Pagina's

vrijdag 31 mei 2013

De parochie

een randgeval



De klassieke parochie staat als model voor een geloofsgemeenschap onder zware druk. Op een aantal vlakken scoort ze onvoldoende. Plaatselijke verantwoordelijken torsen vaak een te zware last omdat zij kost wat kost en dikwijls onder druk de erfenis uit het verleden willens nillens moeten in stand houden. De maatschappij evolueert razendsnel en de ontkerkelijking voltrekt zich ook sneller dan gedacht. Dat gaat onvermijdelijk gepaard met een gevoel van malaise of met een ervaring van verlies. Een groot deel van de trouwe kerkgangers wil voor de tijd die hen nog rest in schoonheid eindigen en het liefst voortdoen zoals ze het altijd gewoon waren. Nogal wat randkerkelijken willen op afroep, à la carte, vaak op hun wensen en voorwaarden bediend worden en doen een oneigenlijk beroep op de Kerk. Soms gebeurt dat respectloos. Voor hen is de Kerk een instelling, geen geloofsgemeenschap waarin ze participeren. Veel eer wordt er met kerkwerk niet meer gehaald. Niet gemakkelijk voor goedmenende kerkmensen die de christelijke boodschap in deze tijd authentiek willen beleven of gestalte geven.

De crisis doorleven
De kerk doorleeft een diepe crisis en meestal wordt daar het verminderende aantal priesters voor aangehaald. Een tweede ernstig probleem is de verminderde vitaliteit van de parochies. Het wekelijkse kerkbezoek in het weekend is door de jaren heen flink gedaald, de inkomsten krimpen navenant, kerkgangers en vrijwilligers worden steeds ouder. Wat we vaak vergeten is dat de crisis bij orden en congregaties minstens even groot is. In vrijwel alle parochies zijn ze verdwenen of serieus op hun retour. Parochies en congregaties – op het platteland vooral de zusters – vormden een hecht tweespan. Waar de parochies instonden voor het beschikbaar stellen van de sacramenten, speelden de congregaties in het verleden een belangrijke rol in de geloofsverkondiging, de spiritualiteitsbeleving en in het opnemen van concrete noden in de samenleving. Je mag je best afvragen of de parochies in hun huidige samenstelling niet overvraagd worden als ze dat er ook nog allemaal moeten bijnemen. Daarbij komt nog dat het christelijk geloof de vanzelfsprekendheid van weleer verloren heeft en dat de overdracht ervan op het spel staat. Bij hedendaagse mensen ervaar je zelfs vaak een regelrechte onmacht om te geloven. In ieder geval is geloven in deze tijd voor de meeste mensen een proces van zoeken en van persoonlijke keuzes geworden. Vele trouwe kerkmensen ondergaan vandaag deze teloorgang als een ernstig verlies dat ze moeten verwerken. Het is een rouwproces dat vaak begint met ontkenning, er worden uitvluchten gezocht, de situatie wordt vergoelijkt, er wordt gezegd dat het al bij al nog meevalt, er wordt kranig nog een tandje bijgestoken … maar dan komt onvermijdelijk het besef dat het zo niet meer gaat. Dat doet pijn. Men zoekt eerst nog naar zondebokken. Het is de schuld van Rome of van de bisschoppen of van het modernisme, het materialisme. Maar al die beschuldigingen dienen vooral om de pijn af te weren en brengen ons geen stap verder. Cruciaal voor de toekomst is dat we erkennen dat het oude vertrouwde voorbij is – en zonder het kind met het badwater weg te spoelen – geen drager meer is van een vitale toekomst. Maar voor het zover is, is het belangrijk in die pijn te gaan staan en die rouw niet als een teken van zwakte te zien.



Een nieuwe missionaire uitdaging
Dat belet niet dat de cruciale vraag die alle mensen, die de kerk en het geloof genegen zijn, zich moeten stellen, niet is of we de erfenis uit het verleden naar de vorm ongeschonden hebben bewaard. Het gaat erom of we het verhaal van Jezus Christus aan een nieuwe generatie hebben doorgegeven. Is het niet kwantitatief dan toch kwalitatief. Wat ondernemen wij werkelijk om mensen in onze omgeving in contact te brengen met de rijkdom van het geloof en de christelijke traditie? Een van de grootste uitdagingen vandaag is de ommekeer te maken van een kindercatechese tot een familiecatechese. Nogal wat mensen ook hebben religieuze ervaringen maar ze groeien niet uit tot een volwassen christelijk geloof. Dat komt misschien omdat men er in de parochies nog altijd blindelings op vertrouwt dat de geloofsoverdracht zich voltrekt volgens het klassieke patroon van vroeger. En als men er al niet gerust in is weet men vooral niet hoe dat aan te pakken. Dit is geen pleidooi voor nieuwe 'zieltjeswinnerij' maar wel om de zorg voor de ziel ernstig te nemen.

