Pagina's

donderdag 29 mei 2014

Rerum Novarum

Moeder waarom leven wij?


In 1891 schreef paus Leo XIII de encycliek 'Rerum Novarum', wat ‘over nieuwe dingen’
betekent. Uitgangspunten van deze pauselijke encycliek waren een rechtvaardig loon, het recht op eigendom en solidariteit met de zwakkeren. Met 11 partnerorganisaties probeert het ACW – ACV, CM, Familiehulp, OKRA, Femma, Kwb, KAJ, Pasar, CM Ziekenzorg, IC (Internationaal comité) en Wereldsolidariteit – daar een hedendaags antwoord op te geven. Het feest van Rerum Novarum is ook altijd een moment van diepe dankbaarheid voor de inzet van de vele vrijwilligers. Rerum Novarum dat telkens samenvalt met het feest van de Hemelvaart van Jezus, kan je ook niet los denken van zijn lijden en zijn sterven. Wie niet durft solidair te worden met mensen die onrecht lijden en arm zijn, zal tevergeefs blijven wachten op de Geest en de kracht van God. Ook het ACW van Groot-Zonnebeke vierde feest met een heel verzorgde eucharistieviering en een gezellig samenzijn met spijs, drank en spel.

“Moeder, waarom leven wij?”
Deze eeuwenoude vraag – die in de homilie werd gesteld - heeft te maken met ons menselijk geluk en welzijn. Wat is de zin en het doel van ons leven? Wie ben ik? Waarom leven we hier? Wat brengt ons hier op aarde samen? Wat is de bedoeling dat ik doe met mijn leven?
We zien heel wat mensen om ons heen die deze zin-vraag verdoven. Ze verdoven ze door hun geluk en welzijn te zoeken in uiterlijke en materiële dingen. Ze consumeren en geven graag geld uit aan eten en kleren, aan looks en lifestyle. In de moeilijke momenten van het leven grijpen ze naar pillen of zelfs wat botox. Het zijn mensen die steeds op zoek naar het ultieme 'amazing'- of ‘Hollywood’-gevoel.

Lust of last?
Het grote gevaar is hier natuurlijk dat velen die uiterlijke droom niet bereiken. Of sommigen hebben wel een grote materiële welvaart opgebouwd maar leven onbevredigd en met een leeg gevoel. Is het daarom niet dat er zoveel malcontente en zure mensen rondlopen in onze maatschappij!? Er is zeker niets mis mee om goed zorg te dragen voor jezelf. Maar wie alleen of vooral zichzelf ziet en zegt: 'Alles gaat goed, ik consumeer en leef”, sluit zichzelf op in een droomwereld, een illusie. Want ook al zijn er vele goede dingen in onze moderne wereld, er is ook veel wat niet goed gaat en daar mogen we niet blind voor zijn. Het is zelfs psychisch gezond om af en toe 'last te hebben van deze wereld', want het betekent dat je nog geraakt wordt door wat er rondom jou gebeurt. Wij kunnen en mogen niet blind zijn voor de gebroken relatie tussen mens en natuur. Als we bezig blijven zoals nu zal onze overconsumptie uitgroeien tot een ondenkbaar misbruik van natuurlijke hulpbronnen als hadden we 3 planeten tot onze beschikking. De kloof tussen rijk en arm groeit en met de financiële crisis is het bewustzijn over de grote ongelijkheid tussen gemeenschappen over de hele wereld toegenomen. We kunnen en mogen ook niet blind blijven voor symptomen van geestelijke
ontwrichting als burn-out, depressie en zelfdoding. Burn-outs en depressies zijn in de laatste vijftig jaar sterk toegenomen, zelfs in landen waar de materiële levensstandaard tot grote hoogte gestegen is. Velen vragen zich af wat de zin is van hun werk en bezig zijn, wat ze eigenlijk willen doen met hun werk en leven.

Wij zijn de wereld
Onze sociale beweging, het ACW - netwerk en zijn elf partners, vertrekt vanuit de overtuiging dat 'wij de wereld zijn'. Een sociale beweging beseft dat de zin van de wereld te maken heeft 'met de ander'. Rerum Novarum vieren is opnieuw duidelijk willen maken, het voornemen uitspreken en hernieuwen, dat wij mensen met elkaar willen 'verbinden'. Omdat we weten en beseffen dat ieder mens een fundamentele nood heeft aan een ander. Het is een appél aan
onze eigen verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid die we gelukkig niet alleen, maar in verbondenheid met duizenden medestanders opnemen.
Bedankt, reuze bedankt dus, aan al wie in de voorbije tijden geijverd heeft met hart en ziel, met veel tijd en energie, met strijd en overleg, om op weg te gaan naar zo'n een verbonden en solidaire samenleving. Maar die solidaire samenleving is verre van af en compleet, en ze zal het ook nooit zijn. Omdat aandacht voor de ander niet vanzelfsprekend is, omdat naastenliefde en zin voor rechtvaardigheid niet aangeboren zijn, niet zomaar in mensen tot leven komen.



