een randgeval
De
klassieke parochie staat als model voor een geloofsgemeenschap onder
zware druk. Op een aantal vlakken scoort ze onvoldoende. Plaatselijke
verantwoordelijken torsen vaak een te zware last omdat zij kost wat
kost en dikwijls onder druk de erfenis uit het verleden willens
nillens moeten in stand houden. De maatschappij evolueert razendsnel
en de ontkerkelijking voltrekt zich ook sneller dan gedacht. Dat gaat
onvermijdelijk gepaard met een gevoel van malaise of met een ervaring
van verlies. Een groot deel van de trouwe kerkgangers wil voor de
tijd die hen nog rest in schoonheid eindigen en het liefst voortdoen
zoals ze het altijd gewoon waren. Nogal wat randkerkelijken willen op
afroep, à la carte, vaak op hun wensen en voorwaarden bediend worden
en doen een oneigenlijk beroep op de Kerk. Soms gebeurt dat
respectloos. Voor hen is de Kerk een instelling, geen
geloofsgemeenschap waarin ze participeren. Veel eer wordt er met
kerkwerk niet meer gehaald. Niet gemakkelijk voor goedmenende
kerkmensen die de christelijke boodschap in deze tijd authentiek
willen beleven of gestalte geven.
De
crisis doorleven
De
kerk doorleeft een diepe crisis en meestal wordt daar het
verminderende aantal priesters voor aangehaald. Een tweede ernstig
probleem is de verminderde vitaliteit van de parochies. Het
wekelijkse kerkbezoek in het weekend is door de jaren heen flink
gedaald, de inkomsten krimpen navenant, kerkgangers en vrijwilligers
worden steeds ouder. Wat we vaak vergeten is dat de crisis bij orden
en congregaties minstens even groot is. In vrijwel alle parochies
zijn ze verdwenen of serieus op hun retour. Parochies en congregaties
– op het platteland vooral de zusters – vormden een hecht
tweespan. Waar de parochies instonden voor het beschikbaar stellen
van de sacramenten, speelden de congregaties in het verleden een
belangrijke rol in de geloofsverkondiging, de spiritualiteitsbeleving
en in het opnemen van concrete noden in de samenleving. Je mag je
best afvragen of de parochies in hun huidige samenstelling niet
overvraagd worden als ze dat er ook nog allemaal moeten bijnemen.
Daarbij komt nog dat het christelijk geloof de vanzelfsprekendheid
van weleer verloren heeft en dat de overdracht ervan op het spel
staat. Bij hedendaagse mensen ervaar je zelfs vaak een regelrechte
onmacht om te geloven. In ieder geval is geloven in deze tijd voor de
meeste mensen een proces van zoeken en van persoonlijke keuzes
geworden. Vele trouwe kerkmensen ondergaan vandaag deze teloorgang
als een ernstig verlies dat ze moeten verwerken. Het is een
rouwproces dat vaak begint met ontkenning, er worden uitvluchten
gezocht, de situatie wordt vergoelijkt, er wordt gezegd dat het al
bij al nog meevalt, er wordt kranig nog een tandje bijgestoken …
maar dan komt onvermijdelijk het besef dat het zo niet meer gaat. Dat
doet pijn. Men zoekt eerst nog naar zondebokken. Het is de schuld van
Rome of van de bisschoppen of van het modernisme, het materialisme.
Maar al die beschuldigingen dienen vooral om de pijn af te weren en
brengen ons geen stap verder. Cruciaal voor de toekomst is dat we
erkennen dat het oude vertrouwde voorbij is – en zonder het kind
met het badwater weg te spoelen – geen drager meer is van een
vitale toekomst. Maar voor het zover is, is het belangrijk in die
pijn te gaan staan en die rouw niet als een teken van zwakte te zien.
Een
nieuwe missionaire uitdaging
Dat
belet niet dat de cruciale vraag die alle mensen, die de kerk en het
geloof genegen zijn, zich moeten stellen, niet is of we de erfenis
uit het verleden naar de vorm ongeschonden hebben bewaard. Het gaat
erom of we het verhaal van Jezus Christus aan een nieuwe generatie
hebben doorgegeven. Is het niet kwantitatief dan toch kwalitatief.
Wat ondernemen wij werkelijk om mensen in onze omgeving in contact te
brengen met de rijkdom van het geloof en de christelijke traditie?
Een van de grootste uitdagingen vandaag is de ommekeer te maken van
een kindercatechese tot een familiecatechese. Nogal wat mensen ook
hebben religieuze ervaringen maar ze groeien niet uit tot een
volwassen christelijk geloof. Dat komt misschien omdat men er in de
parochies nog altijd blindelings op vertrouwt dat de
geloofsoverdracht zich voltrekt volgens het klassieke patroon van
vroeger. En als men er al niet gerust in is weet men vooral niet hoe
dat aan te pakken. Dit is geen pleidooi voor nieuwe
'zieltjeswinnerij' maar wel om de zorg voor de ziel ernstig te nemen.