De huidige situatie en het zwakte-aanbod dwingt de Kerk tot reorganisatie en daar is op zich niets mis mee. De schaarse middelen en menskracht moeten zo goed mogelijk verdeeld worden. Maar net zoals in het bedrijfsleven schep je daarmee nog geen nieuw product dat aanslaat. In het gunstigste geval creëert men betere voorwaarderen om aan die zielzorg te werken. Reorganisatie en samenvoegen van parochies, het komen tot nieuwe structuren, vergt echter veel energie. En vooral als het te lang duurt kan dat mensen teleurstellen en voortijdig doen afhaken. De beste remedie daartegen is tegelijkertijd nieuwe activiteiten op het vlak van liturgie, verkondiging en hulpbetoon te ontwikkelen want dat brengt juist nieuwe mensen aan.

Moet iedereen mee?
Een veelgestelde vraag is of alle betrokken gelovigen dan verplicht moeten meegaan in de nieuwe structuur en in die nieuwe activiteiten. Veel kerkgangers vinden het allang goed als hun wekelijks mis niet in het gedrang komt en dat ze het verder maar uitzoeken. Je kunt inderdaad niemand forceren want dat zou in feite neerkomen op het overvragen van heel wat mensen. Niettemin moet duidelijk zijn met wie men samen de toekomst vorm zal geven en wie van zich daartoe wil engageren. Zij worden dan als het ware de pioniers, de voortrekkers die de Kerk plaatselijk door deze overgangsfase kunnen leiden. Priesters (emeriti) en vrijwilligers die daarin niet meegaan, kunnen ondertussen nog heel zinvol en goed hun diensten blijven aanbieden, met name op de gebieden van pastorale zorg, uitvaartliturgie, weekendliturgie, gebeds- of bezinningsgroepen … maar ze dienen dan wel de nieuwe ontwikkelingen te ondersteunen, daarvoor ruimte te geven en ze niet tegen te werken. Dan kan iedereen zich met vreugde verder blijven engageren zonder gebukt te gaan onder een last die zij niet kunnen of willen dragen. Dikwijls zijn dat de mensen die vooral gemotiveerd zijn om 'hun parochie overeind te houden'. “Vraag ons wat wij in dit verband kunnen doen, waarmee we je kunnen helpen en we doen het”, is hun motto.

Er zijn ook andere vrijwilligers die in hun leven hebben ervaren hoe groot de waarde van het geloof kan zijn, soms door een persoonlijke crisis heen of door een bewust gekozen weg te gaan. Het zijn spiritueel geraakte mensen. Er zijn er ook die aangedaan zijn door wat er zich in de maatschappij aan onrecht afspeelt, wat er dichtbij of veraf, met mensen gebeurt. Ze ervaren dat als 'godgeklaagd', hebben daar geen vrede mee en proberen er iets aan te doen, meestal samen met anderen. Het zijn vooral zo'n mensen waarvan nieuwe initiatieven uitgaan en die de dragers zijn van de toekomst van ons christelijk geloof. Het gaat er hen niet zozeer om wat zij mogen of kunnen doen. Zij bieden zich gewoon beslist aan met hun gelovige bewogenheid en vragen of zij daarvoor ruimte en medestanders kunnen krijgen in de parochie. Als die er niet is zullen ze die elders zoeken. Het is natuurlijk wenselijk dat een parochie juist deze mensen opzoekt, hen de ruimte geeft in het pastorale beleid en hen ondersteunt. Maar de toekomst van de parochie hangt nu nog altijd af van het samenspel van beide groepen. Daarom is het zeer belangrijk dat ze elkaar verstaan, dat ze de anderen in hun waarde laten, niet als een bedreiging ervaren en blij zijn met de bijdrage van de andere groep. De pioniers moeten de anderen niet verplichten tot een last die hen niet ligt maar blij zijn met de thuisbasis die door de trouwe werkers in de parochie wordt geboden. De trouwe werkers dienen ook belangstelling en waardering op te brengen voor de pioniers en zich door hun geloof te laten aansteken, zonder zich verplicht te voelen tot het onmogelijke.