De vreugde van de het evangelie
Waar vinden wij trouwens de energie en de veerkracht om ons blijvend in te zetten voor
participatie en solidariteit, voor rechtvaardigheid en alles wat duurzaam is, voor een kwaliteitsvol leven voor iedereen!?
We vinden dat onmiskenbaar ook in het spoor van die Man van Nazareth: Jezus. Want Jezus leert ons – om het met de woorden van onze vernieuwende paus Franciscus – 'de vreugde van het evangelie'. Het is inderdaad een vreugde en inspiratiebron om te mogen geloven dat God van ieder van ons houdt zoals we zijn. Om het met de woorden van Cardijn te zeggen:
“Voor God is ieder mens meer waard dan al het goud van de wereld”.

Maar het evangelie wil niet alleen een 'blijde' boodschap zijn, het wil tevens 'bevrijdend' werken. Het evangelie roept ieder van ons op om zich steeds opnieuw te wagen aan het risico van de ontmoeting en de verbinding met het gelaat van de ander, vooral met en van diegenen die het moeilijk hebben. Christenen staren op Hemelvaart niet naar boven, ze richten hun volle aandacht en hun vermogen van het hart naar 'alle' mensen en naar 'heel' de mens. Er leeft bij de vrienden en de vriendinnen van Jezus een diep verlangen om de wereld te veranderen, om deze planeet van iedereen iets beter achter te laten dan dat we haar gevonden hebben. Ze willen zorg dragen voor de kwetsbaarheid van mensen en van de wereld waarin we leven. Dat is ons antwoord op die eeuwenoude vraag: “Moeder, waarom leven wij?”
Laten we dat vreugdevolle en bevrijdende parfum van het evangelie met hoop, vertrouwen en passie aanbieden aan allen die we in onze sociale beweging ontmoeten. Laat dat vooral onze bijdrage zijn aan het ACW op nieuwe sporen en wegen!

maandag 26 mei 2014

Vormselwake


In het weekend van 31 mei en 1 juni wordt in onze federatie, in de parochies het sacrament van het Vormsel toegediend. Na een catechese, gespreid over meerdere maanden, komt het ganse gebeuren in een laatste rechte lijn met de noodzakelijke repetities voor de viering zelf. Ook op het thuisfront stijgt de spanning en de stress. Alle voorbereidngen worden getroffen om er een waardig feest van te maken. Daarom is het goed om voordien even tot rust te komen, om het even stil te maken, om na te denken over de symbolen van het Vormsel
vuur – water – olie – en het Woord dat in de bijbel tot ons komt, om ons, op die wijze ook open te stellen voor Gods aanwezigheid. Dat gebeurt in de Vormselwake.

In de wake in Passendale op dinsdag 20 mei brachten onze vormelingen deze symbolen in aanwezigheid van ouders, peters en meters en familieleden aanschouwelijk naar voor.

Vuur:
Op de dag van Pinksteren, toen de Heilige Geest de leerlingen bezielde, stonden zij in vuur en vlam voor de Blijde Boodschap. Daarom maken wij eerst vuur in ons midden. Met het vuur van de paaskaars dat ons aanwakkert tot enthousiaste gelovigen, maken we onze kleine kaarsjes aan.

Water:
De priester die ons doopte met water heeft ons toen ook een kruisje gegeven en God gevraagd om ons te laten uitgroeien tot een mens met een goede geest. Onze ouders hebben ons toen ook een kruisje gegeven met de woorden: “God zegene je en God beware je”. Het Vormsel is de bevestiging van het doopsel. Daarom stond een doopvont vooraan. We brengen water naar voor, bron van nieuw leven. Nu wij gauw volwassen worden, blijven we op God vertrouwen.

Olie:
Zalf, gemaakt van rijke oliën, gebruiken we een leven lang. Het houdt ons schoon en jong. Het heelt wonden, maakt zacht wat verhard is. Tijdens het vormsel worden we met olie gezalfd. Dit schenkt ons nieuwe kracht. Zo kunnen we meebouwen aan Gods droom over de mensen en de wereld.

