De mens is een sociaal
wezen. We zoeken elkaar op, en verenigen ons op diverse manieren.
Augustinus zocht zijn vrienden op, om met hen in gemeenschap te leven
met een gezamenlijk doel. Vele religieuzen deden en doen dat nu nog
steeds en ook leken zoeken naar meer verbondenheid. Maar onze tijd
kenmerkt zich door ontkerkelijking, door terugval van het aantal
religieuzen, door eenzaamheid, … Hoe kan Augustinus de mens van
vandaag inspireren in het zoeken naar verbondenheid en het leven in
gemeenschap.
Dat was op vrijdag 20 mei
de inzet van een studiedag in Leuven, een initiatief van het
Augustijns Historisch Instituut en het Academisch Centrum voor
Praktische Theologie.
De visie van
Augustinus zelf werd toegelicht en de
invloed daarvan op concrete hedendaagse projecten. Wij
staan hier even stil bij enkele aspecten van de bijdrage van
Liesbeth Pulinckx over haar
doctoraatsonderzoek over kerkgemeenschapsvorming vandaag.
“In den beginne was de Kerk
een gemeenschap van mannen en vrouwen, met Christus als levend
middelpunt. Toen verplaatste de Kerk zich naar Griekenland, waar zij
een filosofie werd. Vervolgens verplaatste zij zich naar Rome, waar
zij een
instituut werd. Vervolgens verbreidde zij zich over Europa, waar zij
een cultuur werd. En ten slotte verplaatste de Kerk zich naar
Amerika, waar zij een onderneming werd.”
Een prikkelende, maar enigszins
verhelderende uitspraak van de Amerikaanse predikant Richard
Halverson, die mag aantonen welke metamorfoses de Kerk gedurende
eeuwen heeft doorgemaakt. Zo
ver zijn we in Vlaanderen nog niet en het ziet er ook niet naar uit
dat we
van
de Kerk hier
een
onderneming zullen
maken. De vraagt blijft dan wel: wat wil Vlaanderen wel nog
van
de kerk maken?
Hoewel nog maar weinigen zich
totaal identificeren met het instituut vandaag, is er toch een kleine
minderheid van mensen, die zich – elk vanuit hun eigen motieven –
nog enigszins met de Kerk verbonden weten. Ze vinden het belangrijk
om ‘samen het geloof te beleven’ of zien de
kerkgemeenschap als een plaats om anderen te ontmoeten, antwoorden te
krijgen op existentiële vragen en wellicht ook omdat ze er kansen
krijgen om daadwerkelijk iets voor anderen te betekenen. De meeste
mensen echter zijn nauwelijks kerkbetrokken omdat ze hoegenaamd niet
naar zulke dingen op zoek zijn. Ze dichten de Kerk vooral een
ceremoniële, betekenisvolle rol toe bij belangrijke momenten in hun
leven.
Zo neemt ook – met
uitzondering van sportclubs – het vast en langdurig lidmaatschap
van politieke partijen, vakbonden, kerken en aanverwante verenigingen
af. Daartegenover staat een grote, groeiende groep van mensen die
zich tijdelijk achter een bepaald project schaart voor het goede
doel. Wat je nog ziet, is dat mensen eenmalig deelnemen aan grote
gemeenschappelijke rituelen n.a.v. iets dat hen bijzonder raakt: een
ramp, een drama, het overlijden van een publiek figuur … Het is een
hoogst momentane vorm van gemeenschappelijkheid, zeer intens beleefd,
maar daarna trekt ieder zich weer terug.
Religie lijkt vandaag verder iets
dat privé zijn plaats kan krijgen, terwijl in het
cultuur-christendom de ‘collectiviteit’ nog de norm was.
Het belang van (christelijk)
gemeenschap vormen
Maar net zoals Augustinus willen
we de Kerk niet los denken van gemeenschap vormen. Deels omdat de
mens volgens hem van nature een sociaal, en door en door een
relationeel wezen is. Deels omdat het christelijk geloof en godsbeeld
daar ook op aanstuurt. Bovendien zijn geloofs-, zingevings- en vragen
rond levensbeschouwing in de eerste plaats niet zozeer gediend met
‘juiste’ antwoorden, maar vooral met het ‘samen op
weg gaan met een gemeenschap die dezelfde vragen deelt’. Het
steeds weer
opnieuw vertellen van de verhalen, het herhaaldelijk uitvoeren van
rituele handelingen, het samen bidden
en zingen, wekken
gevoelens op
van zekerheid en
heelheid, van troost en bevrijding. Het gaat daarbij
niet louter om
standaardvieringen in het
kerkgebouw, maar ook om
allerlei
samenkomsten waar er
plaats is
voor een moment van liturgie, een moment waar mensen
gezamenlijk tot
verbinding en religieuze beleving komen.
Het
zijn
niet
de muren zijn die je
omgeven, die maken
of je christen bent, maar
wel of je deel uitmaakt van een gemeenschap van christenen. Of
zoals Augustinus
het kernachtig verwoordde:
“één christen is geen christen”.
Het
gevaar voor ‘religieuze
clubvorming’ is
nooit veraf, maar neemt af wanneer
de kerkgemeenschap geheel
‘ten
dienste van het rijk Gods’
staat. Daarom
is verscheidenheid
belangrijk bij
het kerk-vormen. Een Kerk
die zich zichzelf
beschouwt als ‘de
heilige rest’ en
enkel focust op het
‘liturgisch-sacramentele’
gaat altijd zijn diaconale component verwaarlozen. Op gelijke wijze
zal een Kerk
die zich enkel inzet voor ‘sociale
dienstverlening’
haar aandacht voor de christelijke inspiratie verdonkeremanen. En
een Kerk die nog enkel inzet op sporadische bijeenkomsten met veel
aandacht voor het ‘belevingsaspect’
gaat voorbij aan ‘authentieke
gemeenschapsvorming’.