Lokale verankering
Een gevaar – en vooral in een landelijke gemeenschap als de onze – is dat bij centralisatie alles naar een centrum gezogen wordt en dat er plaatselijk een kaalslag gebeurt. Het leven, ook het religieuze leven moet minimaal lokaal ingebed en verankerd blijven. Een beetje naar analogie van de aanwezigheid van diverse ontmoetingscentra (OC's) in de deelgemeenten. Zo kan een nieuw op te richten 'pastorale eenheid 'best centraal geleid, bestuurd en beheerd worden en toch nog lokaal beleefd of zelfs georganiseerd worden. Een 'pastorale eenheid' zijn verschillende parochies die voor alles wat de organisatie van de pastoraal of zielzorg opgaan in een nieuwe op te richten entiteit en zo in feite en in rechte een nieuwe parochie worden. In feite geldt bij dit alles ook hier best het subsidiariteits-beginsel. Volgens dit principe behoort een hoger echelon of geleding (bv. een federale stuurgroep of een pastoraal team) slechts initiatieven te nemen die plaatselijk niet of te weinig worden opgenomen. Zaken die nu vaak plaatselijk ontbreken of bij gebrek aan menskracht onder druk staan zijn bv. (volwassen)catechese of diaconale initiatieven. Ook het aanbod en de kwaliteit van de liturgie moet bewaakt en bijgestuurd worden. Dat alles veronderstelt ook dat de juiste mensen met de nodige vaardigheden op de juiste plaats acteren. De plaatselijke verankering kan belichaamd worden door parochieraden en parochiale contactpersonen.


donderdag 23 mei 2013

Leerhuis

Geloven met vaart


Het Leerhuis voor Geloof en Pastoraal zit er weer op. Dit werkjaar kwamen er op uitzonderlijk veel plaatsen in ons bisdom maandelijks groepen samen om met elkaar in gesprek te gaan rond het thema 'Kerk-binnenste-buiten'. De afsluit gebeurde gezamenlijk dinsdagavond 21 mei in Centrum Groenhove te Torhout. We hoorden daar van verschillende getuigen hoe de Schrift hen inspireert, een gids kan zijn in het dagelijkse leven zelf. Als orgelpunt volgde nog een schitterend optreden met religieuze liederen van het koor 'De Colores'.

Het onderwerp van het Leerhuis kwam niet zomaar uit de lucht gevallen. Samen Kerk-vormen gebeurt vandaag in een totaal gewijzigde context dan voorheen. Het is als met een voetbalploeg op de sukkel. We spelen Play-off 3. De degradatie wenkt. De automatismen van weleer doen het niet meer. Er is nog weinig samenhang. We staan met veteranen op het veld. Daar helpt geen lievemoederen (lees saneren, herstructureren) aan. Meer nog, we zijn het spel wat verleerd. We horen niet meer wat de 'Coach' ons toeroept. Dan kan het geen kwaad de eigenlijke spelregels van onder het stof te halen. En die vind je doorheen de ganse de Bijbel. Daar hield het Leerhuis zich dan ook in essentie mee bezig. Samen Kerk-vormen hoe doe je dat? Dat is bouwen aan het Koninkrijk Gods. De bouwheer is God zelf en die hanteert gans andere wetmatigheden dan de mensen zelf. Om dat te verduidelijken bracht Jezus bij wijze van voorbeeld zelf een aantal gelijkenissen aan.



De schat en de parel
(Mt 13, 44-46)
'God vinden' wordt door Jezus vergeleken met het vinden van een schat of van een kostbare parel, een gebeuren dat heel het leven van de vinder verandert. Iemand kan natuurlijk gaandeweg tot dit geloof komen of het erven binnen een lange traditie. Maar het kan hem ook overvallen. Geloof is, hoe dan ook, een ontdekking, een 'genade' of een 'gave' van uitzonderlijke waarde. Het is dus meer dan een extraatje naast de dingen waar het uiteindelijk in een mensenleven zogezegd op aan komt. Het is niet nog 'een beetje' God, 'een beetje' eeuwigheid, 'een beetje' zingeving als surplus. Neen, hier wordt een kader bedoeld dat alles omvat. Het geheel geeft kleur aan aan je werk, je keuzes, je benadering van mensen, de gemeenschappen waaraan je werkt... Die kunnen eerst, oppervlakkig gezien, maar een droog stuk aarde lijken, maar we ontdekken hierin nu een echte 'schat'. Omdat we nu kijken zoals Jezus dat deed. Iets gewoon wordt dan buitengewoon. Daar hebben we alles voor over, niet als een opgelegde beproeving maar als een opgave die vreugde brengt. Vergelijk het met een moeder die veel 'opoffert' voor haar gezin en daar heel wat voldoening uit put.