De bijbel:
We brengen de bijbel, het boek met zijn vele verhalen over hoe God en mensen met elkaar omgaan. We kunnen er veel uit leren over hoe Jezus leefde en hoe wij gelukkig kunnen worden door anderen graag te zien. We luisteren naar het verhaal van de jonge David die gezalfd werd tot koning van Israël. Het leert ons dat voor God niet alleen onze buitenkant telt maar dat vooral onze binnenkant, onze inborst er toe doet.

Diaken Jean-Yves Verhaeghe, uit Vichte, maakte het voor ons nog wat concreter met het beeld van twee basketballen: een veerkrachtige, opwippende bal en een slappe, niet opgeblazen bal. Deze laatste maakt ons duidelijk dat we uit onszelf niet opgewassen zijn om alle uitdagingen en gevaren die op ons afkomen te trotseren. Het Vormsel is dan als het ware de lucht (het sacrament van de Geest) die er ingepompt wordt via een fietspomp (onze ouders, peters of meters, vrienden, begeleiders die het goed met ons voor hebben en de nodige spirit aanbrengen). Op die wijze worden wij weerbare, moedige jonge mensen die telkens weer opveren wanneer het even moeilijk gaat.

Onze catechisten Els, Jan, Saskia en meester Wim Els en Rita brachten ook nog het beeld van een boom aan om ons de betekenis van het Vormsel te verduidelijken. Die heeft stevige wortels, een stoere stam en een bloeiende kruin.



Gevormd worden, is aandacht hebben voor stevige wortels. Bomen met diepe wortels zijn bestand tegen wind en regen. Zonder wortels gaan bomen bij een lichte bries tegen de grond. Zo is het ook met een christen: zonder houvast houdt hij geen stand. De woorden van Jezus vormen een stevige basis. Jezus zegt: “Wie naar Mijn woorden luistert en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandige man die zijn huis bouwt op rotsgrond. De regen valt neer, de bergstroom komt omlaag, de storm steekt op en zij storten zich op het huis. Het valt niet in want het staat gegrondvest op een rots.”

Gevormd worden, is aandacht hebben voor een stoere stam. Wat zou een boom zijn zonder stam? De stam is de verbinding tussen wortels en kruin Hij laat zich helemaal doordringen met de levenssappen van de wortel. Zo wordt hij groot en sterk om de kruin te dragen. Wij vormelingen lieten zich in de vormselcatechese doordringen van het woord van Jezus, zodat wij kunnen uitgroeien tot overtuigde christenen. Tijdens het vormsel zal de vormheer ons de handen opleggen en zalven met chrisma opdat zij mogen doordrongen worden van die Goede Geest van Jezus.

Gevormd worden, is aandacht hebben voor een bloeiende kruin. In het verhaal van het mosterdzaadje horen we Jezus vertellen hoe de vogels zich in takken van bomen nestelen. Bij zon vinden zij er schaduw. Bij regen en wind vinden zij er beschutting. Christenen zijn vanuit het evangelie ook bezorgd dat ieder mens schaduw en beschutting vindt. Zo gingen we tijdens de vormselcateches naar 'hoeve Ter Kerst in Gits'. Daar konden we kennismaken met de leefwereld van personen met een beperking en leerden we respectvol met hen omgaan.

donderdag 15 mei 2014

Meimaand Mariamaand

Dinsdagnamiddag 13 mei, precies op het feest van Onze-lieve-Vrouw van Fatima, streken twee bussen van Huize Zonnelied uit Ieper neer voor de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Zonnebeke. Ze onderbraken een rondrit door de frontstreek om daar in een viering in de figuur van Maria de verbinding te leggen tussen oorlog en vrede.

De periode waarin de huidige bewoners van woon- en zorgcentra opgroeiden, wordt het rijke Roomse leven genoemd. Één vrouw stond daarin centraal, Maria. Ze werd vereerd als Moeder Gods, maar ook voor haar persoonlijke kwaliteiten. Ze werd aangeroepen om alle mogelijke onheil te verhoeden of de gevolgen van reeds bestaand leed te helpen dragen. In elk katholiek huis stonden toen Mariabeelden en hingen schilderijtjes met haar beeltenis, waaronder kaarsjes werden gebrand om smeekbeden kracht bij te zetten.



