Pagina's

woensdag 25 mei 2016

Leven in gemeenschap met Augustinus


De mens is een sociaal wezen. We zoeken elkaar op, en verenigen ons op diverse manieren. Augustinus zocht zijn vrienden op, om met hen in gemeenschap te leven met een gezamenlijk doel. Vele religieuzen deden en doen dat nu nog steeds en ook leken zoeken naar meer verbondenheid. Maar onze tijd kenmerkt zich door ontkerkelijking, door terugval van het aantal religieuzen, door eenzaamheid, … Hoe kan Augustinus de mens van vandaag inspireren in het zoeken naar verbondenheid en het leven in gemeenschap.

Dat was op vrijdag 20 mei de inzet van een studiedag in Leuven, een initiatief van het Augustijns Historisch Instituut en het Academisch Centrum voor Praktische Theologie.

De visie van Augustinus zelf werd toegelicht en de invloed daarvan op concrete hedendaagse projecten. Wij staan hier even stil bij enkele aspecten van de bijdrage van Liesbeth Pulinckx over haar doctoraatsonderzoek over kerkgemeenschapsvorming vandaag.

“In den beginne was de Kerk een gemeenschap van mannen en vrouwen, met Christus als levend middelpunt. Toen verplaatste de Kerk zich naar Griekenland, waar zij een filosofie werd. Vervolgens verplaatste zij zich naar Rome, waar zij een instituut werd. Vervolgens verbreidde zij zich over Europa, waar zij een cultuur werd. En ten slotte verplaatste de Kerk zich naar Amerika, waar zij een onderneming werd.”

Een prikkelende, maar enigszins verhelderende uitspraak van de Amerikaanse predikant Richard Halverson, die mag aantonen welke metamorfoses de Kerk gedurende eeuwen heeft doorgemaakt. Zo ver zijn we in Vlaanderen nog niet en het ziet er ook niet naar uit dat we van de Kerk hier een onderneming zullen maken. De vraagt blijft dan wel: wat wil Vlaanderen wel nog van de kerk maken?

Hoewel nog maar weinigen zich totaal identificeren met het instituut vandaag, is er toch een kleine minderheid van mensen, die zich – elk vanuit hun eigen motieven – nog enigszins met de Kerk verbonden weten. Ze vinden het belangrijk om ‘samen het geloof te beleven’ of zien de kerkgemeenschap als een plaats om anderen te ontmoeten, antwoorden te krijgen op existentiële vragen en wellicht ook omdat ze er kansen krijgen om daadwerkelijk iets voor anderen te betekenen. De meeste mensen echter zijn nauwelijks kerkbetrokken omdat ze hoegenaamd niet naar zulke dingen op zoek zijn. Ze dichten de Kerk vooral een ceremoniële, betekenisvolle rol toe bij belangrijke momenten in hun leven.

Zo neemt ook – met uitzondering van sportclubs – het vast en langdurig lidmaatschap van politieke partijen, vakbonden, kerken en aanverwante verenigingen af. Daartegenover staat een grote, groeiende groep van mensen die zich tijdelijk achter een bepaald project schaart voor het goede doel. Wat je nog ziet, is dat mensen eenmalig deelnemen aan grote gemeenschappelijke rituelen n.a.v. iets dat hen bijzonder raakt: een ramp, een drama, het overlijden van een publiek figuur … Het is een hoogst momentane vorm van gemeenschappelijkheid, zeer intens beleefd, maar daarna trekt ieder zich weer terug.
Religie lijkt vandaag verder iets dat privé zijn plaats kan krijgen, terwijl in het cultuur-christendom de ‘collectiviteit’ nog de norm was.