Zaad en grond
(Mt 13, 1-9)
In de parabel van de zaaier geeft Jezus geen les landbouwkunde. Een zaaier zaait immers alleen op goede grond, niet op de hard gestampte weg, op rotsen en tussen distels. Het is Jezus die er op uit trekt om het goede nieuws van God uit te zaaien. Hij doet dat niet op z'n eentje maar samen met z'n volgelingen. Het gaat allerminst gepaard met machtsvertoon of met groots religieus spektakel. Het gelijkt op iemand die in het wilde weg begint te zaaien. En als een zaaier zaait, dan begint er iets nieuws, zonder lawaai, aanvankelijk zelfs onder de grond, maar je houdt het niet meer tegen. Zaad heeft in zich een grote kracht. Tenminste als het valt in goede aarde. Want soms valt het bij mensen niet in goede aarde. Op de weg, bij mensen die Jezus geen kans geven. Of op rotsen, bij mensen die enthousiast met Jezus meegaan, maar van zodra het moeilijk wordt afhaken. Of nog tussen de distels, bij mensen die verstikken in banaliteiten of in hun alledaagse beslommeringen. Jezus wekt in deze gelijkenis in de eerste plaats aandacht voor wat God in mensen doet? Geloven is God God laten zijn. Zelf de pretentie laten varen anderen te helpen, maar er van uit gaan Gód zo veel mogelijk te helpen. En als je dat lukt, ben je er ook voor anderen. Gaan leven voor de anderen en dat niet beleven als een heldhaftige morele prestatie. Je weet je door God gedragen, en wil er enkel voor anderen op zo'n wijze zijn, dat ook zij zich door God weten gedragen.

Graan en onkruid
(Mt 13, 1-9)
God heeft het laatste woord en na de zaaitijd komt de oogsttijd. Er bestaat nauwelijks een andere gelijkenis in het Nieuwe Testament waarin zoveel vertrouwen uitgesproken wordt en die ons moet genezen van krampachtigheid en haast. Al lijkt de wereld soms verstikt in hels onkruid, wekt Jezus in ons de zekerheid dat alles uiteindelijk goed komt. De goede boodschap luidt dan: geduldig blijven liefhebben, de goedheid van God blijven opdelven in onszelf en in de anderen. Om uiteindelijk te zien, hoe God niets laat verloren gaan van de liefde waaraan wij gestaag blijven werken, en ook hoe er mensen aan Gods tafel aanzitten die wij verketterd hadden als onverbeterlijk gespuis. Het is dus niet aan ons om voortijdig te gaan wieden want dan spelen we zelf voor God. Het goede en het kwade zitten vaak onontwarbaar vervlochten,
ook in ons leven. Een rottende hoop compost kan best een prachtplant voeden. Alles is in zekere zin 'dubbelzinnig'. Zelfs achter een schijnbare daad van grote generositeit kan je gemakkelijk eigenbaat ontdekken. 'Laat beide samen opgroeien' zegt Jezus. Spaar ons van sectaire dwepers, van moraalridders die in hun 'ijver' een vrede-vol samenleven verwoesten.

Mosterdzaad en zuurdeeg
(Mt 13, 31-33)
Dat gaat hier zo traag vooruit. Wie zich inzet in de kerkgemeenschap kent zeker dat gevoel. We zijn vandaag bijzonder vatbaar voor ontmoediging. Kerk en geloof lijken wel te verdampen. Daarenboven leven we in een samenleving waar enkel succes telt. In Gods Rijk is het anders. We kunnen ons werk in Gods Rijk niet efficiënt genoeg aanpakken en toch is het in de eerste plaats Gods werk. We mogen binnen de gemeenschap elkaar dan ook niet afrekenen op 'succes'. We mogen ons werk dus niet evalueren met onze maatstaven. Op ons werk volgt een heel eigen goddelijke dynamiek, die Jezus vergelijkt met die van het kleine mosterdzaad. Maar opgepast! Het is niet omdat het Rijk Gods een andere logica volgt, dat we ons uit de wereld kunnen terugtrekken in een burcht van betweters. Deze gelijkenis stuurt ons niet in de richting van een gemeenschap van 'zuiveren', vrome gelovigen die hun handen aan de wereld niet vuil maken. Daarom is het goed dat Matteüs op de gelijkenis van het mosterdzaadje, de gelijkenis van de zuurdesem laat volgen. Eigen aan zuurdesem is, dat hij, van zodra je hem mengt met het deeg, onzichtbaar wordt. En zo hoort het ook. Zuurdesem hoort in het deeg. Christenen horen met beide voeten in de wereld te staan en zich in de samenleving in te zetten. Het is pas als zuurdesem en deeg met elkaar vermengd worden dat een onstuitbaar organisch proces op gang komt. Het is pas als christenen in de wereld het evangelie beleven, dat je merkt hoe bevrijdend en blij deze boodschap is. Christelijke gemeenschappen mogen dus niet enkel pure zuurdesem willen zijn. Ze moeten de wereld in, en daar het evangelie beleven, te midden van niet-christenen. En je kan niet in de wereld werken zonder je handen vuil te maken. Van de andere kant mogen christenen zich ook niet zo sterk aanpassen aan de wereld, dat ze geen zuurdesem meer zijn. Jezus opent ons de ogen, hij geeft ons een andere kijk op het leven en op de wereld, om van daaruit dienstbaar te worden in de samenleving.