Het idee van Meimaand-Mariamaand stamt uit het dertiende-eeuwse Italië en kreeg in de negentiende eeuw een geweldige impuls door de aandacht van de pausen ervoor. Pius XII gaf daar in 1947 in zijn encycliek 'Mediator Dei' nog eens een extra bevestiging aan: “Het is een van de vroomheidsoefeningen die strikt genomen niet tot de Heilige Liturgie behoren, maar niettemin van bijzondere importantie en waarde zijn. Ze kunnen beschouwd worden als een aanvulling op de officiële eredienst. Steeds weer werden ze goedgekeurd en aanbevolen door de Apostolische Stoel en door de bisschoppen.” (Mediator Dei, nr. 182)

Paulus VI schreef in 1965 zelfs een encycliek over de Mariamaand, getiteld 'Mense Maio'. Hij zag het vieren van de Mariamaand als een krachtig middel om vrede en gerechtigheid te verkrijgen.

Van Johannes Paulus II weten we dat hij een diep Mariageloof koesterde. Toen hij in 1981 bij een moordaanslag op het Sint-Pietersplein te Rome op een wonderbaarlijke wijze aan de dood ontsnapte, droeg hij zijn redding op aan Maria van Fatima. De paus geloofde heilig dat het aan haar te danken was dat de kogel in zijn buik, en niet in zijn hoofd terechtgekomen was. Later werd de operatief verwijderde kogel verwerkt in de kroon van het beeld van Maria van Fatima. In datzelfde jaar wijdde hij de wereld toe aan het aan het Onbevlekt Hart van de H. Maagd Maria. Ook Johannes Paulus II schreef een encycliek over Maria. In 1987 schreef hij de encycliek 'Redemptoris Mater'. Dit schrijven handelt over de speciale plaats van Maria in de heilsgeschiedenis en haar rol in het Christusmysterie. Maria wordt de moeder van de Kerk genoemd en ze wordt gezien als middelares tussen haar zoon en de gelovigen. Al deze zaken kenmerken nog steeds de religieuze beleving van onze senioren.



Maria in de volksdevotie
De Mariadevotie leeft nog sterk door. De Mariaverering behoort tot de volksdevotie. Dat is het ervaringsgerichte deel van het geloof. Gods aanwezigheid wordt hierin beleeft. Het is geloof in gebaren en symbolen. Maria wordt gezien als iemand van ons, die tot de wereld van God behoort. Maria wordt gezien als een mens, die uitzonderlijk begenadigd werd door God.
De Mariaverering mag niet verward worden met aanbidding. Maria kan immers niet aanbeden worden, dat kan enkel God. Het gaat hierbij om het bidden tot God via Maria, Maria is hierbij slechts de 'middelares' of een voorbidster tussen God en mens. Maria wordt niet alleen vereerd als Moeder Gods, maar ook voor haar persoonlijke kwaliteiten. Ze staat voor een luisterend oor. Omwille van haar leven, wordt zij als iemand gezien waarbij men terecht kan voor hulp. Ze komt doorheen de evangelies naar voor als iemand die een gelovig vertrouwen in God en haar zoon Jezus had. Maria is dus een voorbeeld bij uitstek van geloof en toewijding. Haar gelovig bestaan leert ons wat geloven eigenlijk betekent. Het gaat niet om het aannemen van een reeks onbegrijpelijke waarheden, maar om een leven in verbondenheid met God en met mensen. Geloven is leven vanuit een diepte die wortelt in God en naar de toekomst die God voor ons openhoudt. Christenen drukken het vertrouwen in haar uit op verschillende manieren, zoals het Wees Gegroet.
Ze heeft ook veel pijn gekend, wanneer Jezus’ optreden werd verworpen, bij zijn kruisdood, maar ze aanvaardt dit alles. Gods wil is haar wil. Mensen herkennen zichzelf in die (mede)lijdende Maria en bidden tot haar geeft hen steun en kracht.



Mei – oktober – advent
In de meimaand wordt extra aandacht aan devotie tot Maria gegeven. Dit gebeurt door het organiseren van rozenkransgebeden, een bloemen- en kaarsenhulde bij Mariabeelden, het houden van Mariaprocessies, het organiseren van bedevaarten naar Maria-oorden, enzovoort.
De meimaand wordt afgesloten op 31 mei: met het feest van Maria Visitatie. Op dit feest vieren we het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth. Wanneer Elisabeth Maria ziet komen, wordt zij vervuld van de Heilige Geest. Haar ongeboren zoon, Johannes de Doper, springt op in haar schoot en zij zegt tegen Maria: “De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!”. Maria antwoordt met een lofgezang op God, het Magnificat.

