Pagina's

Posts tonen met het label Religieus erfgoed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Religieus erfgoed. Alle posts tonen

zaterdag 27 januari 2018

Een toast op de abdij!



Op zondag 21 januari vierde het Davidsfonds Zonnebeke het nieuwe jaar met Toast Literair in Bib De Letterschuur met een lezing van professor Paul Trio over de geschiedenis van de voormalige abdij van Zonnebeke. Achteraf mocht op een gesmaakte receptie ook het ‘augustijnerbiertje’ niet ontbreken. Een uitstekende gelegenheid om alles nog eens summier op een rijtje te zetten.

GESCHIEDENIS VAN DE ABDIJ

De eerste vermelding van de abdij – een oorkonde van bisschop Drogo van Terwaan – dateert uit 1072. Op verzoek van Fulpoldus, de heer van Rollegem, tevens burggraaf van Ieper, die een mottekasteel bezat aan de overkant van de Ieperstraat in Zonnebeke, werd een kapittel gesticht van drie kanunniken verbonden aan de plaatselijke Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Aanvankelijk waren de kanunniken seculiere of wereldlijke geestelijken. In 1142 onderging de gemeenschap een ingrijpende hervorming van een seculier kapittel naar een reguliere abdij, volgens de voorschriften van de Orde van Arrouaise, waarbij het kloosterleven naar de regel van Augustinus streng werd bewaakt en lekeninmenging in geestelijke aangelegenheden aan banden werd gelegd.

Door de vele schenkingen, de inning van tienden, rentes en pachten, de giften van begoede inwoners in ruil voor gebed voor hun zielenheil en het verwerven van het patronaatschap van naburige parochiekerken, kende het jonge kapittel een financieel vlekkeloze start en weldra volgde een forse uitbreiding van het aantal monniken en onroerende goederen. Zo verwierf de abdij tussen 1143 en 1300 honderden hectaren onroerend goed in Zonnebeke en ver daarbuiten, tot in Noord-Frankrijk toe. In 1354 kocht de abdij ook nog een ‘refuge’ of toevluchtshuis binnen de veilige stadswallen van Ieper.

Woelige tijden
Op 15 augustus 1566 had de abdij een eerste keer zwaar te lijden onder de Beeldenstorm. Een groep van zowat 3.000 man uit het Ieperse ging aangevoerd door calvinistische predikanten, aan het plunderen in parochiekerken en kloosters in de hele Westhoek.

Vanaf april 1577 verlieten de Spaanse regeringstroepen het land, opnieuw aanleiding tot zware ongeregeldheden. Op 20 juli 1578 belegerde een leger van de Gentse Republiek Ieper en in december 1579 werden de Zonnebeekse Augustijnenabdij, de kerk en andere aanhorigheden in brand gestoken en grondig vernield. De burgers vluchtten en dat leidde tot een langdurige ontvolking van de streek.

Omwille van die aanhoudende onlusten werd de abdij van 1584 tot 1608 verlaten. De monniken namen hun intrek in hun refuge in Ieper. In 1608 werd de adellijke Carolus de Boisot de nieuwe abt. Hij liet de abdij en de kerk heropbouwen en er braken betere tijden aan. In 1698 kocht abt Jacobus Piers de heerlijke rechten af van de heer van Rolleghem, Jozef Karel Franciscus de Trammecourt. Vanaf nu is de abt de enige heer van Zonnebeke en bezitter van bijna het volledige grondgebied. In hetzelfde jaar, op 16 maart, stort de toren van de kerk neer, wellicht het gevolg van een aardbeving zes jaar eerder. De toren werd in 1706 herbouwd met de financiële hulp van de parochianen.

De abdij bereikte het toppunt van haar bloeiperiode toen abt Joannes-Baptiste De Vos op 11 april 1757 een pauselijke bulle in handen kreeg waarbij hij de mijter, bisschopsring en staf – de ‘pontificaliën’ – mocht dragen. Het verhoogde zijn a(m)btelijke waardigheid in belangrijke mate. Hij liet hierop een nieuw luxueus koor optrekken in de abdijkerk. De val kwam evenwel snel met de Frans-Oostenrijkse oorlog toen in 1794 de Fransen onze regio binnenvielen en de Zuidelijke Nederlanden annexeerden.

Franse Revolutie
Met de wet van 1 september 1796 werden alle geestelijke orden en congregaties, kloosters, abdijen, priorijen en kapittels van reguliere kanunniken, opgeheven. Al hun bezittingen werden ten voordele van de Staat verbeurd verklaard. Zo werd ook op 4 februari 1797 de Zonnebeekse Augustijnenabdij afgeschaft en werden de kloosterlingen met geweld verdreven.

Ondanks hun protesten gingen op 21 december 1797 de kloostergebouwen en gronden onder de hamer, ten voordele van de overheid. Alleen de abdijkerk met wat grond errond – o.a. het kerkhof – werd gespaard. De lasten hiervan moesten door de gemeente Zonnebeke worden gedragen. Kortrijkzaan Jean-Baptiste De Laveleye werd de nieuwe eigenaar van de abdij en de omliggende gronden en meteen ook burgervader.

Na de Franse Revolutie
In het eerste kwart van de 19de eeuw werd het abdijcomplex – behalve de kerk, de abtswoning en de abdijhoeve – afgebroken De Laveleye verbouwde het complex grondig, zodat er niets nog zou herinneren aan het religieuze verleden van de gebouwen. In 1841 verwierf de Ieperse adellijke familie Iweins het complex bij openbare verkoop.

Eerste Wereldoorlog en heropbouw
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de streek het toneel van hevige gevechten. Er bleef geen steen op elkaar staan en zo verdwenen de ruïnes compleet. Tussen november 1917 en april 1918 bouwden de geallieerden onder de kerk een dug-out. De constructie bevindt zich stevig onder de vooroorlogse kerk, en noopte wellicht architect Huib Hoste om de huidige parochiekerk noordoostelijker te bouwen.


KLOOSTERLEVEN

Bij de oprichting in 1072 was er voldoende kapitaal voor het onderhoud van 3 kanunniken. Gedurende gans de geschiedenis schommelde dit aantal tussen vijf en maximaal een twintigtal geestelijken. Aan het hoofd stond de abt, met naast hem de prior. Belangrijke beslissingen werden in gemeenschap door het bijeengeroepen kapittel genomen. Ook het dagelijks beheer van de abdij werd er besproken. Jammer genoeg zijn er geen kapittelverslagen bewaard gebleven.

