Op
zondag 21 januari
vierde het Davidsfonds
Zonnebeke het
nieuwe jaar met Toast
Literair in
Bib De Letterschuur met een lezing
van professor Paul Trio
over
de geschiedenis van de voormalige abdij van Zonnebeke.
Achteraf mocht op een gesmaakte
receptie
ook het ‘augustijnerbiertje’
niet
ontbreken. Een uitstekende gelegenheid om alles nog eens summier op
een rijtje te zetten.
GESCHIEDENIS
VAN DE ABDIJ
De
eerste vermelding van de abdij – een oorkonde van bisschop Drogo
van Terwaan – dateert uit 1072. Op verzoek van Fulpoldus,
de heer van Rollegem, tevens burggraaf van Ieper, die een
mottekasteel bezat aan de overkant van de Ieperstraat in Zonnebeke,
werd een kapittel gesticht van drie kanunniken verbonden aan de
plaatselijke Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Aanvankelijk
waren de kanunniken seculiere of wereldlijke geestelijken. In 1142
onderging de gemeenschap een ingrijpende hervorming van een seculier
kapittel naar een reguliere abdij, volgens de voorschriften van de
Orde van Arrouaise, waarbij het kloosterleven naar de
regel van Augustinus
streng werd bewaakt en lekeninmenging in geestelijke aangelegenheden
aan banden werd gelegd.
Door
de vele schenkingen, de inning van tienden, rentes en pachten, de
giften van begoede inwoners in ruil voor gebed voor hun zielenheil en
het verwerven van het patronaatschap van naburige parochiekerken,
kende het jonge kapittel een financieel vlekkeloze start en weldra
volgde een forse uitbreiding van het aantal monniken en onroerende
goederen. Zo verwierf de abdij tussen 1143 en 1300 honderden hectaren
onroerend goed in Zonnebeke en ver daarbuiten, tot in Noord-Frankrijk
toe. In 1354 kocht de abdij ook nog een ‘refuge’ of
toevluchtshuis binnen de veilige stadswallen van Ieper.
Op
15 augustus 1566 had de abdij een eerste keer zwaar te lijden onder
de Beeldenstorm. Een groep van zowat 3.000 man uit het Ieperse ging
aangevoerd door calvinistische predikanten, aan het plunderen in
parochiekerken en kloosters in de hele Westhoek.
Vanaf
april 1577 verlieten de Spaanse regeringstroepen het land, opnieuw
aanleiding tot zware ongeregeldheden. Op 20 juli 1578 belegerde een
leger van de Gentse Republiek Ieper en in december 1579 werden de
Zonnebeekse Augustijnenabdij, de kerk en andere aanhorigheden in
brand gestoken en grondig vernield. De burgers vluchtten en dat
leidde tot een langdurige ontvolking van de streek.
Omwille
van die aanhoudende onlusten werd de abdij van 1584 tot 1608
verlaten. De monniken namen hun intrek in hun refuge in Ieper. In
1608 werd de adellijke Carolus
de Boisot de
nieuwe abt. Hij liet de abdij en de kerk heropbouwen en er braken
betere tijden aan. In 1698 kocht abt Jacobus
Piers
de heerlijke rechten af van de heer van Rolleghem, Jozef Karel
Franciscus de Trammecourt. Vanaf nu is de abt de enige heer van
Zonnebeke en bezitter van bijna het volledige grondgebied. In
hetzelfde jaar, op 16 maart, stort de toren van de kerk neer,
wellicht het gevolg van een aardbeving zes jaar eerder. De toren werd
in 1706 herbouwd met de financiële hulp van de parochianen.
De
abdij bereikte het toppunt van haar bloeiperiode toen abt
Joannes-Baptiste
De Vos
op 11 april 1757 een pauselijke bulle in handen kreeg waarbij hij de
mijter, bisschopsring en staf – de ‘pontificaliën’ – mocht
dragen. Het verhoogde zijn a(m)btelijke waardigheid in belangrijke
mate. Hij liet hierop een nieuw luxueus koor optrekken in de
abdijkerk. De val kwam evenwel snel met de Frans-Oostenrijkse oorlog
toen in 1794 de Fransen onze regio binnenvielen en de Zuidelijke
Nederlanden annexeerden.
Met
de wet van 1 september 1796 werden alle geestelijke orden en
congregaties, kloosters, abdijen, priorijen en kapittels van
reguliere kanunniken, opgeheven. Al hun bezittingen werden ten
voordele van de Staat verbeurd verklaard. Zo werd ook op 4 februari
1797 de Zonnebeekse Augustijnenabdij afgeschaft en werden de
kloosterlingen met geweld verdreven.