De
Kerk is buiten haar gebouwen niet erg zichtbaar aanwezig in de
samenleving, waardoor ze voor velen geen thuishaven is of kan zijn.
Met enkel een viering op zaterdag of zondag stuurt ze geen
uitnodigend appèl naar niet-gelovigen en kerkverlaters.
Ze heeft met haar te
veel en grote en dure
kerken in
het verleden te weinig
geïnvesteerd in
de
opbouw van kleinere
geloofsgemeenschappen met specifieke
aandacht voor de gemeenschapsvorming zelf.
Ieder
van u is Zijn tempel
Augustinus
hechtte veel belang aan goede vriendschappen binnen een gemeenschap
zonder daarom te gaan cocoonen en zonder de band met de wereld te
verliezen of zonder erop bedacht te zijn wat het evangelie voor
anderen zou kunnen
betekenen. In een commentaar op de brief van Johannes zei hij: “Breid
uw liefde tot heel de wereld indien u Christus wil beminnen want de
ledematen van Christus leven in de gehele wereld.” Een
ander aspect dat aansluit bij Augustinus' denken over gemeenschap is
zijn voorkeur over de manier waarop een religieus
gemeenschapsleven te gaan
leiden.
Hij onderscheidt een contemplatief gemeenschapsleven, een
gemeenschapsleven gericht op actie en een mengvorm, namelijk de vorm
waar contemplatie en actie elkaar in evenwicht
houden. Deze laatste draagt zijn voorkeur weg.
Als
bisschop is een van zijn grote bezorgdheden
de onrechtvaardigheid en wantoestanden in de samenleving van toen.
Hij nam het sterk op voor de armen en wou de verdrukten bevrijden.
Augustinus
legt een grote nadruk op de liefde als de kern van het christen-zijn.
Voor hem kan een gemeenschap dan ook maar een waarachtige
christelijke gemeenschap zijn wanneer ze het belang van liefdevolle
relaties tussen mensen (en dus ook vredevolle en rechtvaardige
relaties) vooropstelt.
Augustinus
zegt in zijn Belijdenissen dat een mens steeds meer mens wordt door
te beminnen. Hij denkt over gemeenschap in termen van ‘één
van hart en één van ziel’.
Hij voegt er in zijn regel nog iets aan toe: “Leef
dus allen één van ziel en één van
hart samen en
eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden”.
In
die
optimistische mensvisie van Augustinus schuilt
ook de idee
dat de Geest in ieder mens aanwezig is en te ontdekken valt. Een mens
moet in die zin veel minder geëvangeliseerd worden dan soms wordt
gedacht.
De parochie heeft de potentie om
een ‘sterk merk’ te zijn, maar dat komt vaak niet tot
uiting. Haar troeven zijn de ‘voorgegevenheid’ (het
ontlast individuen om zelf alles uit te vinden), ‘de
toegankelijkheid’ (haar deuren staan open), haar
‘heterogeniteit’ (ze is er voor iedereen) en haar
gerichtheid op de ‘totaliteit’ van wat het betekent een
christelijk leven te leiden. In de praktijk echter blijken parochies
vaak te bestaan uit gesloten homogene gemeenschappen met een beperkt
aanbod. Parochies zijn zich doorgaans meer institutioneel blijven
gedragen en verloren dan ook stilaan meer en meer gelovigen.
Een theoloog als René Hornikx
ziet in het samenkomen van kleine groepen van gelovigen een
mogelijkheid om van binnenuit te werken aan een christelijke
spiritualiteit die zo nodig is om ook naar buiten iets daarvan te
kunnen uitstralen. Zelf ziet hij vooral heil in het samenkomen rond
bijbelverhalen waarrond gedeeld kan worden. Hij meent dan ook dat
waar de parochies hierin niet voorzien, mensen hun ‘heil’
elders gaan zoeken, in de rand van het kerkelijk leven, in nieuwe
bewegingen of groepen gelinkt aan ordes en congregaties. Hornikx
spreekt van drie bestaansvoorwaarden die hij als onontbeerlijk
beschouwt voor parochies: ‘bezielde gelovigen, bezielende
leiding en bezielde verbanden’.
Het
is nog afwachten hoe de Kerk
van de toekomst verder gestalte zal krijgen. Gaan de traditionele
vormen van kerk-zijn zoals kloostergemeenschappen en parochies nog
verder in aantal afnemen of net een renaissance
kennen,
maar dan
misschien op een andere manier? Of gaat de Kerk
een andere kaart trekken, die van kleinere (basis)gemeenschappen
geleid door leken of gewijden? Of misschien een combinatie van dit
alles? Omdat het christelijk verhaal altijd een relationeel verhaal
zal zijn van een God op zoek naar Zijn volk om het rijk Gods te
installeren, durven we te stellen dat het gemeenschapsaspect van het
christen-zijn niet snel aan belang zal inboeten of er altijd de
onderbouw van zal uitmaken. Laten het dan, met Augustinus
in
ons achterhoofd, vooreerst gemeenschappen zijn van vriendschap,
liefde, vrede en rechtvaardigheid. Op die manier zal het christelijk
verhaal nooit aan relevantie inboeten.