Kloosterloopbaan Een nieuwkomer werd eerst een half jaar geobserveerd door de novicemeester. Niet iedereen werd echter toegelaten: zwaar zieken, zwervers, gehandicapten, geëxcommuniceerden, … werden geweerd. Naar opleidingsniveau toe waren er echter geen vereisten. Daarna diende de kandidaat zelf een verzoekschrift tot noviciaat in. Na een proefjaar was hij vrij het klooster te verlaten, of kon hij overgaan tot het afleggen van de eeuwige kloostergeloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In totaal waren er een zevental kerkelijke wijdingen mogelijk.

Deels uit financiële overwegingen, deels uit een morele verplichting, vervulden de kanunniken ook diensten buiten de abdij, in omliggende parochies maar ook tot ver daarbuiten, waar er omwille van de geregelde godsdiensttroebelen geen priesters of kerkgebouwen meer waren. Dit was echter niet altijd zonder gevaar voor hun leven … of voor het strikt naleven van hun kloostergeloftes.

Onderwijs
Niettegenstaande aan de abdij nooit een belangrijke onderwijsinstelling was verbonden, speelde ze op dat vlak geen onbelangrijke rol. Enerzijds tegenover de kandidaat-novices die er hun opleiding genoten. Anderzijds door het aanstellen van een scholaster, die instond voor de organisatie van het onderwijs op de diverse locaties waar de abt van de abdij het patronaatsrecht over uitoefende. Dat was o.a. het geval in Bikschote, Oostnieuwkerke, Beselare en Zonnebeke zelf waar het om dorpschootjes ging. Maar in een stad als Roeselare was de impact compexer en groter. Het moet voor het stadsbestuur daar soms behoorlijk frustrerend zijn geweest om niet zelf autonoom te kunnen beslissen en handelen in de onderwijsbehoeften van de stad zelf.


BOUWHISTORIEK

De Onze-Lieve-Vrouwekerk, gebouwd in de eerste helft van de 11de eeuw, was een romaanse kruiskerk. Ze bestond uit een driebeukige constructie, opgetrokken in ijzerzandsteen. De eerste abdijgebouwen dateren van een eeuw later en waren aangebouwd tegen de zuidkant van het koor en het transept. In de tweede helft van de 13de eeuw werd de abdij door de aanbouw van een bakstenen abdijvleugel aanzienlijk groter. Het koor van de kerk werd eind 15de eeuw vergroot, en hiertegen bouwde men een sacristie.

Na de godsdienstperikelen in de tweede helft van de 16de eeuw, dienden de kerk en abdijgebouwen quasi vanaf de funderingen heropgebouwd te worden. Het koor en de sacristie werden tussen 1767 en 1770 uitgebreid.
.
Na de Franse Revolutie werden de abdijgebouwen grotendeels afgebroken. De abdijkerk bleef behouden als parochiekerk en kreeg nog een ruime aanpassing, met westelijke toren, in de tweede helft van de 19de eeuw.

Relicten
Er werden bouwmaterialen van de abdij gerecupereerd voor de uitbouw van het kasteel en de bijgebouwen door de familie Iweins. De Eerste Wereldoorlog betekende de totale verwoesting. Een geluk bij een ongeluk is dat op het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan financiële middelen enkele pronkstukken werden verpatst. Zo kan men vandaag nog het prachtige Belle-orgel uit 1680 bewonderen in de kerk van Dentergem. En een rijk gesculpeerde communiebank uit de 18de eeuw is te bezichtigen in de parochiekerk van Gijzebrechtegem.

Tijdens vier archeologische opgravingscampagnes tussen 1985 en 1991 werden de funderingen van de abdij blootgelegd. Ook de dug-out onder de kerk werd herontdekt.
In 2012 werd een abdijtuin aangelegd in het kasteelpark dat ondertussen eigendom geworden was van de gemeente Zonnebeke. Het toont een vereenvoudiging van de 11de-eeuwse romaanse kruiskerk, met kooruitbreiding uit de tweede helft van de 18de eeuw, de kapittelzaal uit de tweede helft van de 13de eeuw, met daarboven een slaapzaal en de uit dezelfde periode daterende pandtuin, die eveneens dienst deed als kerkhof voor de kloosterlingen. Westwaarts, over de toegangsweg naar het kasteel, de abtswoning, een schuur, het poortgebouw, een woonhuis met stallingen, de duiventoren en een tweede schuur. Dit alles wordt gevisualiseerd, door middel van diverse vloerverhardingen, borduurstenen en hagen. Twee infoborden geven hierover toelichting.

De grondvesten van het middeleeuws hoofdgebouw – in heropgebouwde afbeelding van Sanderus in 1641 te zien – bevinden zich echter op private eigendom (apotheek), en zijn niet gevisualiseerd. Op de plaats van de vroegere kapittelzaal zijn enkele architectuurresten te zien: twee massieve arduinstenen, één met Latijnse inscriptie, en enkele segmenten van drie ronde zuilen in Atrechtse zandsteen. Vermoedelijk alle afkomstig uit de 17de-eeuwse uitbreiding.


ARCHIEF

Een omvangrijk deel van dat abdijarchief werd sinds 1796 bewaard in het Grootseminarie van Brugge. Het aldus bewaarde archief van de augustijnenabdij van Zonnebeke is niet alleen een zegen voor het onderzoek naar de abdijgeschiedenis zelf, maar eveneens voor het onderzoek betreffende heel wat plaatsen in Vlaanderen of zelfs daarbuiten. Van 2004 tot 2008 werd, onder impuls van de heemkundige kring van Zonnebeke, de Zonnebeekse heemvrienden, in samenwerking met o.a. de gemeente, de provincie West-Vlaanderen en deKatholieke Universiteit Leuven Campus Kortrijk, het archief gedigitaliseerd, onder de naam DOZA: "Digitale Ontsluiting van het Zonnebeeks Abdijarchief". Dit is terug te vinden onder http://www.kuleuven-kortrijk.be/doza/

