de anderen en het hooglied van de liefde doen, God zoeken en rank worden van de wijnstok, lijden en sterven aanvaarden en hopen op leven voor altijd. Elke zondag is het Pasen. Elke zondag vieren we dat 'Jezus leeft'. Zo worden wij teken van zijn visioen. Zo worden we sacrament voor elkaar.

... EN VANDAAG
Na de maaltijd neemt Jezus Simon Petrus terzijde en vraagt hem driemaal 'Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?' Petrus die Jezus driemaal verloochend had, stamelt nu driemaal een bevestiging. En driemaal vertrouwt Jezus aan Petrus de opdracht toe om universele herder te worden. Ten slotte vraagt Jezus aan Petrus om Hem te volgen op de weg van de liefde. Die uitnodiging is ook aan ons gericht. Gelukkig zijn er ook kerkmensen van onze tijd die leven van dat paasvisioen en ons uitnodigen om daarin mee te stappen. "Wat wil God ons zeggen door de veranderingen die wij meemaken in Kerk en samenleving? Welke nieuwe kansen legt Hij open, niet bij de buren maar juist bij ons? Waartoe daagt Hij ons vandaag uit, als wij zijn leerlingen willen zijn? Christenen willen leerlingen van Jezus zijn en ze willen dat samen doen. Van Hem hebben we alles te leren, steeds opnieuw.”

Paus Franciscus tenslotte benadrukt steevast dat in het hart van de christelijke boodschap de arme en kwetsbare mens staat. Hij geeft de voorkeur aan een kerk “die gekneusd, gewond en vuil is, omdat zij steeds op straat is, boven een kerk die ongezond is omdat zij niet buiten haar grenzen kan gaan en zich vastklampt aan haar eigen veiligheid”. En hij getuigt voor heel de wereld dat de kerk een gemeenschap van liefde is. Hij gaat ons voor in gaarne zien, in arm en nederig zijn, in werken van barmhartigheid doen, in vrede en gerechtigheid voor alle volkeren.

maandag 16 maart 2015

De goede dood


Er is een vreemds aan de gang in onze samenleving. Enerzijds zijn ziekte en dood uit het dagelijkse leven gebannen richting woonzorgcentra en ziekenhuizen. Anderzijds lopen we storm voor emotionele rouwdiensten en hebben we de mond vol over hoe we willen sterven. We lijken wel gefascineerd door de 'goede dood' en in dat maatschappelijk spreken lijkt euthanasie een evidentie geworden. Het is op korte tijd voor heelwat mensen geruisloos het prototype geworden van die mooie dood. Over euthanasie en over het omgaan met de vraag ernaar in de pastoraal had een studiedag plaats op maandag 2 maart in 'De Lovie' in Proven. Priester Philippe Hallein gaf de inleiding, ziekenhuispastor Miguel Dehondt (Jan Ypermanziekenhuis) en Marian Vanacker (Psychiatrisch ziekenhuis Heilig Hart) in Ieper getuigden vanuit de praktijk. Enkele beschouwingen ...

Is euthanasie een evidentie?
Euthanasie vragen is in België sinds 2002 een wettelijk erkend recht waarbij een zieke onder welomschreven voorwaarden - zoals o.m. een medisch uitzichtloze situatie, aanhoudend lichamelijk en/of psychisch lijden - kan verzoeken om levensbeëindiging met de hulp van een arts. Men kan ook zijn wil over het levenseinde uitdrukken in een wilsverklaring die eveneens aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Geregeld duiken pleidooien op voor uitbreiding van de euthanasieregeling naar andere groepen zoals naar wilsbekwame minderjarigen (wat in 2014 werd gestemd en veel kritiek wereldwijd opleverde), of naar dementerenden, of naar niet behandelbare geïnterneerden of gewoon naar ouderen die hun leven als voltooid ervaren en het mooi willen afsluiten.

Feitelijk neemt het aantal euthanasiegevallen toe. In 2013 werden in België 3239 gevallen van euthanasie geregistreerd. In 73% van de gevallen ging het om kankerpatiënten, in 87% om patiënten die 'kennelijk binnen afzienbare tijd zouden sterven'. Slechts een kleine minderheid (13%) betrof mensen die nog een lange levensverwachting hadden . 61% van de patiënten die in 2013 euthanasie kregen was ouder dan 70. Merkwaardig is echter dat - zoals uit onderzoek blijkt - de meeste mensen die over euthanasie spreken, zich uiteindelijk niet laten euthanaseren.