Het belang van (christelijk) gemeenschap vormen

Maar net zoals Augustinus willen we de Kerk niet los denken van gemeenschap vormen. Deels omdat de mens volgens hem van nature een sociaal, en door en door een relationeel wezen is. Deels omdat het christelijk geloof en godsbeeld daar ook op aanstuurt. Bovendien zijn geloofs-, zingevings- en vragen rond levensbeschouwing in de eerste plaats niet zozeer gediend met ‘juiste’ antwoorden, maar vooral met het ‘samen op weg gaan met een gemeenschap die dezelfde vragen deelt’. Het steeds weer opnieuw vertellen van de verhalen, het herhaaldelijk uitvoeren van rituele handelingen, het samen bidden en zingen, wekken gevoelens op van zekerheid en heelheid, van troost en bevrijding. Het gaat daarbij niet louter om standaardvieringen in het kerkgebouw, maar ook om allerlei samenkomsten waar er plaats is voor een moment van liturgie, een moment waar mensen gezamenlijk tot verbinding en religieuze beleving komen. Het zijn niet de muren zijn die je omgeven, die maken of je christen bent, maar wel of je deel uitmaakt van een gemeenschap van christenen. Of zoals Augustinus het kernachtig verwoordde: “één christen is geen christen”.

Het gevaar voor ‘religieuze clubvorming’ is nooit veraf, maar neemt af wanneer de kerkgemeenschap geheel ‘ten dienste van het rijk Gods’ staat. Daarom is verscheidenheid belangrijk bij het kerk-vormen. Een Kerk die zich zichzelf beschouwt als ‘de heilige rest’ en enkel focust op het ‘liturgisch-sacramentele’ gaat altijd zijn diaconale component verwaarlozen. Op gelijke wijze zal een Kerk die zich enkel inzet voor ‘sociale dienstverlening’ haar aandacht voor de christelijke inspiratie verdonkeremanen. En een Kerk die nog enkel inzet op sporadische bijeenkomsten met veel aandacht voor het ‘belevingsaspect’ gaat voorbij aan ‘authentieke gemeenschapsvorming’.

De Kerk is buiten haar gebouwen niet erg zichtbaar aanwezig in de samenleving, waardoor ze voor velen geen thuishaven is of kan zijn. Met enkel een viering op zaterdag of zondag stuurt ze geen uitnodigend appèl naar niet-gelovigen en kerkverlaters. Ze heeft met haar te veel en grote en dure kerken in het verleden te weinig geïnvesteerd in de opbouw van kleinere geloofsgemeenschappen met specifieke aandacht voor de gemeenschapsvorming zelf.

Ieder van u is Zijn tempel

Augustinus hechtte veel belang aan goede vriendschappen binnen een gemeenschap zonder daarom te gaan cocoonen en zonder de band met de wereld te verliezen of zonder erop bedacht te zijn wat het evangelie voor anderen zou kunnen betekenen. In een commentaar op de brief van Johannes zei hij: “Breid uw liefde tot heel de wereld indien u Christus wil beminnen want de ledematen van Christus leven in de gehele wereld.” Een ander aspect dat aansluit bij Augustinus' denken over gemeenschap is zijn voorkeur over de manier waarop een religieus gemeenschapsleven te gaan leiden. Hij onderscheidt een contemplatief gemeenschapsleven, een gemeenschapsleven gericht op actie en een mengvorm, namelijk de vorm waar contemplatie en actie elkaar in evenwicht houden. Deze laatste draagt zijn voorkeur weg.

Als bisschop is een van zijn grote bezorgdheden de onrechtvaardigheid en wantoestanden in de samenleving van toen. Hij nam het sterk op voor de armen en wou de verdrukten bevrijden. Augustinus legt een grote nadruk op de liefde als de kern van het christen-zijn. Voor hem kan een gemeenschap dan ook maar een waarachtige christelijke gemeenschap zijn wanneer ze het belang van liefdevolle relaties tussen mensen (en dus ook vredevolle en rechtvaardige relaties) vooropstelt. Augustinus zegt in zijn Belijdenissen dat een mens steeds meer mens wordt door te beminnen. Hij denkt over gemeenschap in termen van ‘één van hart en één van ziel’. Hij voegt er in zijn regel nog iets aan toe: “Leef dus allen één van ziel en één van hart samen en eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden”. In die optimistische mensvisie van Augustinus schuilt ook de idee dat de Geest in ieder mens aanwezig is en te ontdekken valt. Een mens moet in die zin veel minder geëvangeliseerd worden dan soms wordt gedacht.

Toekomst van de parochiegemeenschappen?