Dit project gaf aanleiding tot een nieuwe publicatie over de Augustijnenabdij van Zonnebeke: “Geëxamineert de tijtels ende pampieren – Het verhaal van de Zonnebeekse Augustijnenabdij, 1072-1796. Een bijdrage tot de Vlaamse Kloostergeschiedenis.” Zowel het DOZA-project als het boek staan onder leiding van professor Paul Trio, Zonnebekenaar van afkomst en hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven Kulak. Naast professor Paul Trio waren ook Franky Bostyn, gewezen conservator van het Memorial Museum Passchendaele 1917 en Marjan De Smet, fulltime medewerkster aan het DOZA-project, medeauteurs van het boek.

woensdag 15 april 2015

Colloquium

'Kasteeldomeinen in Zonnebeke,                               geschiedenis en toekomst'



Tijdens dit colloquium op vrijdag 24 april komt u meer te weten over geschiedenis, heden en vooral de toekomst van het kasteelpark van Zonnebeke. Inleidend wordt een beeld geschetst van de historische aanwezigheid van verschillende prachtige kasteeldomeinen in de dorpen van Zonnebeke en bij uitbreiding de ganse Westhoek. Daarna leggen we de focus op het kasteeldomein van Zonnebeke en afsluiten doen we met een lezing door Geert Bossaert, de ontwerper van het nieuwe Passchendaele Memorial Park.

De kasteeldomeinen van Groot-Zonnebeke in cultuurhistorisch perspectief
Steven Heyde – 13.00 u.
Deze lezing schetst het verhaal van de verdwenen en de nog bestaande kasteeldomeinen in Groot-Zonnebeke in een ruimer cultuurhistorisch perspectief. Historische parken en tuinen worden nog te vaak als iets vanzelfsprekend beschouwd. Toch vertellen ze een uniek verhaal over de toenmalige levenswijze van de adel en de burgerij evenals de tijdsgeest waarin ze ontstonden. Dat is niet anders bij het kasteeldomein van Zonnebeke. Bovendien komen in deze lezing ook enkele verrassende nieuwe inzichten aan bod over het ontstaan van de verdwenen kasteeldomeinen Polderhoek en Veldhoek in Geluveld.

De geschiedenis van het kasteelpark van Zonnebeke
Lee Ingelbrecht – 14.00 u.
Het kasteeldomein van Zonnebeke heeft een rijke geschiedenis. Tijdens deze lezing doorlopen we de evolutie van het landgoed sinds haar ontstaan rond de Zonnebeekse Augustijnenabdij. Het domein kende zowel hoogte- als dieptepunten waarbij vooral de Eerste Wereldoorlog een zware impact had, Het uitgestrekte park dat we vandaag kennen is het resultaat van die eeuwenlange opeenvolging van opbouw en vernieling.

De herwaardering van het kasteelpark en het Passchendaele Memorial Park
Geert Bossaert – 15.15 u.
Het Passchendaele Memorial Park gaat om het herenigen van de twee kasteelparken van Zonnebeke die sinds 1960 zijn gescheiden. Rond het pittoreske landhuis uit 1933 werd het landschapspark heraangelegd. Landschap, recreatie en educatie zijn een leidraad binnen het ontwerp. Binnen de parkuitbreiding is een ruime parking, evenementenweide en ruimte voor natuur en recreatie voorzien. Een opmerkelijk onderdeel zijn de Passchendaele Memorial Gardens, zeven tuintjes in de vorm van een poppy die bedoeld zijn als herinneringstuin voor naties die meestreden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze worden ingevuld tijdens de komende herdenkingsjaren.

vrijdag 5 december 2014

Onze kerken

Levende stenen


Onze kerkgebouwen worden in vraag gesteld. Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Hoe kan het dat die prachtige gebouwen die vroeger hét centrum, dé trots van het dorp, hét centrum van het sociale gebeuren waren, in slechts enkele decennia een last, een bron van grijze haren geworden zijn? Voor de Kerk zelf is het in ieder geval een uitermate pijnlijk gebeuren, een zichtbaar teken van afkalving en verlies aan invloed, een rouwproces dat nog in volle gang is. Is het een voorteken dat binnen enkele decennia de Kerk definitief haar deuren zal moeten sluiten, zoals sommigen voorspellen of hopen? Of bestaat de Kerk uit nog méér dan stenen en gebouwen? Wat heeft deze leegloop veroorzaakt en had dit kunnen voorkomen worden? Wat te doen met onze kerkgebouwen?

Wie wil verhelpen, heeft eerst een juiste diagnose nodig. Er zijn vele redenen, zowel van buiten als van binnen. De uitwendige oorzaken kunnen we gemakkelijk aanwijzen in een veranderende cultuur, secularisatie, toenemend materialisme, individualisme, humanisme, media, concurrentie van andere levensbeschouwingen, de blijkbaar onvermijdelijke besparingsdrang ... En de Kerk heeft zeker altijd vijanden gehad, die alle middelen blijven aanwenden om haar onderuit te halen. Maar als we alleen maar de schuld voor onze problemen zoeken bij 'de anderen' leren we niets uit onze eigen fouten en ons verleden en gaan we voorbij aan onze verantwoordelijkheid. Als een organisatie innerlijk sterk genoeg is, kunnen uiterlijke factoren haar nooit kapot krijgen. Het is net zoals in een huwelijk: als de liefde binnenin sterk genoeg is, kunnen alle pijlen van buitenaf haar niet doden. Zie maar naar de eerste drie eeuwen van het jonge christendom toen het geduchte Romeinse staatsapparaat haar probeerde in bloed te smoren, maar... de vervolgde Kerk bleek sterker dan het keizerrijk en overwon haar.

Tot eer van de mens
Waarom is het vandaag dan omgekeerd? Vanaf de jaren '50 ging het kerkbezoek met rasse schreden achteruit. De sociale druk verminderde en mensen bleven op zondagmorgen thuis. Mensen geloofden vooral omdat het moest of omdat iedereen het deed, maar de persoonlijke overtuiging was minimaal. 'Naamchristenen' noemt men ze. Als mensen de kerk verlaten omdat het ineens niet meer 'moét', dan zijn ze nooit volwassen in het geloof geworden. Maar ook de Kerk mag de hand in eigen boezem steken. Geloof opdringen en mensen als kleine kinderen behandelen, creëert onvermijdelijk een tegenreactie.

'Kerk' werd eeuwenlang geassocieerd met een gebouw van steen, niet met de mensen erin. Op de lagere school leerden we in de godsdienstlessen dat de kerken 'tot eer van God' gebouwd zijn, met de toren die naar omhoog reikt, en met de inzet van de allerbeste vakmensen en kunstenaars. Maar als we wat nader kijken, moet 'tot eer van God' ook met een korrel zout genomen worden, want hoeveel 'eer van mensen' was er niet in gemengd? Moest de kerktoren niet nét hoger zijn dan deze van het naburige dorp?

