De
toekomst van onze Kerk 'in' ons kerkgebouw hangt in hoge mate af van
de 'levende' stenen die wij vormen binnen de kerkgemeenschap. Dat zou
de conclusie kunnen zijn van een geanimeerd avondje
gedachtenwisseling.
Een
dertigtal mensen, die van hun kerk houden in de dubbele betekenis van
het woord, waren naar het Lucaszaaltje in Zonnebeke getrokken om er
zich o.l.v. Geert
Vervaecke te
verdiepen over deze prangende vraag. Geert is diaken op de
Godelieve-parochie in Roeselare, vanouds bekend als een levendige
geloofsgemeenschap. Hij leidt ook de Dienst Parochiepastoraal van het
bisdom Brugge. De geknipte persoon dus om ons in alle objectiviteit
in te leiden in deze toch wel kwellende problematiek. Aanleiding tot
deze vraagstelling zijn
'de nota Bourgeois'
en
'de pastorale brief van bisschop De Kesel'.
Zij veruitwendigen, verwoorden als het ware
wat er al lang en nu versneld zit aan te komen:
beantwoordt de immense kerkelijke infrastructuur en de instandhouding
ervan nog aan de maatschappelijke realiteit vandaag? Belangrijk is
daarbij dat noch de minister, noch de bisschop ons van bovenaf een
regeling willen opleggen. Zij vragen ons gelovigen wel binnen een
redelijke, korte termijn een antwoord. Wat zijn we van zins? En we
kunnen ze niet zomaar met een kluitje in het riet sturen. We kunnen
onze kop niet (blijven) in het zand steken, alsof er niets aan de
hand is. In traditionele landelijke gebieden als de onze – en dat
is geen verwijt – hinken we al achter op de evolutie in de
stedelijke gebieden waar de geloofsafval en/of de verminderde
kerkbetrokkenheid zich massaal doorzet. We mogen niet de illusie
hebben daar immuun voor te zijn. De pastorale ervaring spreekt dat
alles behalve tegen.
Toch is deze problematiek verre van eenvoudig.
Onze kerken zijn meer dan louter religieus erfgoed. In een
plattelandsgemeente als Zonnebeke maken ze deel uit van de lokale
identiteit,
van de dorpen zelf. Het zijn bakens in het
landschap. Om het scherp te stellen, breek ze af en je creëert een
impact van vijf plaatselijke 'grand zero's', trauma's niet alleen in
de ruimte maar ook in de hoofden van de mensen. Of de kerken voor de
eredienst aangewend worden of niet maakt financieel voor de gemeente
niet veel uit. Als je opteert ze te behouden, moet je ze ook
onderhouden. Anders verloedert dat patrimonium. In steden waar veel
kerken staan, is het al wat makkelijker kerken te herbestemmen, zeker
als ze niet geklasseerd zijn. In onze dorpen niet. Ze worden als
collectief bezit ervaren. Het zijn ook plaatsen waar mensen
kortstondig asiel kunnen vinden voor hun dagelijkse al dan niet zware
beslommeringen. Een soort vrijplaats waar ze zich kunnen herpakken,
moed verzamelen om verder te gaan, waar ze zich doordeweeks ritueel
kunnen verbinden met wat hun te boven gaan. Men kan daar lacherig
over doen maar zo'n sacrale ruimtes kunnen weldadig zijn. Het zijn
onze Lourdes, Santiago de Compostella's binnen handbereik. Ze zijn
van levensbelang.
Omdat – gelovig of niet – onze kerkgebouwen
deel uitmaken van onze collectiviteit ligt het voor de hand ze ook in
wederzijds respect en gastvrij collectief aan te wenden. In de eerste
plaats natuurlijk voor de eredienst of gelijksoortige initiatieven.
In zo'n gebouw doet men ook niet zomaar om het even wat. Het zijn
plaatsen van diepe ernst waar ook schoonheid, goedheid, ingetogenheid
en zingeving gedijen en waar banaliteit taboe is. Het zijn plaatsen
die zich te weer stellen tegenover plat en gevoelloos materialisme.
Plaatsen die liefde uitstralen en daarom ook plaatsen waar
uitgebluste, zielloze kerkelijke gemeenschappen eigenlijk niet meer
thuishoren. Harde woorden, jawel, maar op de een of andere manier
moeten ze deze thuishaven ook waardig zijn. Het mag nooit zomaar een
verworven recht zijjn. Ze moeten er hun geloof ook echt vieren, het
moeten uitvalbasissen zijn voor allerlei diaconale initiatieven, het
geloof moet er ook verdiept en geleerd worden. Het horen bronnen van
spiritualiteit te zijn. En daar mangelt het zo dikwijls aan. Alles
wordt op de duur zo vanzelfsprekend gevonden of verondersteld dat het
krachtloos wordt en eigenlijk nog weinig voorstelt. Zo'n
gemeenschappen hoeven niet noodzakelijk groot te zijn maar hun
werking moet dan wel 'groots' zijn en eerbied afdwingen. Dan is er
hoegenaamd geen probleem!
Soms wordt geopperd dat we professioneler en
minder amateuristisch te werk moeten gaan. Natuurlijk moeten we het
beste van ons zelf geven maar we moeten ook beseffen – en dat geldt
voor gans het verenigingsleven – dat we nooit op kunnen tornen
tegen professionals.
Dat is al lang gebleken. Onze kracht ligt
echter in medemenselijkheid en vriendschap en daar komt uiteindelijk
weinig 'glitter' en 'high tech' aan te pas, en al kunnen ze wel
nuttig zijn, daar hangt het zelden of nooit van af.
Vandaar
onze conclusie dat de toekomst van onze Kerk in ons kerkgebouw in
hoge mate afhangt van de 'levende' stenen die wij vormen binnen de
kerkgemeenschap.