Ondanks
hun protesten gingen op 21 december 1797 de kloostergebouwen en
gronden onder de hamer, ten voordele van de overheid. Alleen de
abdijkerk met wat grond errond – o.a. het kerkhof – werd
gespaard. De lasten hiervan moesten door de gemeente Zonnebeke worden
gedragen. Kortrijkzaan Jean-Baptiste
De Laveleye
werd de nieuwe eigenaar van de abdij en de omliggende gronden en
meteen ook burgervader.
In
het eerste kwart van de 19de eeuw werd het abdijcomplex – behalve
de kerk, de abtswoning en de abdijhoeve – afgebroken De Laveleye
verbouwde het complex grondig, zodat er niets nog zou herinneren aan
het religieuze verleden van de gebouwen. In 1841 verwierf de Ieperse
adellijke familie
Iweins het
complex bij openbare verkoop.
Tijdens
de Eerste
Wereldoorlog was
de streek het toneel van hevige gevechten. Er bleef geen steen op
elkaar staan en zo verdwenen de ruïnes compleet. Tussen november
1917 en april 1918 bouwden de geallieerden onder de kerk een dug-out.
De constructie bevindt zich stevig onder de vooroorlogse kerk, en
noopte wellicht architect Huib
Hoste
om
de huidige parochiekerk noordoostelijker te bouwen.
KLOOSTERLEVEN
Bij
de oprichting in 1072 was er voldoende kapitaal voor het onderhoud
van 3 kanunniken. Gedurende gans de geschiedenis schommelde dit
aantal tussen vijf en maximaal een twintigtal geestelijken. Aan het
hoofd stond de abt, met naast hem de prior.
Belangrijke beslissingen werden in gemeenschap door het
bijeengeroepen kapittel genomen. Ook het dagelijks beheer van de
abdij werd er besproken. Jammer genoeg zijn er geen kapittelverslagen
bewaard gebleven.
Kloosterloopbaan
Een
nieuwkomer werd
eerst een half jaar geobserveerd door de novicemeester. Niet iedereen
werd echter toegelaten: zwaar zieken, zwervers, gehandicapten,
geëxcommuniceerden,
… werden geweerd. Naar opleidingsniveau toe waren er echter geen
vereisten. Daarna diende de kandidaat zelf een verzoekschrift tot
noviciaat
in.
Na een proefjaar was hij vrij het klooster te verlaten, of kon hij
overgaan tot het afleggen van de eeuwige kloostergeloften
van
armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In totaal waren er een zevental
kerkelijke wijdingen
mogelijk.
Deels
uit financiële overwegingen, deels uit een morele verplichting,
vervulden de kanunniken ook diensten buiten de abdij, in omliggende
parochies maar ook tot ver daarbuiten, waar er omwille van de
geregelde godsdiensttroebelen geen priesters of kerkgebouwen meer
waren. Dit was echter niet altijd zonder gevaar voor hun leven … of
voor het strikt naleven van hun kloostergeloftes.
Niettegenstaande
aan de abdij nooit een belangrijke onderwijsinstelling was verbonden,
speelde ze op dat vlak geen onbelangrijke rol. Enerzijds tegenover de
kandidaat-novices die er hun opleiding genoten. Anderzijds door het
aanstellen van een scholaster,
die instond voor de organisatie van het onderwijs op de diverse
locaties waar de abt van de abdij het patronaatsrecht
over
uitoefende. Dat was o.a. het geval in Bikschote, Oostnieuwkerke,
Beselare en Zonnebeke zelf waar het om dorpschootjes ging. Maar in
een stad als Roeselare was de impact compexer en groter. Het moet
voor het stadsbestuur daar soms behoorlijk frustrerend zijn geweest
om niet zelf autonoom te kunnen beslissen en handelen in de
onderwijsbehoeften van de stad zelf.
BOUWHISTORIEK
De
Onze-Lieve-Vrouwekerk, gebouwd in de eerste helft van de 11de eeuw,
was een romaanse
kruiskerk. Ze
bestond uit een driebeukige constructie, opgetrokken in
ijzerzandsteen.
De eerste abdijgebouwen dateren van een eeuw later en waren
aangebouwd tegen de zuidkant van het koor
en
het transept. In de tweede helft van de 13de eeuw werd de abdij door
de aanbouw van een bakstenen abdijvleugel aanzienlijk groter. Het
koor van de kerk werd eind 15de eeuw vergroot, en hiertegen bouwde
men een sacristie.