Een schat in de akker
Had de Kerk niet de woorden van haar eerste leider, Petrus, meer indachtig moeten zijn: 'laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis'? (Eerste brief van Petrus 2:5) De Kerk is éérst een geestelijk bouwwerk, en de mensen zijn het levende bouwmateriaal, de stenen komen pas achteraf. Heeft de oerkerk niet prima overleefd in de catacomben? Een zekere maatschappelijke druk of vervolging is niet persé slecht voor de Kerk. De rijkdommen van de Kerk liggen niet in haar gebouwen of bezittingen, maar in de spirituele schat van de evangelies. Jezus vergeleek ze met 'een schat in een akker', of 'een parel van grote waarde waarvoor een koopman al zijn bezittingen verkocht'. Het is beter de geesten van de christenen weer te voéden dan gebouwen te verafgoden. Er is in deze wereld al genoeg geestelijke anorexia.

Er zijn wel al veranderingen merkbaar tegenwoordig: de kleine groep gelovigen, binnen traditionele kerken en in de nieuwe kerken, wordt bewuster: ze weten wát ze geloven en waaróm. Mondige gelovige leken laten hun stem horen. Ze tonen dat je gelovig kan zijn én intellectueel scherp, politiek actief, sociaal bewogen en wetenschappelijk aan de top. Er is zeker hoop voor de Kerk, met of zonder haar gebouwen.

In het ergste geval moet de Kerk eerst (tijdelijk?) 'ge-de-materialiseerd' worden om haar immateriële erfgoed te herontdekken. Als haar ware kapitaal – de boodschap van Jezus! –
aangeboord en ontgonnen wordt, zal de wereld een heel ander gelaat van de Kerk te zien krijgen.

Maar wat te doen met onze leegstaande kerkgebouwen?
Voor alles, ze weer vullen! Of gelooft u niet in wonderen? Is de opstanding uit de doden niet hét centrale geloofsmysterie? Waarom dan niet voor de Kerk? Maar in de tussentijd, ze naast de liturgie mee benutten als een ruimte waar het geestelijke en het sociale elkaar omarmen. Geloof en liefde gaan perfect hand in hand, evenals gebed en muziek, gemeenschap en schoonheid. Onze 'probleemgebouwen' kunnen best nog erg interessant en veelbelovend worden ...

Lees het artikel van Ignace Demaerel: http://www.knack.be/nieuws/belgie/wat-te-doen-met-de-leegstaande-kerkgebouwen/article-opinion-126085.html

zondag 31 augustus 2014

Bartholomeus in Zandvoorde

Maandelijks wordt in Zandvoorde de Heilige Pater Pio vereerd. Jaarlijks vindt er in september de noveen voor de Heilige Paus en martelaar Cornelius plaats. Deze twee heiligen lijken onlosmakelijk met deze parochie verbonden. Daarvoor is ze gekend. Iedereen kent de kerk van Zandvoorde maar ik ben er zeker van dat uit een kleine enquête zou blijken dat slechts een minderheid weet dat ze ook de Sint-Bartholomeuskerk wordt genoemd. Dat is vreemd, want als er al een pikorde zou bestaan onder de heiligen, dan zou Bartholomeus met kop en schouders boven de eerstgenoemden staan. Hij was immers een apostel, uitverkoren door Jezus. Van hem zei Chistus: “Kijk, een ware Israëliet in wie geen bedrog is.” Een compliment dat kan tellen voor de schriftgeleerde die hij toch was. Nog een geluk dat zijn naamfeest gemiddeld eens om de zeven jaar op een zondag valt en dat hij dan terloops even ter sprake komt in de eucharistie. De laatste keer was in 2008 maar de volgende keer is pas in 2025. De hoogste tijd dus om er iets meer over hem te vertellen voor hij weer in de vergeethoek komt te staan.

In ieder geval weten we, ten minste door overlevering en van horen zeggen, hoe hij als martelaar omwille van z'n geloof levend werd gevild. Zo'n tragisch einde spreekt tot onze macabere verbeelding. In de kerk zelf staat hij te kijk in een beeld en op een brandglas in het hoogkoor. In de ene hand draagt hij een boek of een boekrol, als schriftgeleerde en als verkondiger van het geloof, en in de andere hand, het mes dat verwijst naar z'n marteldood. Op het plafond van de Sixtijnse kapel in Rome staat hij dan weer magistraal geschilderd door Michelangelo met in z'n rechterhand een mes en in z'n linkerhand z'n compleet afgestroopte huid.

De Legenda Aurea
Bartholomeüs staat opgelijst als leerling van Jezus in alle vier de evangelies. Maar enkel in het Johannes-evangelie (1,46-49) vernemen we iets meer en dan nog over de wijze waarop hij geroepen werd. Hij wordt er aangeduid als Nathanaël. In het Aramees, de taal van Jezus, betekent Bar Tolmai, zoiets als 'de zoon van een boer'. Bartholomeus is dus een bij-, of een roepnaam. Voor het overige komt zijn naam in het Nieuwe Testament niet meer voor. We weten dus in het geheel niet wat voor persoon hij was. Gelukkig is er voor ons nog de 'Legenda Aurea', dat is een bundeling van allerlei verhalen, legenden en 'wistjedatjes' rond heiligen en kerkelijke feesten die in de middeleeuwen de ronde deden. Het boek is van de hand van de dertiende-eeuwse Italiaanse dominicaan Jacobus de Voragine en deed dienst als preekhulp voor predikanten van zijn eigen orde. Als goede middeleeuwer zoekt Jacobus achter alles een religieuze betekenis en soms plaatst hij daar een kritische aantekening bij.
Volgens de overlevering zou hij geboren zijn in Kana in Galilea en en overleden zijn in het jaar 71 na Chr. in de stad Albana in Armenië. Hij zou na Jezus' dood naar het Oosten, tot in het verre India zijn getrokken om er het evangelie te verkondigen. Daar ging hij de strijd aan met de lokale afgoden en demonen die zogenaamd alle ziektes kon genezen. In feite namen ze alleen maar de pijn weg. De legende suggereert dus, dat deze goden wel de buitenkant kon genezen, maar niet de binnenkant, alleen het lichaam, niet de ziel. Dat kon immers - naar de overtuiging van de verteller - Christus alleen. Zo toomde hij o.a. de God Astaroth in tot groot ongenoegen van de demon Berith, die de verontruste pelgrims een preciese omschrijving gaf van de apostel Bartholomeus. “Hij heeft zwart kroeshaar, een blanke huid, grote ogen, symmetrische neusvleugels die wijd open staan, een dikke baard met hier en daar een wit haar, een normaal postuur. Hij draagt een witte mantel, met rode sierstenen aan de vier hoeken.” Deze beschrijving ligt dan weer aan de basis van de manier waarop Bartolomeus vanaf de vroegste middeleeuwen in de kunst wordt afgebeeld. Verder: “Hij is zesentwintig jaar oud. Hij vertoont ook nog de eigenaardigheid, dat zijn kleren en sandalen niet verslijten of vuil worden, terwijl hij - dag en nacht samen genomen - toch zo'n honderd keer neerknielt om te bidden. Onderweg wordt hij vergezeld door engelen, die er voor zorgen, dat hij niet moe wordt en geen dorst krijgt. De blijheid van zijn ziel straalt van zijn gezicht. Hij weet alles, verstaat alle talen, en voorziet vele gebeurtenissen.”