Er zijn nog andere periodes in het jaar waarin extra aandacht aan Maria wordt besteed. Oktober wordt de 'rozenkransmaand' genoemd. Het is met andere woorden een maand waarin het gebed tot Maria centraal staat. Liturgisch gezien staat in de advent Maria centraal: we kijken samen met Maria uit naar de geboorte van Jezus.

vrijdag 9 mei 2014

Wat ons verbindt


Terwijl wereldwijd het aantal gelovigen en daarmee samenhangend het aantal priesterroepingen globaal verder toeneemt, maken we hier in het Westen het einde mee van een tijdperk. We beleven volop de overgang van één (christelijk) zingevingsysteem naar een veelheid van zingeving – religieus of niet – in schier eindeloze gradaties. Van een cultuur waar in alles naar God verwees, komen we terecht in een geseculariseerde cultuur waarin men meent geen God meer nodig te hebben om een goed mens te zijn.

Als gevolg maken wij ook het einde mee van de parochie zoals wij ze altijd gekend hebben. De parochie die samenviel met het grondgebied en waar we konden claimen dat iedereen die er woonde willens nillens een parochiaan was. De tijd dat meerdere priesters en vrijwilligers daar instonden voor de pastoraal en zorgden dat je voor alles en nog wat – behalve wegenwerken – bij de parochie terecht kon en dat er een waaier aan katholiek gemeenschapsleven was, is voorbij. Wij zijn geen massa-kerk meer, hoewel wij vaak hardleers nog denken en handelen vanuit deze reflexen. Meer en meer zien wij dat de actieve christelijke geloofsgemeenschap een bescheiden minderheid is geworden is. Een minderheid die zich ook minder en minder gebonden voelt aan het grondgebied. Men kiest zijn gemeenschap. Afstanden zijn bijkomstig geworden. Of men kiest zijn kerk, vaak niet omwille van de gemeenschap, maar vanuit persoonlijke motieven. Door het dalend aantal priesters en vrijwilligers wordt het voor de meeste parochies moeilijk, zoniet onmogelijk om alle opdrachten te blijven waarmaken. Gaandeweg werden steeds meer diensten bij gebrek aan menskracht en middelen afgestoten. Veelal zien we dat de overheid, die dan los van z'n religieuze context overneemt en opnieuw vorm geeft..

Dat ons kerkpubliek oud is, is een open deur intrappen. Dat betekent dat het afkalvingsproces zich de komende jaren steeds sneller zal doorzetten. Uit het bestaande kerkpubliek zullen steeds minder medewerkers kunnen gerecruteerd worden. Een oud publiek betekent ook een gebrek aan dragers van vernieuwing. Vasthoudend aan wat altijd is geweest. Hoogstens begripvol en berustend omdat een nieuwe aanpak nu eenmaal niet anders kan.

Het bindmiddel voor een parochie was jarenlang zijn socio-culturele achtergrond, zijn plaatselijke tradities en z'n geschiedenis. En niet te vergeten zijn kerkgebouw. Daaruit haalde een parochie zijn identiteit en vaak ook zijn fierheid uit. Dat kon alleen maar omdat heel die achtergrond doordrongen was van de christelijke cultuur. Die lijkt wel te verdampen. Voor wie dat alles nog altijd als professorenpraat afdeed, zal de bekendmaking van de vraag vanuit onze gemeente aan het bisdom, om de Sint-Martinuskerk in Beselare gedeeltelijk te verbouwen om de acute nood aan lokalen van het verenigingsleven te lenigen, wel een heel pijnlijk ontwaken zijn geworden. De soep wordt weliswaar nog niet zo heet gegeten als ze geschonken wordt maar wie nu nog halstarrig blijft vasthouden aan en blijft zweren bij de eerdere socio-culturele elementen van ons vroegere kerk-zijn, dreigt zijn eigenheid als christelijke gemeenschap te verliezen. Dan worden wij hoogstens een veredeld buurtcomité, concurrerend met het gemeentebestuur of zoals paus Franciscus het zegt: een NGO-tje die veel goede dingen doet, maar anderen doen dat ook en vaak beter.