De euthanasievraag als vraag naar een gesprek over levenseinde
Achter dat nogal vlotjes vragen naar het verlossende spuitje blijken diepe angsten en zinvragen schuil te gaan. In het spreken over euthanasie zit maar al te dikwijls een vraag om het eigen levenseinde bespreekbaar te maken. Er is de angst voor nutteloze therapieën of voor pijn en verstikking. Er is de twijfel of men het wel zal aankunnen de hele weg ten einde te gaan. Het verlangen gespaard te worden voor lijden is van alle tijden. Als de arts kan informeren hoe die ongemakken medisch verholpen kunnen worden, verdwijnt vaak de onrust. Dan komt er weer openheid voor wat er nog aan kleine mooie dingen te beleven valt. Maar naast de louter medische zorg blijft in die beklemmende momenten ook menselijke nabijheid en deskundige ondersteuning broodnodig. Zowel in thuissituaties als op palliatieve diensten merk je de weldoende invloed van die zorgende en respectvolle aanwezigheid.

Angst voor afhankelijkheid
De vraag naar euthanasie gaat vandaag echter verder dan alleen maar in situaties van ondraaglijk lichamelijk lijden bij terminale patiënten. Mensen zijn ook bang voor de aftakeling die de ouderdom zou kunnen meebrengen. Ze willen niet afhankelijk worden van anderen of zijn bang hun geliefden tot last te zijn. 'Dat is toch geen leven meer', klinkt het dan. Maar welk beeld van mens-zijn en van zinvol leven schuilt daarachter? Waarom hebben velen het zo moeilijk om anderen nodig te hebben? Is heel ons bestaan niet verweven met dat van anderen? Hebben ze dan zelf niet vaak met heel veel genegenheid en toewijding voor anderen zorg gedragen? Waarom laten ze niet toe dat anderen dat ook voor hen willen doen? Is het zo moeilijk om te ontvangen?

Levensmoe of het voltooide leven
Steeds vaker hoor je de vraag naar euthanasie ook bij mensen die levensmoe zijn, mensen die zichzelf als het ware overleven. Ze horen er niet meer bij, hebben niets meer te verwachten van het leven. Ze kwijnen weg in een eentonig en eenzaam bestaan, thuis of in een woonzorgcentrum. Hun betekenis lijkt verengd tot een zorglast en een zorgkost. Heeft onze samenleving geen ander antwoord op die levensmoeheid dan de zachte dood? Deze vraag wordt nog schrijnender bij dementerenden. Een man werd aangesproken op het feit dat hij zijn dementerende echtgenote dagelijks ging bezoeken. Het kostte hem moeite, ja. Hij moest daarvoor ook een en ander opofferen. 'Je moet dat niet zo vaak doen', raadde men hem welwillend aan. 'Zij kent je toch niet'. 'Dat is waar', antwoordde hij, 'maar ik ken haar wel'! Maakt zo'n antwoord niet duidelijk dat ons bestaan zijn betekenis mede ontleent aan de koestering, de erkenning en de waardering van de andere? Mogen we niet geloven dat elke mens ook zo ten diepste door God gekend en bemind is?



De euthanasievraag als vraag naar de ultieme zin
Achter al die bekommernissen schuilt de vraag naar wat zinvol leven is, naar de zin van het lijden, naar je betekenis als mens. Durven en kunnen we doorstoten naar die diepste diepte van ons bestaan? Soms is sterven een kortstondig moment maar meestal is het een min of meer langdurig proces. Het is een stukje leven dat nog iets waardevols kan toevoegen aan wie je bent. Het kan zelfs nog een ander mens van je maken. Het kan verzoening en vergeving bewerken. Het kan je helpen om het levengevende woord te spreken waarvan wie achterblijft nadien kan leven. Het kan je leven vervullen. Deze kijk op sterven staat haaks op de wens of de praktijk om het sterven te bewerken of te versnellen. Vaak is de motor achter de aanhoudende euthanasievraag het verlangen om de regie over het eigen leven te behouden en het zelfbeeld overeind te houden. Het vraagt inderdaad moed om de confrontatie met beperkingen en onmacht aan te gaan. Het is niet evident om midden vele verlieservaringen nog een weg naar levensvervulling te ontdekken. Dat vraagt tijd. Dat vraagt ook steun en nabijheid van je omgeving. Dat vraagt soms ook geloof.