Copycat van Christus
Bartolomeus wordt hier dus beschreven in termen die stuk voor stuk aan Jezus ontleend zijn. Hij is dus een echte leerling van zijn Heer: een 'andere Christus', vervuld van dezelfde Heilige Geest, die ook Jezus bezielde. De vermelding, dat hij alle talen verstaat, verwijst nog naar het talenwonder van Pinksteren (Handelingen 02,01-12), waar de leerlingen Jezus' boodschap zo verkondigden, dat ieder het in zijn eigen taal verstond. Men ging dus op zoek naar Bartolomeus. Maar twee dagen lang was hij onvindbaar. Bartolomeus wordt dus gevonden op de derde dag, een bijbels thema, waarin niet alleen de terugvinding van het kind Jezus in de tempel klinkt, maar ook zijn opstanding uit de dood. Op het moment echter dat de apostel over straat liep, riep een duivel die een bezetene als medium gebruikte: “Bartolomeus, apostel van God, je gebeden branden me in de ziel!” Waarop de apostel zei: “Hou je mond en ga weg uit die man.” Op datzelfde ogenblik bleek die man verlost. In dit verhaal van de verdrijving van de boze geesten worden we eens te meer herinnerd aan Jezus zelf. Het nieuws van dit wonder kwam – hoe kan het anders - de koning ter ore. Hij heette Polemius. Deze had een geestesziek dochtertje, en liet hem dus vragen of hij haar wilde komen genezen. En zo geschiedde. Zeer onder de indruk, liet Polemius zich door Bartholomeus bekeren en schopte het zelfs tot bisschop. De afgodenpriesters, die daarbij door Polemius de laan uitgestuurd werden, zochten hun toevlucht bij diens broer en tevens koning Astíages. Ze deden bij hem hun beklag over de wandaden van de apostel. Astíages was woedend, en hij stuurde er een heel leger op uit om hem te zoeken. Uiteindelijk kregen ze hem inderdaad te pakken. Net als Jezus moest hij terecht staan en zich verantwoorden voor de koning op beschuldiging van de priesters! Helemaal niet van z'n stuk bleef Bartholomeus hen verder uitdagen. Witheet van woede, scheurde Astiages zijn eigen purperen koningsmantel in tweeën en gaf bevel de apostel met verse twijgen te geselen, en liet hem tenslotte levend villen. In de straf van de geseling lijkt de apostel eens te meer op zijn Heer

De schrijver van De Legenda Aurea, Jacobus de Voragine, besluit zijn relaas heel objectief als volgt: “Over de precieze marteldood van de heilige Bartolomeus heerst verschil van mening. De heilige Dorotheüs houdt bij hoog en bij laag vol, dat hij gekruisigd is, en wel ondersteboven. Hij voegt er aan toe, dat deze marteling zou hebben plaats gehad in een Armeense stad, Albana genaamd. Van de andere kant benadrukt de heilige Theodorus, dat hij levend werd gevild. Bovendien zijn er nog andere geschiedschrijvers, die weten te vertellen dat hem de schedel werd gekliefd. Bij nader inzien zijn dit alles bij elkaar maar schijntegenstellingen. Want wat is er eigenlijk op tegen om te denken, dat hij eerst aan het kruis werd geslagen, vervolgens - om hem nog meer te laten lijden - levend werd gevild 
en tenslotte onthoofd?'


Verering en cultuur
Ik wil u nog graag meegeven dat hij de patroon is van de zondaars die op spectaculaire wijze tot bekering worden gebracht en van allerlei beroepen, waarbij met huiden of leer wordt gewerkt of waarbij een mes wordt gebruikt, zoals slagers en pelshandelaren, leerlooiers, leerbewerkers, schoen- en handschoenmakers, kleermakers, snijders, boekbinders, stukadoors en wijnbouwers. Bovendien is hij vanwege zijn afkomst patroon van herders en landbouwers, van mijnwerkers en zoutdragers, en in Firenze van de zout- en kaashandelaren. Hij wordt aangeroepen door vrouwen in barensnood, tegen zenuwziekten en stuipen. Hij wordt zelfs vereerd als patroon en alweer vanwege zijn mes van – houd u vast – van braambessen, koolplanten en van moestuinen.

Er zijn relieken van hem bewaard in de St-Bartolomeuskerk in Rome. In 1515 werden ook relieken van hem overgebracht naar Geraardsbergen in Vlaanderen. Vandaar dat tot op de dag van vandaag daar op de zondag in het octaaf van 24 augustus een processie van 'Plaisance en Cavalcade' wordt gehouden ter herinnering aan de overbrenging van zijn relieken.