donderdag 16 mei 2013

Rerum Novarum

Actueler dan ooit

Op Hemelvaartdag vierde het ACW-groot-Zonnebeke gezamenlijk Rerum Novarum, het feest van de christelijke arbeidersbeweging. Het begon met een eucharistieviering in Zandvoorde. Daar stonden we stil bij een nog steeds fundamentele ongelijkheid tussen mensen en landen, bij het gegeven dat een samenleving zonder financiële grenzen en zonder solidariteit het welzijn van allen ondermijnt, dat mensen levenslang kwetsbaar zijn en getekend blijven door zwakte en tekort. Over de middag dan toch in aloude Vlaamse traditie een breughelbuffet in OC 't Gelevelt met aansluitend een fietstocht die alle deelgemeenten aandeed. De wil om dit samen te doen over alle fusiegrenzen heen is bij mijn beperkte weten een nieuwigheid, een nieuw gegeven.

In 1891, 122 jaar geleden, schreef paus Leo XIII de encycliek 'Rerum Novarum', wat 'over nieuwe dingen' betekent. De encycliek hieldt zich bezig met de situatie van de arbeidersklasse toen en formuleerde in de vorm van een aantal uitgangspunten de sociale leer van de Katholieke Kerk: een rechtvaardig loon, het recht op eigendom en solidariteit met de zwakkeren. Als instrumenten om deze doelstellingen na te streven, werden zowel overheidsingrijpen als de vorming van vakbonden genoemd. Paus Leo’s pleidooi voor vakorganisaties was niet alleen een vernieuwing binnen kerkelijke kring, maar ook daarbuiten. Rerum Novarum geeft dan wel de contouren weer van een sociale leer, maar is geen systeem op zich. Er worden veeleer antwoorden gegeven op concrete situaties. Het is aan ons om op die oorspronkelijke inspiratie verder te bouwen. Het is aan ons om een actueel en hedendaags verhaal te schrijven van solidariteit en rechtvaardigheid. Het is aan ons om verder te bouwen aan een humane en leefbare wereld.


Dat het feest op Hemelvaartdag gevierd wordt is allerminst een toeval. De evangelist Lucas situeert de Hemelvaart van Jezus niet in Jeruzalem, maar in Betanië. En als je dan weet dat 'Betanië' letterlijk 'huis van de arme' betekent en dat Jezus met zijn leerlingen vanuit Jeruzalem dan opnieuw over de Olijfberg moet gaan om daar te kunnen binnentrekken, wordt hopelijk meteen iets duidelijk van de diepere betekenis van dit gebeuren. De Hemelvaart van Jezus, en dus ook het komende feest van Pinksteren, kan je niet los denken van zijn lijden en zijn sterven. Wie niet durft solidair te worden met mensen die lijden en arm zijn, zal tevergeefs blijven wachten op de Geest en de kracht van God. Op de dag van Hemelvaart horen we de engel aan de leerlingen vragen waarom ze naar de hemel staren. Hij zet ze meteen weer met beide voeten op de grond, niet om de hemel te vergeten, maar om Gods beeld en gelijkenis bij de mensen te brengen.



In een opiniestuk – De oude vragen komen terug – stelt Marc Van de Voorde dat vooral in het Noorden zich de vraag stelt of de mens in een versplinterde, opgejaagde samenleving nog mens kan blijven. In een tijd waar snelheid en flexibiliteit primeert, neemt voor velen immers de werkdruk enorm toe. Wie op vrijdagavond thuiskomt is vaak meer uitgeput is dan zijn grootvader die tot de zaterdagavond achter de bankschroef stond. Waar is de kwaliteit van het gezinsleven, als men drie uur per dag in de file aanschuift en mentaal leeg thuiskomt?
In het Zuiden van de wereld stelt zich nog een veel prangender vraag. Hoe kunnen mensen, die financieel uitgebuit worden, in beschamende milieu- en arbeidsomstandigheden überhaupt ooit nog mens worden? Daar moet nog altijd de oude eis uit 1891 herhaald worden: de arbeider is zijn loon waard.
Misschien mag in onze samenleving ook nog een andere vraag gesteld worden. Welke arbeid wordt gewaardeerd. De honorering van werk kun je het best meten aan de loonbarema’s die een samenleving hanteert. Hoe komt het dat beroepen die de mens nabij staan, zoals verpleging en zorg, ondermaats worden betaald, terwijl beroepen die de cijfers in het oog houden, zoals bankiers en managers, de hoogste salarissen opstrijken? Dan hebben we het nog niet over de bonussen en de graaicultuur. Dat zegt iets over onze samenleving. Ten gronde is er wezenlijk nog niet zoveel veranderd.