Gemeenschap vormen is een kernwoord in onze pastoraal. Het is in onze kerken binnengedrongen sinds het concilie, en vermoedelijk sterk onder invloed van de bevrijdingstheologie die vanuit Latijns-Amerika via de basisbeweging naar Vlaanderen is overgewaaid. Dit woord heeft in de voorbije jaren een grote dynamiek teweeggebracht. Maar vandaag botsen wij echter op andere vragen die leven bij mensen, en die in die onze geloofsgemeenschappen onvoldoende beantwoord worden. Waar sta ik met mijn leven? Waar vind ik zin? Ben ik bemind? Voel ik mij goed? Het eerste antwoord hierop is niet meer alleen vaak louter liturgisch gemeenschap vormen. Daarbij groeien in snel tempo nieuwe vormen van verbondenheid via de sociale media. Mensen vinden elkaar anders dan vroeger. Afstanden zijn geen belemmering meer.
Wij schermen ten andere wat teveel en oneigenlijk met het woord 'gemeenschap'. De hoofmoot van wat wij nu nog kerkelijk doen, bouwt geen duurzame gemeenschap. Uitvaarten bijvoorbeeld. We steken daar veel werk in, willen mensen in rouw nabij zijn, en we doen dat vaak goed en moeten dat blijven doen. Maar je bouwt er geen gemeenschap mee op. Hetzelfde geldt voor alle andere vormen van service- of sacramentenpastoraal. Probleem is wel dat dit domein zoveel energie vraagt dat er nog weinig tijd overblijft om aan iets nieuws te bouwen.

Hetzelfde kan je zeggen van het verenigingsleven. In de glorietijd van de Katholieke Actie waren onze verenigingen de drijfkracht van de parochie, de gangmakers van gelovig leven. Intussen is er veel veranderd. De verenigingen bevinden zich aan de rand van het parochiegebeuren. De 'K' is geschrapt of wordt niet meer beleden en de leden zijn van verschillende gezindten. En toch is het belangrijk dat mensen kunnen samenkomen rond hun gelovig zijn en dat de geloofsgemeenschap dat ondersteunt. Daartoe zijn gebedsgroepen en leergroepen waar mensen hun geloof of spiritualiteit kunnen delen en verdiepen van uitzonderlijk belang. En hetzelfde geldt voor het buurtwerk. In dit verband betekent christen zijn: een goede buur zijn, die mee zorgt voor samenhang en verstandhouding de buurt, en daar een speciale aandacht heeft dat er niemand uit de boot valt. Maar ook dat buurtwerk is niet meer het monopolie van de parochie. Buurtcomités ontstaan vandaag de dag over en los van religiegrenzen. Buurtwerk is ook diaconie, en gebeurt samen met anderen.

Er is niets mis met diaconie of servicepastoraal. Integendeel. Diaconie is datgene wat handen en voeten geeft aan ons geloven, wat ons christen zijn geloofwaardig maakt. Alleen moeten wij er rekening mee houden dat het toebehoren tot de kerk, tot de parochie, verschillende gradaties kent. Je kan het vergelijken met concentrische cirkels rond een middelpunt. In de kerngemeenschap zie je een kleiner wordende actief betrokken groep christenen, wat verder af kan je heelwat mensen situeren die af en toe een beroep doen op de Kerk, bijvoorbeeld bij de grote momenten van hun leven. Ook voor deze mensen moeten wij er blijvend zijn. De uitdaging is dat die kerngemeenschap groot genoeg is om de taak van de diaconie te kunnen blijven waarmaken en bekwaam genoeg is om ook woorden te geven aan het geloofsgetuigenis. Zoniet verliezen de buitenste kringen hun houvast.

De overgang van parochies naar de federatie en van de federatie naar een pastorale eenheid, moet veel meer zijn dan een schaalvergroting uit noodzaak of een toevlucht bij bij gebrek aan middelen en gewijde bedienaars en vrijwilligers. Het gaat om een nieuwe vorm van parochie zijn: een andere manier van nabij zijn aan mensen, vanuit een nieuwe spiritualiteit. De sterke verhoogde mobiliteit en de nieuwe media bieden heel wat kansen. Dat geldt ook voor de meeste kansrijke senioren. Ze verplaatsen zich, of ze laten zich voeren tot op hoge leeftijd voor alles en nog wat: winkelcentra, gespecialiseerde ziekenhuizen, restaurants, trips allerhande, de kinderen en kleinkinderen her en der verspreid over het land, familiefeesten, uitvaarten, zelfs voor een kerk- of een gebedsdienst. Neem nu een uithoek, Zandvoorde. Daar zit in de kerk op zondag ondanks het vroege uur nog behoorlijk wat volk. Twee derden misschien zelfs vier vijfden wonen niet op de parochie zelf. Als het goed is en ze vinden er hun gading komen mensen van alle leeftijden, ondanks alles, tenminste als ze christengelovig in het leven staan. Daar begint en eindigt het mee. Dat neemt niet weg dat in een landelijke gemeente als Zonnebeke, in een nieuw op te richten pastorale eenheid als nieuwe parochie, de vroegere parochiekernen en hun bijbehorende kerken hun bestaansrecht zouden verliezen. We worden stilaan één parochie met vijf kernen (Beselare, Geluveld, Passendale, Zandvoorde en Zonnebeke). Vijf plaatsen gedragen door elk een actieve kerngroep waar het leven in al z'n facetten nog lokaal liturgisch kan verbonden en gevierd worden, plaatsen voor onthaal, ontmoeting, geloofsverdieping en zorg. Maar dit alles in verbondenheid met de andere parochiekernen, verenigd in het pastorale team van de eenheid en ondersteund door de diverse werkgroepen op het vlak van liturgie, catechese, diaconie, communicatie en financieel beheer. Zo worden alle beschikbare talenten, charisma's, krachten en middelen los van hun herkomst ten behoeve val allen ingezet.