In ieder geval een patroonheilige om als parochie trots op te zijn, een man die het verdiend wat in ere te worden hersteld, en waar zelfs met een beetje fantasie lucratieve zaken mee te doen zijn. Fantasie, of hoe je over iemand waar weinig of niets over geweten is, toch eindeloos kan verder vertellen …

Ik eindig met deze weerspreuk en ik heb ze niet verzonnen: “Zoals (het weer op) Bartolomeüs is, blijft 't gans de herfst gewis.” Gezien het weer op 24 augustus hebben we nog een mooi nazomertje tegoed.

donderdag 21 augustus 2014

Het kasteelpark van Zonnebeke

Vrijdagavond 15 augustus vond de officiële en langverwachte opening plaats van het 'Passchendaele Memorial Park'. Het gaat hier om het herenigen van de twee kasteelparken van Zonnebeke die sinds 1960 van elkaar gescheiden waren. Rond het pittoreske landhuis 'Zonnedaele' uit 1933 werd het landschapspark heraangelegd. Binnen de parkuitbreiding is een ruime parking, evenementenweide en ruimte voor natuur en recreatie voorzien. Een opmerkelijk onderdeel zijn de 'Passchendaele Memorial Gardens', zeven tuintjes in de vorm van een poppy die bedoeld zijn als herinnering
stuin voor naties die meestreden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze worden verder ingevuld tijdens de komende herdenkingsjaren jaren. Vandaag gaan in het 29 ha grote kasteelpark cultuur, erfgoed en recreatie hand in hand. Een niet te missen locatie met de allures van een heus provinciaal domein in hartje Zonnebeke.

Het kasteelpark van Zonnebeke kent een bijzonder rijke geschiedenis, die nu in z'n geheel ontsloten is voor het publiek. Over het domein en over die geschiedenis zijn al heel wat boeken verschenen. Ter gelegenheid van de officiële opening verscheen nu ook een handzaam en uiterst degelijk, toegankelijk en rijk geïllustreerd boekje over het kasteelpark van de hand van Lee Ingelbrecht (foto). In een notedop brengt hij de essentie van al die studies tot leven. Het helpt je het park in al z'n aspecten te lezen en te begrijpen en zo geeft het verleden z'n geheimen prijs. Het werk is te verkrijgen in de museumshop voor de luttele prijs van 8 euro. Voor die prijs moet je het echt niet laten en je wordt er heel wat wijzer door.

De Augustijnenabdij
Het begint allemaal in de elfde eeuw met de stichting van de Zonnebeekse Augustijnenabdij. Het complex dat tot de Franse Revolutie voor een groot deel het maatschappelijk leven zou bepalen, werd opgebouwd in zes fasen. Aan de hand van verschillende soorten verharding kan men deze nog waarnemen in de onlangs aangelegde Abdijtuin. De uitbreidingen kennen met ups en downs vooral een hoge vlucht in het laatste kwart van de 17de en het eerste van de 18de eeuw. Het geheel omvat ca 8000 m² waarvan ruim 5000 m² aan gebouwen. Ze worden omgeven door een aantal walgrachten die worden gevoed door de Zonnebeek. Door de beek af te dammen ontstond ook een vijver waar de kloosterlingen vis kweekten als voedsel tijdens de vastenperiode. Uiteindelijk vergaat het de abdij niet goed. In 1797 worden de monniken verjaagd door Franse troepen en al hun bezittingen worden geconfisceerd en als zogenaamd 'zwart goed' ten gelde gemaakt. De kerk en de pastorie worden afgesplist en rechtstreeks onder het beheer van de gemeente geplaatst. De opkoper is een zekere Jean-Baptiste de Laveleye. Hij laat veel slopen of verbouwen. Op de landerijen fokt hij schapen. De wol gaat voor verwerking naar het 'Wullekot' in Beselare. Na z'n dood in 1839 wordt echter alles opnieuw verkocht.

Het eerste kasteelpark
Het domein wordt in delen gekocht door de Ieperse familie Iweins, die er een prachtig kasteelpark van zal maken. De vroeger abtswoning wordt omgebouwd tot kasteel. Om dit alles te realiseren worden opnieuw heel wat abdijgebouwen gesloopt of verbouwd. In 1914 zijn alleen de ommuurde tuin, neerhof, kerk, pastorie en delen van het kasteel authentieke restanten van het oude abdijcoplex. In de ommuurde grote hof wordt o.a. een prachtige serre gebouwd, een waar pronkstuk van wel 45 meter lang.

Vernieling tijdens de Eerste Wereldoorlog
Op 20 oktober 1914 wordt het hele dorp geëvacueerd. Ook de familie Iweins ziet zich genoodzaakt het kasteel te verlaten in de ijdele hoop enkele dagen later terug te keren. Na de tweede slag rond Ieper ligt het kasteelpark vanaf mei 1915 ver genoeg achter de frontlinie en het licht beschadigde kasteel is voor de Duitse troepen een ideale plek om te genieten van hun rust. Er worden muziekfeesten georganiseerd, op de vijver dobberen bootjes en in het gebouw zelf wordt een casino ingericht waar officieren hun kans kunnen wagen. In de zomer van 1917
na de zware voorbereidende beschietingen voor de Slag om Passendale wordt het ganse terrein gauw herleid tot een trechterveld bespikkeld met ruïnes. Door het overstromen van de kasteelvijver is het bovendien veranderd in een waar moeras.


Een nieuw kasteelpark
Wanneer de eerste bewoners in 1919 terugkeren vinden ze werkelijk niets meer terug. Ze moeten zich beredderen met wat voorhanden is. Bunkers, schuilplaatsen en hutten bieden een eerste onderdak. Zo ook de kasteelheer, hij plaatst een noodwoning langs de Ieperstraat. Enkele jaren later begint de eigenlijke heropbouw. Het kasteel wordt op een andere plaats opgetrokken in Normandische stijl. Het park wordt al kort na de oorlog geëffend en beplant met bomen. In 1933 laat de baron ten zuiden van het park een villa bouwen voor zijn pasgehuwde dochter Elisabeth en haar man Noël de Vinck. Het landhuis krijgt de naam 'Zonnedaele'. De omgeving wordt net als het oude park landschappelijk aangelegd waardoor beide een bijzonder fraai geheel vormen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Zonnebeke gespaard van grote vernielingen. Na het overlijden van baron Iweins in 1957 wordt het kasteel en het oude park geërfd door zijn zwakzinnige dochter Denise. Rond 1960 scheidt zij haar domein hermetisch af van haar zus. Ze blijft steeds vaker weg van het kasteel en heeft geen interesse in het onderhoud van het domein.