De parochie heeft de potentie om een ‘sterk merk’ te zijn, maar dat komt vaak niet tot uiting. Haar troeven zijn de ‘voorgegevenheid’ (het ontlast individuen om zelf alles uit te vinden), ‘de toegankelijkheid’ (haar deuren staan open), haar ‘heterogeniteit’ (ze is er voor iedereen) en haar gerichtheid op de ‘totaliteit’ van wat het betekent een christelijk leven te leiden. In de praktijk echter blijken parochies vaak te bestaan uit gesloten homogene gemeenschappen met een beperkt aanbod. Parochies zijn zich doorgaans meer institutioneel blijven gedragen en verloren dan ook stilaan meer en meer gelovigen.

Een theoloog als René Hornikx ziet in het samenkomen van kleine groepen van gelovigen een mogelijkheid om van binnenuit te werken aan een christelijke spiritualiteit die zo nodig is om ook naar buiten iets daarvan te kunnen uitstralen. Zelf ziet hij vooral heil in het samenkomen rond bijbelverhalen waarrond gedeeld kan worden. Hij meent dan ook dat waar de parochies hierin niet voorzien, mensen hun ‘heil’ elders gaan zoeken, in de rand van het kerkelijk leven, in nieuwe bewegingen of groepen gelinkt aan ordes en congregaties. Hornikx spreekt van drie bestaansvoorwaarden die hij als onontbeerlijk beschouwt voor parochies: ‘bezielde gelovigen, bezielende leiding en bezielde verbanden’.

Besluit

Het is nog afwachten hoe de Kerk van de toekomst verder gestalte zal krijgen. Gaan de traditionele vormen van kerk-zijn zoals kloostergemeenschappen en parochies nog verder in aantal afnemen of net een renaissance kennen, maar dan misschien op een andere manier? Of gaat de Kerk een andere kaart trekken, die van kleinere (basis)gemeenschappen geleid door leken of gewijden? Of misschien een combinatie van dit alles? Omdat het christelijk verhaal altijd een relationeel verhaal zal zijn van een God op zoek naar Zijn volk om het rijk Gods te installeren, durven we te stellen dat het gemeenschapsaspect van het christen-zijn niet snel aan belang zal inboeten of er altijd de onderbouw van zal uitmaken. Laten het dan, met Augustinus in ons achterhoofd, vooreerst gemeenschappen zijn van vriendschap, liefde, vrede en rechtvaardigheid. Op die manier zal het christelijk verhaal nooit aan relevantie inboeten.

donderdag 19 mei 2016

Menin Road - Ypernstrasse


De legendarische Menin Road – Ypernstrasse, of de weg Menen-Ieper, speelde een cruciale rol tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vier jaar lang streden Britten en Duitsers om de steden Menen en Ieper, zonder veel succes. De vier gemeenten langs de weg - Ieper, Zonnebeke, Wervik en Menen - willen deze gebeurtenissen herdenken, van 4 juni tot 25 september met een grote kunsttentoonstelling op en langs de weg, met een belangrijke historische publicatie en met het publieksevenement ‘En cours de route’ op zondag 4 september met als voornaamste blikvanger een imposante reus die de volledige N8 bewandelt.

De Meenseweg, die de verbinding maakt tussen Ieper en Menen via de dorpen Geluwe en Geluveld en het landschap eromheen, speelde een strategische rol tijdens de Eerste Wereldoorlog. Al van in augustus 1914 kwam het langs de weg regelmatig tot een treffen tussen cavaleriepatrouilles. Midden oktober 1914 maakten de geregelde legers hier hun opwachting en begon de Eerste Slag bij Ieper. De steenweg Ieper-Menen kwam haaks op de frontlijn te liggen en werd aan weerszijden ervan door de strijdende partijen intensief gebruikt. De Duitsers duidden deze aan als ‘Ypernstrasse’ omdat dit voor hen de meest aangewezen weg naar Ieper was. De Britten noemden ze ‘Menin Road’ omdat deze hen vanaf de toen al afgebroken Meensepoort naar Menen zou leiden. De Britten zouden echter nooit Menen bereiken en de Duitsers nooit Ieper!