Sterven als relationeel gebeuren
Merk op dat in het woord om-geving de term geven besloten ligt. Sterven is de levensfase bij uitstek waar je kan ontdekken wat je in het leven allemaal 'gegeven' is. Ze kan je laten ervaren dat je niet alles in handen hebt, dat je niet almachtig bent maar dat dit ook niet nodig is. Ze kan je immers ook laten ontdekken dat je betekenis verder reikt dan je eigen levensproject, dat je waardevol en geliefd bent om wie je bent, zomaar, ook in je kwetsbaarheid en hulpbehoevendheid. Kan je je aan die verbinding met je omgeving toevertrouwen? Of kies je ervoor om in de euthanasie toch je autonomie door te drukken onder het motto 'het is toch mijn leven'? Besef je dan dat de eenzijdige klemtoon op je eigen autonomie een inbreuk kan zijn op de autonomie van je omgeving? Als je euthanasie krijgt, is jouw probleem wel opgelost, maar voor de geliefden die achterblijven is het soms moeilijk om weer voluit aan te knopen bij het leven. Sterven is ook een appel aan de omgeving. Kan en wil de omgeving de duistere weg van het laatste lijden meegaan of wordt haar roep om het sterven te doen vooruitgaan zo dwingend dat aan de stervende zijn eigen parcours ontzegd wordt? Kunnen stervende en omgeving elkaar in onmacht nabij zijn, geduldig en warm? Kunnen ze elkaars hand vasthouden? Er is ook een werkelijkheid die je eigen leven en sterven overstijgt en waarin je een kleine maar niet anonieme schakel bent. Voor wie gelooft, is die dragende grond van je bestaan Iemand die tot je zegt: 'Vrees niet, Ik ben er'.

Waken en bidden

Sterven is triest. Sterven doet pijn. Lijden op zich is niet zinvol en moet zoveel mogelijk verlicht worden. Maar er is ook veel menswaardigheid in het lijden als het samen gedragen wordt, als mensen elkaar nabij zijn, ook als ze niets meer kunnen doen. Als je het hebt meegemaakt kun je daarover niet zwijgen. Op de weg door het lijden keek Jezus uit naar de steun van zijn vrienden: 'Waak en bid hier met mij'. Hij riep ook om de trouw van zijn Vader: 'Waarom heb je mij verlaten?' Misschien moeten wij de kracht herontdekken van het waken en bidden bij de stervende mens.

donderdag 5 maart 2015

Augustinus' bekering tot gemeenschap






Op zaterdag 28 februari had de halfjaarlijkse FAN-ontmoetingsdag plaats in het Augustijnerklooster in Eindhoven. De FAN of de Familia Augustiniana (Augustijnse Familie) is een lekenbeweging van diverse groepen in Nederland en met een uitloper in Vlaanderen, Zonnebeke-in-het bijzonder, rond de orde van de Augustijnen. Ze komen regelmatig samen om elkaar in een geest van vriendschap te ontmoeten, om tijd te nemen voor bezinning aan de hand van wat Augustinus, in het spoor van Christus, gezegd en geschreven heeft en voor gezamenlijk gebed. Gastspreker was Nico Beumer (1926), een krasse tachtiger, die er als Augustijn 52 jaar missie in Bolivia heeft opzitten.

Hij steekt meteen van wal met de merkwaardige vaststelling dat hij tijdens zijn studies, een regime van gestrengheid, in het noviciaat bijna niets te horen kreeg over Augustinus zelf. Ze bedienden hun scholen en parochies en daar spitste de opleiding zich op toe. Veel verder dan een introductie in de regel en een verwijzing naar de Belijdenissen van Augustinus ging het niet. Spiritualiteit, een heel eigen manier van geloofsbeleving, was toen eerder een randverschijnsel. Er waren zovele religieuze gemeenschappen, maar je had er een beetje het raden naar of er nu een wezenlijk verschil was tussen een Saleziaan, een Capucijn, noem maar op ... en een Augustijn. Die vraag drong zich bij hem nadrukkelijk op bij de opstart van een specifieke opleiding in Bolivia. Hij schreef er toen – oorspronkelijk in het spaans – een boekje over. Een kennismaking met de spiritualiteit, bedoeld voor kandidaten die interesse hadden in de opleiding en de vorming tot het Augustijnse gemeenschapsleven.

'Altijd onrustig, Augustinus' zoektocht en spiritualteit'
Wat dit boekje zo waardevol maakt is de eenvoud waarmee 'tot geloof komen' en 'vanuit het geloof handelen' is beschreven. Nico Beumer heeft een gedreven en doelgerichte stijl waarbij hij maar weinig woorden nodig heeft om de Augustijnse spiritualiteit te concretiseren en toegankelijk te maken. Zo beschrijft hij de jonge Augustinus als een intellectueel die niet langer meer op zoek is naar een filosofisch systeem waarin alles klopt, maar naar een persoonlijke God. De 21 overwegingen nemen de lezer mee vanuit de bekering van Augustinus (nrs 1-4) via de Godservaring (5) naar de reis naar binnen, naar jezelf en naar God: een weliswaar smalle weg maar toch voor ieder begaanbaar en even noodzakelijk als ademhalen (6-12). Als je jezelf in God hebt ontmoet als nieuwe mens, ben je vrijer om anderen te ontmoeten. Je ontdekt samen op een nieuwe manier de wereld: vanuit de echte vrijheid, waarheid, waardigheid en liefde. Uitleg over vriendschap, broederlijk samenleven en de actualiteit van Augustinus' werkwijze sluiten hierbij aan (12-20). De laatste overweging stipt aan wat op het spel staat tijdens de jaren van ons sterfelijk bestaan: onze waardigheid, de zin van ons leven, de aarde en enorme problemen als uitbuiting, verspilling, honger ... Ieder van ons heeft de verantwoordelijkheid en de opdracht zich in te zetten voor en met anderen zonder het eigenbelang te zoeken. De lijn loopt van onze eigen omgeving naar de grote wereld rondom ons.