Herwaardering van het kasteeldomein

Na jaren van verwaarlozing en verval wordt het in 1980 gekocht door de gemeente. Het wordt opgeknapt en opengesteld voor het publiek. Daarnaast worden er tal van culturele activiteiten georganiseerd. Na archeologisch onderzoek wordt een eerste abdijtuin aangelegd. Intussen krijgen de verschillende gebouwen een functionele bestemming. In een dienstgebouw wordt de openbare bibliotheek ingericht en in 1989 wordt in het kasteel naast een cultuurcentrum een streekmuseum geopend. Vanaf 2003 wordt er met meer toewijding gewerkt aan de toekomst van het kasteeldomein. Het streekmuseum wordt in 2002 gesloten en in 2004 vervangen door het Memorial Museum Passchendaele 1917. Het biedt een uitgebreide kijk op het oorlogsverhaal in deze streek en in de kelders wordt een 'deep dugout' gereconstrueerd. In 2011 volgt de definitieve bescherming van de kasteelgebouwen waarna restauratie kan beginnen. Met het vooruitzicht op honderd jaar herdenking van de Eerste Wereldoorlog wordt tegelijkertijd het museumparcours uitgebreid. Het huidige, meer dan 600 meter lange verloop toont niet alleen een uitgebreide collectie aan objecten. In zorgvuldig nagemaakte loopgraven waant de bezoeker zich in WOI en een authentieke Amerikaanse noodwoning vertelt het verhaal van hulp en wederopbouw. Verschillende deeltentoonstellingen zijn er het startpunt voor een natie-gebonden bezoek van het westelijk front. De uitbreiding van het museum werd officieel geopend op 12 juli 2013. Daarnaast is ook de Abdijtuin heraangelegd en werd de pastorie aan het domein toegevoegd. Het park heeft intussen een ware metamorfose ondergaan.

donderdag 14 augustus 2014

Loop eens een kerk binnen

Le Cathédrale de la Lys




Kerken oefenen nog steeds een grote aantrekkingskracht uit op mensen. Het is sterker dan onszelf. Op reis of eendaagse uitstap lopen we wel vlug eens een kerkgebouw binnen. Al is het maar om even te verpozen, de koelte op te zoeken of te schuilen voor een fikse regenbui. Willen of niet maar meteen komt daar ons een gevoel van rust en sereniteit tegemoet. Die keert ons buitenste-binnen en dan welt er wel eens een gebed uit ons hart. Ook de architectuur en de esthetiek kunnen ons binnenleiden, gevoelig maken voor het sacrale. We zijn dan beter in staat de wereld met gelovige ogen te schouwen. We weten dus wel min of meer wat we kunnen verwachten wanneer we een kerk binnengaan. Maar een enkele keer word je toch onverhoeds verrast door wat je te zien krijgt.

Neem nu de Sint-Petrus-en-Pauluskerk van Waasten (Fusiegemeente Komen-Waasten). Vlakbij, maar een plaats waar je niet komt omdat je er niets verloren of te zoeken hebt. En toch, op zo'n verloren dag ga je er heen, benieuwd wat die uithoek te bieden heeft. Bij nader inzien een plek om te koesteren. Je wordt er meteen vijftig jaar teruggeworpen in de tijd. 1963, toen de gemeente bij het vastleggen van de taalgrens als een enclave werd overgeheveld van de provincie West-Vlaanderen naar Henegouwen. Waar hier sindsdien zowat elke stads- of dorpskern werd gerenoveerd, is daar bijna alles bij het oude gebleven. Nogal wat leegstand en verloederde panden en dat is jammer want Waasten heeft een patrimonium om 'u' tegen te zeggen. Na de Eerste Wereldoorlog werd het compleet verwoeste stadje heropgebouwd. Waar in Zonnebeke architect Huib Hoste hier en daar met veel moeite z'n modernistische stempel kon drukken, nam het architectenbureau van Kortrijkzaan Jan Robert Vanhoenacker de heropbouw in handen. Zijn bekendste bouwwerk is de KBC- of Boerentoren in Antwerpen. Zo tref je hier naast nogal wat herenhuizen en een stadhuis met belforttoren in art-decostijl ook nog de genoemde imposante kerk aan opgetrokken in neoromaanse, moderne Byzantijnse stijl. Vanwege haar grootse afmetingen heeft ze inderdaad de allure van een kathedraal langs de nabijgelegen Leie, die enkele meters verder de grens met Frankrijk trekt.



Voor de kerk trekt 'Le Mountche' een beeldhouwwerk van Bernard Verhaeghe meteen de aandacht. Het symboliseert het altruïsme van de monniken van de augustijnerabdij die hier in 1138 werd opgericht. De abdij strekte zich uit van de huidige kerk tot aan de oevers van de Leie. Rond de site ligt een wandelpad waar op borden de plaats in z'n geheel haarfijn historisch wordt toegelicht. Hoewel de geestelijken na de Franse Revolutie (1792) verplicht werden hun gebouwen te verlaten, houden de inwoners van Waasten – de Mountches, de kleine monniken – de gulheid van de monniken verder levendig. Zo is de avondstoet van Sinterklaas daar nog steeds een uiting van die herinnert aan een rijk verleden.




Binnenin imponeert de kerk vooral ruimtelijk en bevat ze heel wat opmerkelijke kunstwerken. De prachtige barokke koorstoelen uit 1714, afkomstig van de oude plaatselijke abdij, gaan er samen met een belangrijk meubilair in gevlamde keramiek, dat geïnspireerd is door de art nouveau. De doopvont en een barokke lezenaar in rood marmer ontsnapten aan de vernielingen van de oorlog van 1914-1918. In de crypte bevinden zich twee polychrome graven uit de 14e eeuw, waaronder dat van Robrecht van Kassel (1278-1331), zoon van de graaf van Vlaanderen. De glasramen verbeelden verder het leven van de zalige Jan van Waasten, bisschop van Terwaan (1065-1130).

maandag 13 mei 2013

De heiligen uit onze brandramen

Beselare

Nu de wondermooie brandramen in het hoogkoor van de Sint-Martinuskerk stuk voor stuk gerestaureerd worden, bekijken we ze graag eens van nabij. Alle drie stralen ze kunst en kostbaarheid uit. Ze zijn vervaardigd door 'S.Coucke & Zonen' uit Brugge en werden geplaatst in de maanden mei en juni van het jaar 1926.