Na
de godsdienstperikelen in de tweede helft van de 16de eeuw, dienden
de kerk en abdijgebouwen quasi vanaf de funderingen heropgebouwd te
worden. Het koor en de sacristie werden tussen 1767 en 1770
uitgebreid.
.
Na
de Franse Revolutie werden de abdijgebouwen grotendeels afgebroken.
De abdijkerk bleef behouden als parochiekerk en kreeg nog een ruime
aanpassing, met westelijke toren, in de tweede helft van de 19de
eeuw.
Er
werden bouwmaterialen van de abdij gerecupereerd voor de uitbouw van
het kasteel en de bijgebouwen door de familie Iweins. De Eerste
Wereldoorlog betekende de totale verwoesting. Een geluk bij een
ongeluk is dat op het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan
financiële middelen enkele pronkstukken werden verpatst. Zo kan men
vandaag nog het prachtige Belle-orgel uit 1680 bewonderen in de kerk
van Dentergem. En een rijk gesculpeerde communiebank uit de 18de
eeuw is te bezichtigen in de parochiekerk van Gijzebrechtegem.
Tijdens
vier archeologische opgravingscampagnes tussen 1985 en 1991 werden de
funderingen van de abdij blootgelegd. Ook de dug-out onder de kerk
werd herontdekt.
In
2012 werd een abdijtuin aangelegd in het kasteelpark dat ondertussen
eigendom geworden was van de gemeente Zonnebeke. Het toont een
vereenvoudiging van de 11de-eeuwse romaanse kruiskerk, met
kooruitbreiding uit de tweede helft van de 18de eeuw, de kapittelzaal
uit de tweede helft van de 13de eeuw, met daarboven een slaapzaal en
de uit dezelfde periode daterende pandtuin, die eveneens dienst deed
als kerkhof voor de kloosterlingen. Westwaarts, over de toegangsweg
naar het kasteel, de abtswoning, een schuur, het poortgebouw, een
woonhuis met stallingen, de duiventoren en een tweede schuur. Dit
alles wordt gevisualiseerd, door middel van diverse
vloerverhardingen, borduurstenen en hagen. Twee infoborden geven
hierover toelichting.
De
grondvesten van het middeleeuws hoofdgebouw – in heropgebouwde
afbeelding van Sanderus in 1641 te zien – bevinden zich echter op
private eigendom (apotheek), en zijn niet gevisualiseerd. Op de
plaats van de vroegere kapittelzaal zijn enkele architectuurresten te
zien: twee massieve arduinstenen, één met Latijnse inscriptie, en
enkele segmenten van drie ronde zuilen in Atrechtse zandsteen.
Vermoedelijk alle afkomstig uit de 17de-eeuwse uitbreiding.
ARCHIEF
Een
omvangrijk deel van dat abdijarchief werd sinds 1796 bewaard in het
Grootseminarie
van Brugge.
Het aldus bewaarde archief van de augustijnenabdij van Zonnebeke is
niet alleen een zegen voor het onderzoek naar de abdijgeschiedenis
zelf, maar eveneens voor het onderzoek betreffende heel wat plaatsen
in Vlaanderen of zelfs daarbuiten. Van 2004 tot 2008 werd, onder
impuls van de heemkundige kring van Zonnebeke, de Zonnebeekse
heemvrienden, in samenwerking met o.a. de gemeente, de provincie
West-Vlaanderen en deKatholieke
Universiteit Leuven Campus Kortrijk,
het archief gedigitaliseerd, onder de naam DOZA:
"Digitale Ontsluiting van het Zonnebeeks Abdijarchief". Dit
is terug te vinden onder http://www.kuleuven-kortrijk.be/doza/
Dit
project gaf aanleiding tot een nieuwe publicatie over de
Augustijnenabdij van Zonnebeke: “Geëxamineert
de tijtels ende pampieren – Het verhaal van de Zonnebeekse
Augustijnenabdij, 1072-1796. Een bijdrage tot de Vlaamse
Kloostergeschiedenis.”
Zowel het DOZA-project als het boek staan onder leiding van professor
Paul
Trio,
Zonnebekenaar van afkomst en hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan
de Katholieke
Universiteit Leuven Kulak.
Naast professor Paul Trio waren ook Franky
Bostyn,
gewezen conservator van het Memorial
Museum Passchendaele 1917 en
Marjan
De Smet,
fulltime medewerkster aan het DOZA-project, medeauteurs van het boek.