De
huidige situatie en het zwakte-aanbod dwingt de Kerk tot
reorganisatie en daar is op zich niets mis mee. De schaarse middelen
en menskracht moeten zo goed mogelijk verdeeld worden. Maar net zoals
in het bedrijfsleven schep je daarmee nog geen nieuw product dat
aanslaat. In het gunstigste geval creëert men betere voorwaarderen
om aan die zielzorg te werken. Reorganisatie en samenvoegen van
parochies, het komen tot nieuwe structuren, vergt echter veel
energie. En vooral als het te lang duurt kan dat mensen teleurstellen
en voortijdig doen afhaken. De beste remedie daartegen is
tegelijkertijd nieuwe activiteiten op het vlak van liturgie,
verkondiging en hulpbetoon te ontwikkelen want dat brengt juist
nieuwe mensen aan.
Moet
iedereen mee?
Een veelgestelde vraag is of alle betrokken gelovigen dan verplicht moeten meegaan in de nieuwe structuur en in die nieuwe activiteiten. Veel kerkgangers vinden het allang goed als hun wekelijks mis niet in het gedrang komt en dat ze het verder maar uitzoeken. Je kunt inderdaad niemand forceren want dat zou in feite neerkomen op het overvragen van heel wat mensen. Niettemin moet duidelijk zijn met wie men samen de toekomst vorm zal geven en wie van zich daartoe wil engageren. Zij worden dan als het ware de pioniers, de voortrekkers die de Kerk plaatselijk door deze overgangsfase kunnen leiden. Priesters (emeriti) en vrijwilligers die daarin niet meegaan, kunnen ondertussen nog heel zinvol en goed hun diensten blijven aanbieden, met name op de gebieden van pastorale zorg, uitvaartliturgie, weekendliturgie, gebeds- of bezinningsgroepen … maar ze dienen dan wel de nieuwe ontwikkelingen te ondersteunen, daarvoor ruimte te geven en ze niet tegen te werken. Dan kan iedereen zich met vreugde verder blijven engageren zonder gebukt te gaan onder een last die zij niet kunnen of willen dragen. Dikwijls zijn dat de mensen die vooral gemotiveerd zijn om 'hun parochie overeind te houden'. “Vraag ons wat wij in dit verband kunnen doen, waarmee we je kunnen helpen en we doen het”, is hun motto.Er zijn ook andere vrijwilligers die in hun leven hebben ervaren hoe groot de waarde van het geloof kan zijn, soms door een persoonlijke crisis heen of door een bewust gekozen weg te gaan. Het zijn spiritueel geraakte mensen. Er zijn er ook die aangedaan zijn door wat er zich in de maatschappij aan onrecht afspeelt, wat er dichtbij of veraf, met mensen gebeurt. Ze ervaren dat als 'godgeklaagd', hebben daar geen vrede mee en proberen er iets aan te doen, meestal samen met anderen. Het zijn vooral zo'n mensen waarvan nieuwe initiatieven uitgaan en die de dragers zijn van de toekomst van ons christelijk geloof. Het gaat er hen niet zozeer om wat zij mogen of kunnen doen. Zij bieden zich gewoon beslist aan met hun gelovige bewogenheid en vragen of zij daarvoor ruimte en medestanders kunnen krijgen in de parochie. Als die er niet is zullen ze die elders zoeken. Het is natuurlijk wenselijk dat een parochie juist deze mensen opzoekt, hen de ruimte geeft in het pastorale beleid en hen ondersteunt. Maar de toekomst van de parochie hangt nu nog altijd af van het samenspel van beide groepen. Daarom is het zeer belangrijk dat ze elkaar verstaan, dat ze de anderen in hun waarde laten, niet als een bedreiging ervaren en blij zijn met de bijdrage van de andere groep. De pioniers moeten de anderen niet verplichten tot een last die hen niet ligt maar blij zijn met de thuisbasis die door de trouwe werkers in de parochie wordt geboden. De trouwe werkers dienen ook belangstelling en waardering op te brengen voor de pioniers en zich door hun geloof te laten aansteken, zonder zich verplicht te voelen tot het onmogelijke.
Lokale
verankering
Een
gevaar – en vooral in een landelijke gemeenschap als de onze –
is dat bij centralisatie alles naar een centrum gezogen wordt en dat
er plaatselijk een kaalslag gebeurt. Het leven, ook het religieuze
leven moet minimaal lokaal ingebed en verankerd blijven. Een beetje
naar analogie van de aanwezigheid van diverse ontmoetingscentra
(OC's) in de deelgemeenten. Zo kan een nieuw op te richten 'pastorale
eenheid 'best centraal geleid, bestuurd en beheerd worden en toch nog
lokaal beleefd of zelfs georganiseerd worden. Een 'pastorale eenheid'
zijn verschillende parochies die voor alles wat de organisatie van de
pastoraal of zielzorg opgaan in een nieuwe op te richten entiteit en
zo in feite en in rechte een nieuwe parochie worden. In feite geldt
bij dit alles ook hier best het subsidiariteits-beginsel. Volgens dit
principe behoort een hoger echelon of geleding (bv. een federale
stuurgroep of een pastoraal team) slechts initiatieven te nemen die
plaatselijk niet of te weinig worden opgenomen. Zaken die nu vaak
plaatselijk ontbreken of bij gebrek aan menskracht onder druk staan
zijn bv. (volwassen)catechese of diaconale initiatieven. Ook het
aanbod en de kwaliteit van de liturgie moet bewaakt en bijgestuurd
worden. Dat alles veronderstelt ook dat de juiste mensen met de
nodige vaardigheden op de juiste plaats acteren. De plaatselijke
verankering kan belichaamd worden door parochieraden en parochiale
contactpersonen.