Rerum Novarum blijft dan ook actueler dan ooit. Dit is ook het moment om diepe dankbaarheid te tonen voor de inzet van zovele vrijwilligers en de verbondenheid in de deelorganisaties.

maandag 13 mei 2013

De heiligen uit onze brandramen

Beselare

Nu de wondermooie brandramen in het hoogkoor van de Sint-Martinuskerk stuk voor stuk gerestaureerd worden, bekijken we ze graag eens van nabij. Alle drie stralen ze kunst en kostbaarheid uit. Ze zijn vervaardigd door 'S.Coucke & Zonen' uit Brugge en werden geplaatst in de maanden mei en juni van het jaar 1926.


Het middenvenster stelt SINT MARTINUS, de geliefde patroon van de kerk en de parochie.
Maarten, die in de tweede eeuw na Christus leefde, was een soldaat die een afkeer had van het harde soldatenleven. Andere soldaten lachten hem uit toen hij alweer eens al z’n geld en wat hij kon missen aan de bedelaars had uitgedeeld. Op de afbeelding van het brandraam zien we hoe Sint Martinus als een ridder te paard een stuk van zijn mantel snijdt om dat aan een bedelaar te geven. Later bleek dat Jezus zich daar als bedelaar had voorgedaan. 




Hij wordt gevierd op 11 november. Als onderschrift lezen we: 'Sint Martinus blijft bij ons tot in der eeuwen'.



Het venster links langs de evangeliekant draagt de afbeelding van DONAAS of DONATIANUS, de patroonheilige van het Bisdom Brugge. Hij heeft een wiel in zijn handen omdat hij zo een kind dat in de zee aan het verdrinken was kon redden. Deze heilige was bisschop van Reims, een opvolger van Sint Remigius die Clovis nog heeft gedoopt. Het valt niet onmiddellijk op, maar er staat een fout te lezen in het raam. Het moet 'Sint Donatianus' of Sint Donaas zijn en geen 'Donatus' zoals er verkeerdelijk te lezen staat. Hij wordt gevierd op 7 augustus.
Rechts van Sint Donaas staat de ZALIGE KAREL DE GOEDE afgebeeld. Hij was na de tijd van de Noormannen graaf van Vlaanderen. Hij deed mee aan het openbaar gebed in de kathedraal van Sint Donaas. Tussen de gebedstonden deelde hij aalmoezen uit aan de armen. De adel van dienst smeedde samen met de proost van Sint Donaas een complot tegen hem. De moord op graaf Karel de Goede gebeurde in 1127. 





Hij werd als martelaar opgenomen in het kalender van het bisdom Brugge en wordt gevierd op 2 maart.


Het venster rechts aan de epistelkant, verbeeldt links SINT VINCENTIUS, diaken en martelaar. De abdij van Zonnebeke had Sint Vincentius als patroonheilige. Zijn kapel was onze eerste Beselaarse kerk (1087 & 1222). Hij wordt gevierd op 22 januari.
Aan de rechterkant wordt de HEILIGE THERESIA van Lisieux afgebeeld. Zij was een Karmelietes die beloofde de aarde met rozen te bestrooien met de vruchten van haar lijden.











Zij is de patrones van de missies en wordt gevierd op 15 oktober.



Boven de drie neogotische brandramen zien we nog drie symbolische voorstellingen van de Eucharistie, gevat in een vierpas. We herkennen een kelk met de hostie, de pelikaan die zijn jongen voedt en de ark des Verbonds.














Nog enkele weetjes over brandramen


Glas-in-lood is de benaming voor een vensterraam bestaande uit stukken glas gevat in loodlijsten en tussen stenen monelen gezet. Soms worden dikke glazen kleurdalen gekapt en dan onmiddellijk in beton geplaatst, zo bekomt men glas in beton. Een montant, meneel of moneel is een stenen stijl in een kerkvenster. Zij delen een groot venster op in kleinere delen waarin het glas of glas-in-lood wordt aangebracht. De montanten worden uitgevoerd in metselwerk of natuursteen en zijn doorgaans geprofileerd en gaan aan de bovenzijde over in het maaswerk dat ze dragen. Het maaswerk in de vensters van de kerk te Beselare toont en grote verscheidenheid. De techniek van glas in lood is al zeer oud. De voorstelling van het glas in lood wordt eerst op karton op ware grootte getekend en gekleurd. Dat is het patroon.
Brandschilderen is een eeuwenoude techniek om op glas te tekenen. In de Middeleeuwen werd het al gebruikt, met als belangrijkste toepassing het versieren van kerkramen. Vaak wordt het gecombineerd met glas in lood. Met behulp van een borstel wordt een mengsel van azijn, gom en pigmenten op het glas aangebracht, waarna de pigmenten in een oven op hoge temperatuur in het glas worden gebrand. Als eerste wordt de contourlijn aangebracht en gebrand, daarna de schaduwen en als laatste de kleuren. Stukken gekleurd of gebrandschilderd glas worden naar het patroon van de gewenste voorstelling gesneden en gevat in H-vormige loodlijsten, die op de punten waar zij elkaar kruisen aan elkaar worden gesoldeerd. Om het raam waterdicht te maken wordt tussen de loodlijst en het glas een kit aangebracht. (Glas-in-loodkit is stopverf aangelengd met lijnzaadolie). Aangezien gewone loodlijsten niet voor veel stevigheid zorgen, zijn vaak enkele doorgaande loodlijsten voorzien van een stalen kern. Desondanks is een glas-in-loodraam een tamelijk zwakke constructie, zodat grotere uitvoeringen ter versteviging bevestigd worden aan aparte stalen spijlen .