Bekering tot gemeenschap
Dit alles vraagt dus om bekering. Augustinus was een vriend van mensen, hij kon niet zonder vriendschap. Zo zat hij ineen. Het is natuurlijk gezellig en leuk om met een stel vrienden op te trekken, zich te vermaken of zelfs om in alle ernst te discussiëren, boeken te lezen en bespreken. Maar vriendschappen zijn vaak broos, teleurstellend, conflictueus en dus tijdelijk en moeten al stevig gefundeerd zijn om duurzaam te zijn. Augustinus stipt aan dat mensen uit zichzelf al verdeeld zijn, dat ze zichzelf ontlopen en dus niet 'au serieux' nemen. Hijzelf was bijvoorbeeld omwille van z'n welsprekendheid heel succesvol in z'n omgeving. Gaandeweg ontdekte hij dat het hem alleen maar om stijl en mooie woorden te doen was en niet om inhoud. Het maakte hem wanhopig te zien hoe anderen, die veel minder getalenteerd waren dan hij, er wel in slaagden het evangelie ernstig te nemen en ernaar te gaan leven. Dat kon hij maar niet opbrengen. Hij wilde wel, maar tegelijkertijd ook weer niet! Toen Augustinus in een diepe persoonlijke crisis onder een vijgenboom geheel toevallig een tekst van Paulus (Rom. 13,13-14) onder ogen kreeg, besefte hij dat 'iemand' deze woorden tot hem sprak. Iemand miste hem, had met hem te doen. Die 'iemand' was Christus. Een echte ontmoeting,
ja roeping werd het. Het keerde hem helemaal ondersteboven. De volheid, de genade die hij toen ontvangen heeft, dreef hem z'n gehele verdere leven voort. Die wou hij uiten in woord en daad en samen met anderen in gemeenschap gaan beleven.

Die gang van zaken is bijzonder actueel. Veel mensen geloven nog wel, willen nog wel maar dobberen stuurloos zonder gemeenschap rond. Ofwel koesteren ze nog de illusie dat ze die niet nodig hebben, ofwel vinden ze geen aansluiting, komen ze niet thuis in nog bestaande (parochie)gemeenschappen. Of we nu tot zo'n gemeenschap behoren of niet, voor ons allen geldt, zoals voor Augustinus toen, dat we ons moeten bekeren tot gemeenschap. Het is niet omdat je in het weekend op de parochie naar de mis gaat dat die bekering een feit is. Misschien kom je daar gewoon maar, los van iedereen, je geloof consumeren en draait alles rond je eigen persoontje. Het middelpunt van de Augustijnse spiritualiteit draait steeds weer rond dat gemeenschap vormen. Je eigen middelpunt verlaten om de ander tegemoet te treden. Hoewel Augustinus zijn rust gevonden heeft in God, ervaart hij later dat “God geen rustig bezit is. ... Telkens weer dien je de ontmoeting met Hem en je medemensen weer naar boven te halen. Maar er zijn ook momenten van verwijdering, afwezigheid, lauwheid. Als je niet bereid bent om de liefde te heroveren met inspanning, zal de liefde langzaamaan sterven.”

Deze afgang, afname van vitaliteit, zien we helaas maar al te vaak weerspiegeld in onze parochiegemeenschappen. Teleurgesteld laten wij het dan vaak schieten of zitten. Wie behept is met de Augustijnse spiritualiteit wil zich zien los te maken van eigenbelang. Het kan je net als Augustinus persoonlijk voor de wind gaan, je kan jezelf een goed mens wanen en toch niet in de gaten hebben dat je in je eigen centrum blijft steken, dat je eigenbelang voor alles en iedereen komt en dat je uiteindelijk alleen maar met jezelf bezig bent. Dat precies zat Augustinus dwars, bracht hem in crisis, maar resulteerde finaal in z'n bekering tot gemeenschap met God en z'n medemensen, m.a.w. in het lichaam van Christus.

Altijd onrustig. Augustinus' zoektocht en spiritualiteit / Nico Beumer, OSA. -Eindhoven: Nederlandse Provincie OSA, juni 2014. 
Brochures Provincialaat nummer 21.

Te bestellen via het provincialaat@augustijnen.nl 3,50 euro exc. Porto.