Wat ons verbindt
is niet meer de socio-culturele achtergrond met zijn lokale tradities, ook al zal dit wel nog een tijd meespelen. Het is evenmin dat specifieke kerkgebouw, ook al gaan mensen wellicht een voorkeur behouden voor een of een paar kerken. Wat ons moet verbinden, is echter van een andere orde, met name de keuze om ons met Jezus Christus te verbinden en van daaruit ons leven vorm te geven. Anders gezegd: de keuze om ons te laten aanspreken door een God die liefde is, en ons te laten gezeggen dat Hij er is. Om God in ons de kern te laten zijn. Om lichaam van Christus te worden.


donderdag 1 mei 2014

Noord-Zuidraad

in het spoor van Gilberto en de Uru's


Zonnebeke heeft sinds jaar en dag een Werkgroep Internationale Samenwerking. Die staat in voor de lokale 11.11.11-campagne, organiseert het (H)eerlijk Ontbijt, was betrokken bij het Gambiaproject en ondersteunt waar het kan gelijkaardige initiatieven. Binnen onze gemeente zijn nog mensen en organisaties bezig met dit thema. We denken aan onze parochies (Broederlijk Delen – Missio), Oxfam-wereldwinkel, Wereldsolidariteit (ACW), de 7 (Oud-Chiroleiders) van Passendale … Allemaal zijn ze vanuit dezelfde bekommernis bezig met de Noord-Zuidproblematiek. Wat ze doen is lang niet meer vanzelfsprekend. Vooral niet als het er op aan komt om zich daar gedegen en volhardend voor in te zetten. Nieuwe impulsen en samenwerkingsverbanden kunnen helpen. Door het oprichten van een Noord-Zuidraad wil de gemeente die krachten bundelen en samenbrengen in een officieel adviesorgaan die op dat vlak kan wegen op het gemeentelijk beleid. Dat kan verder door elkaars werking beter te leren kennen, uit te dragen en te waarderen of effectief te gaan steunen, door agenda’s en activiteiten op elkaar af te stemmen. Als kerkgemeenschap is de Noord-Zuidraad ook een uitgelezen kans om buiten de kleiner wordende kring te treden. Een opportuniteit om samen met mensen van goede wil 'gist in het deeg' te zijn van de gehele samenleving.

Het is erg motiverend om zich daarbij te kunnen optrekken aan het voorbeeld van verdienstelijke mensen-van-bij-ons. Vroeger vertolkten de vele missionarissen deze rol. In zekere zin kan je Gilbert Pauwels (oud-Geluveldnaar) nog onder deze noemer brengen: vijftig jaar oblaat, diaken en veertig jaar actief als antropoloog in Bolivia. Lang voor we hier in de gaten kregen, dat een gezond milieu en ontwikkeling niet los van elkaar kunnen gezien worden, was dit voor CEPA – Centrum voor Ecologie en Andesvolken, het project waar hij voor staat – al een evidentie.





Op woensdagavond 23 april om 19.30 u. werd in De Letterschuur te Zonnebeke – om wat in de terminologie van dit blad te blijven – voor het oog van een twintigtal mensen de prille Noord-Zuidraad boven de doopvont gehouden. Peter Luk Hoflack en meter Sonja Hauspie waren zichtbaar in hun nopjes. Om 20.00 u. kwam daar nog eens zoveel volk bij om geboeid en uit de eerste hand te luisteren naar gewezen CEPA-medewerkers Chris Dutry en Marc Van Rijckeghem. Via Solidaridad Nación Uru (Solidariteit met de Uru-natie) een organisatie die opgericht werd door Vlamingen die in CEPA meewerkten, willen zij de Uru’s helpen in hun strijd voor een beter leven.