Twee oorlogen in de streek hebben veel mooi brandglas vernield. Gelukkig is er veel in de oorspronkelijke staat hersteld, vooral glas-in-lood met grisaille tekeningen en schaduwen erin gebakken. Dit zijn de meest kostbare brandramen omwille van het immense handwerk.
Een grisaille of grauwschildering, is een schilderij waarin men geen natuurlijke kleuren aanbrengt maar zich beperkt tot de weergave van de dingen in alle mogelijke schakeringen van dezelfde kleur, meestal grijs of bruin. Deze techniek heeft haar wortels in de oudheid maar werd vooral van de 15e tot de 18e eeuw toegepast. Er is in alle stijlen en genres veel mooi werk gemaakt. Je kan lezen wie er in de ramen van het koor staat. Ook worden soms de sacramenten, de geboden, de geloofswaarheden en vooral de vele heiligen en hun levensverhaal uitgebeeld. Men zei soms dat de brandramen van sommige kerken een ganse catechismus inhielden. Wat zeker fijn bedacht was want de mensen waren ervan onder de indruk en konden immers niet lezen noch schrijven. De volksschrijver Frans Ramon Boschvogel schreef een prachtig boek over 'De heiligen uit onze brandramen!' De basiliek van Dadizele heeft zulke mooie kostbare vensters dat geen enkele verzekeringsmaatschappij ze wil verzekeren. (cfr nota: Vermeulen Joris Beselare)
Een bekende grootmeester glazenier is Jean Baptist de Bethune (Kortrijk, 25 april 1821 – Marke,18 juni1894).

Guido Vermeulen

donderdag 2 mei 2013

Christine Bruggeman


over het wonder van De Ark

Dat het Davidsfonds een beweging is met zo nu en dan een christelijke reflex, bleek weer eens uit het voornemen van voorzitter Hubert Ryckebosch om in de veertigdagentijd iets te organiseren met een bezinnende inslag. Niet zomaar een obligaat woordje om dan zo vlug mogelijk her aan te knopen met de geneugten van het leven. Neen liever een activiteit die beklijft en tot verdieping aanzet. Nu weten we allemaal dat de weg naar de hel geplaveid ligt met goede voornemens. We dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was … maar uitgesteld is nog niet verloren. Ook vijgen na Pasen kunnen best smaken, zeker als ze nog eens geserveerd worden door een oude bekende. Christine Bruggeman (°1955) geboren en getogen in Beselare, liep school in Sint-Joris te Menen, IPSOC Kortrijk, verbleef in Taizé en was van 1989 tot 2000, elf jaar lang vormingsverantwoordelijk in het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Sindsdien is zij coördinator van de Arkgemeenschap in Nederland en België.

Het wordt een heuglijk weerzien in het Schuttershuisje achter het kerkplein. Na zevenendertig jaar herkent Christine heel wat gezichten maar de namen blijven nog wat hangen. Een euvel dat ze met elke vijftig-plusser deelt. De 'clic' is er echter meteen. Ze vertelt hoe ze bij 'De Ark' terechtgekomen is en welke impact dat heeft gehad op haar leven, niet in het minst als gelovige. We kennen allemaal 'De Ark' als onze laatste Beselaarse buurtwinkel. De Arkgemeenschap mag dan een begrip zijn in religieuze middens maar is als zodanig nog niet helemaal doorgedrongen tot de modale kerkganger, laat staan tot de man in de straat.

Jean Vanier en De Ark
Het begon allemaal met bovengenoemde, een marine-officier bij het Canadese leger, die voor zijn leven een andere wending zocht. Hij was op zoek naar een plek waar hij de kern van het evangelie kon beleven en die vond hij tijdens een bezoek aan een instelling voor mensen met geestelijke beperkingen. In 1964 besloot hij met twee onder hen een huis te delen in Parijs. De eerste Arkgemeenschap was geboren. Hij besefte dat de mens door de allerzwaksten te ontmoeten en te verzorgen zelf verandert en hij groeide uit tot een bijzondere invloedrijke persoon voor de katholieke Kerk en de hele maatschappij. De Ark (L’Arche) is inmiddels uitgegroeid tot een internationale federatie van ongeveer 135 interreligieuze leefgemeenschappen verspreid over 30 landen in alle continenten. In een Arkgemeenschap wonen, leven en werken mensen met een verstandelijke beperking ('huisgenoten') en mensen zonder verstandelijke beperking ('assistenten'). Zij leven daar in de erkenning dat ieder mens zijn eigen gaven en beperkingen heeft. Met elkaar wordt gekookt, gegeten, gewerkt, boodschappen gedaan en het leven gevierd. Kortom, het leven wordt met elkaar gedeeld. Arkgemeenschappen bestaan doorgaans uit kleinschalige woonhuizen, met daarnaast voorzieningen voor dagactiviteiten. In België zijn er 7 gemeenschappen gevestigd: Antwerpen, Aywalle, Moerkerke bij Brugge, Brussel, Bierges, Namen, Drongen. In Nederland één: Gouda.