Het middenvenster stelt SINT MARTINUS, de geliefde patroon van de kerk en de parochie.
Maarten, die in de tweede eeuw na Christus leefde, was een soldaat die een afkeer had van het harde soldatenleven. Andere soldaten lachten hem uit toen hij alweer eens al z’n geld en wat hij kon missen aan de bedelaars had uitgedeeld. Op de afbeelding van het brandraam zien we hoe Sint Martinus als een ridder te paard een stuk van zijn mantel snijdt om dat aan een bedelaar te geven. Later bleek dat Jezus zich daar als bedelaar had voorgedaan. 




Hij wordt gevierd op 11 november. Als onderschrift lezen we: 'Sint Martinus blijft bij ons tot in der eeuwen'.



Het venster links langs de evangeliekant draagt de afbeelding van DONAAS of DONATIANUS, de patroonheilige van het Bisdom Brugge. Hij heeft een wiel in zijn handen omdat hij zo een kind dat in de zee aan het verdrinken was kon redden. Deze heilige was bisschop van Reims, een opvolger van Sint Remigius die Clovis nog heeft gedoopt. Het valt niet onmiddellijk op, maar er staat een fout te lezen in het raam. Het moet 'Sint Donatianus' of Sint Donaas zijn en geen 'Donatus' zoals er verkeerdelijk te lezen staat. Hij wordt gevierd op 7 augustus.
Rechts van Sint Donaas staat de ZALIGE KAREL DE GOEDE afgebeeld. Hij was na de tijd van de Noormannen graaf van Vlaanderen. Hij deed mee aan het openbaar gebed in de kathedraal van Sint Donaas. Tussen de gebedstonden deelde hij aalmoezen uit aan de armen. De adel van dienst smeedde samen met de proost van Sint Donaas een complot tegen hem. De moord op graaf Karel de Goede gebeurde in 1127. 





Hij werd als martelaar opgenomen in het kalender van het bisdom Brugge en wordt gevierd op 2 maart.


Het venster rechts aan de epistelkant, verbeeldt links SINT VINCENTIUS, diaken en martelaar. De abdij van Zonnebeke had Sint Vincentius als patroonheilige. Zijn kapel was onze eerste Beselaarse kerk (1087 & 1222). Hij wordt gevierd op 22 januari.
Aan de rechterkant wordt de HEILIGE THERESIA van Lisieux afgebeeld. Zij was een Karmelietes die beloofde de aarde met rozen te bestrooien met de vruchten van haar lijden.











Zij is de patrones van de missies en wordt gevierd op 15 oktober.



Boven de drie neogotische brandramen zien we nog drie symbolische voorstellingen van de Eucharistie, gevat in een vierpas. We herkennen een kelk met de hostie, de pelikaan die zijn jongen voedt en de ark des Verbonds.














Nog enkele weetjes over brandramen


Glas-in-lood is de benaming voor een vensterraam bestaande uit stukken glas gevat in loodlijsten en tussen stenen monelen gezet. Soms worden dikke glazen kleurdalen gekapt en dan onmiddellijk in beton geplaatst, zo bekomt men glas in beton. Een montant, meneel of moneel is een stenen stijl in een kerkvenster. Zij delen een groot venster op in kleinere delen waarin het glas of glas-in-lood wordt aangebracht. De montanten worden uitgevoerd in metselwerk of natuursteen en zijn doorgaans geprofileerd en gaan aan de bovenzijde over in het maaswerk dat ze dragen. Het maaswerk in de vensters van de kerk te Beselare toont en grote verscheidenheid. De techniek van glas in lood is al zeer oud. De voorstelling van het glas in lood wordt eerst op karton op ware grootte getekend en gekleurd. Dat is het patroon.
Brandschilderen is een eeuwenoude techniek om op glas te tekenen. In de Middeleeuwen werd het al gebruikt, met als belangrijkste toepassing het versieren van kerkramen. Vaak wordt het gecombineerd met glas in lood. Met behulp van een borstel wordt een mengsel van azijn, gom en pigmenten op het glas aangebracht, waarna de pigmenten in een oven op hoge temperatuur in het glas worden gebrand. Als eerste wordt de contourlijn aangebracht en gebrand, daarna de schaduwen en als laatste de kleuren. Stukken gekleurd of gebrandschilderd glas worden naar het patroon van de gewenste voorstelling gesneden en gevat in H-vormige loodlijsten, die op de punten waar zij elkaar kruisen aan elkaar worden gesoldeerd. Om het raam waterdicht te maken wordt tussen de loodlijst en het glas een kit aangebracht. (Glas-in-loodkit is stopverf aangelengd met lijnzaadolie). Aangezien gewone loodlijsten niet voor veel stevigheid zorgen, zijn vaak enkele doorgaande loodlijsten voorzien van een stalen kern. Desondanks is een glas-in-loodraam een tamelijk zwakke constructie, zodat grotere uitvoeringen ter versteviging bevestigd worden aan aparte stalen spijlen .

Twee oorlogen in de streek hebben veel mooi brandglas vernield. Gelukkig is er veel in de oorspronkelijke staat hersteld, vooral glas-in-lood met grisaille tekeningen en schaduwen erin gebakken. Dit zijn de meest kostbare brandramen omwille van het immense handwerk.
Een grisaille of grauwschildering, is een schilderij waarin men geen natuurlijke kleuren aanbrengt maar zich beperkt tot de weergave van de dingen in alle mogelijke schakeringen van dezelfde kleur, meestal grijs of bruin. Deze techniek heeft haar wortels in de oudheid maar werd vooral van de 15e tot de 18e eeuw toegepast. Er is in alle stijlen en genres veel mooi werk gemaakt. Je kan lezen wie er in de ramen van het koor staat. Ook worden soms de sacramenten, de geboden, de geloofswaarheden en vooral de vele heiligen en hun levensverhaal uitgebeeld. Men zei soms dat de brandramen van sommige kerken een ganse catechismus inhielden. Wat zeker fijn bedacht was want de mensen waren ervan onder de indruk en konden immers niet lezen noch schrijven. De volksschrijver Frans Ramon Boschvogel schreef een prachtig boek over 'De heiligen uit onze brandramen!' De basiliek van Dadizele heeft zulke mooie kostbare vensters dat geen enkele verzekeringsmaatschappij ze wil verzekeren. (cfr nota: Vermeulen Joris Beselare)
Een bekende grootmeester glazenier is Jean Baptist de Bethune (Kortrijk, 25 april 1821 – Marke,18 juni1894).

Guido Vermeulen