De Uru's (+/- 1500 mensen) zijn een erg kleine, gediscrimeneerde minderheidsgroep binnen de Indiaanse bevolking met een oeroude traditie. Zo noemen zij zich vanuit hun mythologie 'Hijos de La Luna' (Kinderen van de Maan) een beschaving die er al was voor de zon op aarde opging en daar mee ook andere inheemse volken hun land binnenbracht (de Quechua’s en de Aymara’s, die numeriek veel groter zijn). Het zijn voornamelijk vissers, die ook wel eens 'het volk van het riet' genoemd worden. Door de opdroging en de zware vervuiling van het meer 'Poopó' zien zijn hun leefmilieu en bron van inkomsten gaandeweg verdwijnen. In Bolivia is er de laatste jaren een heuse beweging aan de gang om de 'originarios' in alle opzichten hun rechtmatige plaats in de samenleving te bezorgen. CEPA heeft in dat opzicht voor een kleine revolutie gezorgd. Na jarenlange intensieve samenwerking zijn de problemen van de Uru’s zichtbaar geworden. Een hoogtepunt was toen in maart van vorig jaar zo’n 300 Uru’s gedurende twee weken naar de hoofdstad La Paz stapten om er aandacht voor hun situatie te vragen.

Omdat de Uru’s geen eigen schoolboeken hebben, leren hun kinderen niets over de eigen geschiedenis maar wel over die van andere volkeren. Daarom bestaan er ook plannen om een atlas op te maken over de geschiedenis en de cultuur van de Uru’s. Op die manier kunnen ze die zelf doorgeven aan hun eigen kinderen en kan ook de ruimere samenleving er kennis van nemen. Een concreet resultaat daarvan is alvast de documentaire film Hijos de La Luna (Kinderen van de Maan). Een ingekorte en in het nederlands ondertitelde versie kregen op 23 april al in avant-première te zien. In 2015 staat er bovendien nog een samenwerking op stapel met het MAS in Antwerpen met een expo over de Uru’s. 



In zijn bijdrage had Marc Van Rijckeghem het over Quinoa, bij ons ook wel eens gemeenzaam indianenrijst genoemd. Vroeger werd het door de Spaanse kolonisator als minderwaardig – net als iedere uiting van Indiaanse cultuur – naar de marge verdrongen. Wat betreft voedselwaarde lijkt quinoa sterk op melk. Alle essentiële aminozuren zijn aanwezig in een voor mensen bijna perfecte balans. De consumptie van quinoa is de voorbije jaren wereldwijd sterk toegenomen. Zozeer zelfs, dat de prijs van dit voedsel in Peru en Bolivia is verdrievoudigd. Met als pervers gevolg dat de lokale bevolking het steeds moeilijker krijgt om voor haar basisvoedsel te betalen. Desondanks is 2013 door de Verenigde Naties uitgeroepen tot 'Jaar Van De Quinoa'. Wie aan het kokerellen wil slaan met quinoa raden wij volgende links om het internet aan:
www.allrecipes.nl/recepten/label-565/quinoa-ecepten.aspx en
www.plazilla.com/page/4295038508/zo-gezond-is-quinoa.
Alvast veel kook- en eetplezier.



Omwille van z'n uitzonderlijke verdiensten wil de Gemeente Zonnebeke Gilbert Pauwels op zaterdag 20 september 2014 honoreren met het 'ereburgerschap'. Een eer die tot op heden slechts drie Zonnebeeknaars te beurt viel, nl. Robert Donck, stichter van de kaasmakerij van Passendale, grondlegger van de VZW Passendale Kaasfeesten en stichter van de Oude Kaasmakerij; Marc Vervenne, geboren en getogen in Geluveld en oud-rector aan de Katholieke Universiteit Leuven en Joanne Kane (Waimakariri – Nieuw Zeeland), voor haar aanhoudende inspanningen voor de relaties tussen Zonnebeke, Waimakariri en Nieuw Zeeland in herinnering aan wat onze voorouders meemaakten tijdens de Grote Oorlog (1914-1918).
Op dezelfde dag is er 's avonds voor het grote publiek in de kerk van Geluveld een feestelijke eucharistie- en dankvieringviering, gevolgd door een receptie. Maar later meer daarover.