Universiteit van het hart
Veel ingrijpende veranderingen in het leven gebeuren als bij toeval. Het begrip 'toeval' wordt vaak gehanteerd om het onmogelijke te benoemen en dan zitten we dicht bij de sturende hand van God zelf. Een vriendin nodigde Christine uit om eens nader kennis te maken met een Arkgemeenschap. Er waren zo veel goede redenen om dat bezoek steeds voor zich uit te schuiven. En toen het er uiteindelijk van kwam besefte ze dat ze met al haar verbaliteit en opgebouwde bagage in het christelijk vormingswerk in zo'n concrete situaties nog niet uit de voeten kon. De Ark wordt ook wel eens de 'Universiteit van het hart' genoemd. Het geloof moet vanuit het hoofd zakken naar het hart waar het ook handen en voeten krijgt. Het eerste wat haar werd gevraagd was om met een van de 'huisgenoten' de afwas te doen. Dat moesten ze haar geen twee keer zeggen. Als beenhouwersdochter stortte ze zich energiek op de vaat om algauw te constateren dat haar huisvlijt haar gezel compleet overvleugelde. Die had niet de minste kans om haar te 'assisteren' of iets bij te brengen. Zo leerde ze meteen begrijpen dat hij appelleerde op haar beperkt inlevingsvermogen. Een ervaring die nog versterkt werd door een bijzondere beleving van de milleniumwissel. Een andere vriendin, behorende tot de Kleine Zusters-Charles de Foucauld, inviteerde haar de overgang mee te maken in de woestijn van Niger. Daar deelde ze met andere zusters het leven van de Touaregs. Gekker is moeilijk te bedenken. Vanuit het extatische Parijs – waar ze nog gauw een fles champagne kocht – vol glitter en glamour, vier uur vliegen naar een compleet tegengestelde wereld. Troebel water putten en consumeren uit een bron waar de uitwerpselen van de kamelen in ronddrijven als de gewoonste zaak van de wereld. Nauwelijks een ziek kind kunnen torsen met een kwalijke lichaamsgeur waar een veel jongere zuster dat wel zonder remming een uur lang volhield. Toen besefte ze ten gronde dat ze nog een lange weg had af te leggen om het evangelie in z'n volheid te beleven en opende zich de weg naar 'De Ark' zich ook voor haar.



Liefde groeit uit het anders-zijn van de ander
Wat kunnen wij daar nu van leren? Als welopgevoede burgers of christenen hebben we – als we geraakt zijn – vaak de opstoot anderen te helpen. Mensen met een of andere beperking en dat kan je héél, héél ruim interpreteren. Ook elk van ons heeft z'n wat mindere kanten en is daarom op anderen aangewezen. Maar vaak gebeurt dat met een verkeerde ingesteldheid. Wij gaan die sukkelaars wel eens helpen! Wij zijn of kunnen 'meer' en zij 'minder'! Wat zijn en wat doen we toch goed! Maar dat klopt dus niet. Zo zien we de blinde vlekken niet meer in ons bestaan. In hoe verre respecteren wij de andere in z'n anders-zijn? En vooral, laten wij toe dat die andere ons kan veranderen, dat hij ons hart kan openbreken, dat hij een ander mens van ons kan maken. Het moet steeds beter in onze maatschappij. Van ieder wordt een verkeerd begrepen perfectie geëist of hij wordt op een of andere manier gesanctioneerd. Ongeboren leven wordt vroegtijdig afgebroken omwille van een of andere beperking. Fragiel of eindigend leven wordt om humane redenen beëindigd. Is dat liefde? Heeft de liefde (het 'hart') nog een kans in een rationale wereld (het 'hoofd') waar voorspelbaarheid, controle en gewin de overhand haalt?

We eindigen met een citaat van Jean Vanier, in de taal van Molière. (Moet kunnen in deze context.)
“Nous sommes nés dans une fragilité extrême,
nous mourons dans une fragilité extrême
et tout au long de notre vie,
nous demeurons vulnérables,
c'est-à-dire capables d’être blessés.
Chaque enfant est si vulnérable,”si fragile
et sans aucun système de défense!”