HISTORISCHE PUBLICATIE
De weg Ieper–Menen 1914-1918
In dit nieuwe boek krijgen we voor het eerste een duidelijk overzicht van wat er zich heeft afgespeeld van Menen tot Ieper tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Waarom bereikten de Duitsers nooit Ieper? Hoe komt het dat de geallieerden er vier jaar lang niet in slaagden om de Duitsers terug te dringen? Welke rol speelde het landschap? Hoe zag de kantonnementstad Menen er tijdens de oorlog uit?

In het boek zijn getuigenissen opgenomen van militairen, burgers en kunstenaars. Het oorlogserfgoed langs de weg wordt uitvoerig besproken. Daarnaast bevat het boek ook beschrijvingen voor of na 1914-1918. Specialisten ter plaatse, zoals Marc Pyncket, Dirk Decuypere en Roger Verbeke en medewerkers van het Memorial Museum Passchendaele 1917 in Zonnebeke en In Flanders Fields Museum in Ieper leverden bijdragen.
Het boek met hardcover telt 216 blz. en bevat meer dan 200 nieuwe foto’s en kaarten.
Prijs: 25,00 euro



KUNSTPARCOURS
Voor dit uitzonderlijk artistiek project werden 40 nationale en internationale kunstenaars uitgenodigd om zich onder de noemer landscape, form & psyche te verdiepen in de landschappelijke en architecturale overblijfselen van de Eerste Wereldoorlog, langs de weg Menen-Ieper. Het vertrekpunt van de tentoonstelling is ‘het idee van het graven in de aarde’. Het gegeven van het oorlogslandschap wordt benadrukt of versluierd via monumentale sculpturen, land art, schilderkunst en literatuur.

Deelnemende kunstenaars zijn o.a. Eva Kotatkova (CZ), Edward Lipski (GB), Böhler and Orendt (DE-RO), Bart Lodewijks (NL), Gillot + Givry (FR), Alexander Tinei (HU),Yumiko Yoneda (JP), Louis De Cordier, Peter Verhelst, Renato Nicolodi, Bart Baele, Andy Malengier. De tentoonstelling wordt gecureerd door kunstenaar Johan Tahon.

Landschap
Wie achteloos langs bewuste weg voorbijrijdt laat wellicht de sporen, de littekens van de oorlog aan zich voorbijgaan. Maar ze zijn er nog, verscholen in het landschap. De loopgraven, dugouts, bunkers en veldhospitalen, maar ook de grondverzakkingen door obusinslagen en - niet onbelangrijk - de bidplaatsen als tastbare overblijfselen van een hellevaart.

Tahon vertelt, hoe hij bij aanvang van z’n curator-zijn rondgeleid werd door het landschap en getroffen werd door de dug-outs. Deze ondergrondse schuilplaatsen dienden om enigszins veilig aan het front te blijven zitten, zonder onmiddellijk gevaar te lopen voor artillerievuur. Tegelijkertijd stonden ze heel vaak onder water, kon je er bij een gasaanval net in vast geraken en was er altijd wel instortingsgevaar. Duizenden en duizenden – altijd weer jonge mensen – leefden zo in onmenselijke omstandigheden onder de grond. Leven op een snijpunt tussen ‘horror’ en een verlangen naar ‘beschutting’ en ‘zuiverheid’. Uit die tegenstelling ontstaan mogelijkheden om kunst in velerlei vormen te scheppen.

Vorm, creatie van symboliek

Kunst uit zich in vormen, objecten die ritueel bezweren en weerwerk bieden aan onderliggende gevoelens, bedreigingen of verlangens. Een relatie zoals kleine kinderen die hebben met hun beertje of fopspeen. Zo spreekt de kunstenaar ook vandaag nog vanuit zijn onderbewustzijn vormelijk in beelden, taal en objecten tot het onderbewustzijn van de toeschouwer. Zo is het de bedoeling dat de aangesproken kunstenaars vanuit allerlei disciplines in gesprek gaan met een door oorlog getekend landschap en de werkelijkheid erachter in al z’n geladenheid als het ware opdiepen en opwekken.

Dug-outs staan in die optiek voor het zich ondergronds een uitweg graven, het wroeten in de aarde als een verlangen naar bescherming, verlossing, zegen en heling, als naar een zorgende moeder en weerspiegelen zich aldus in heel wat opgestelde kunstwerken.

Psyche, een identiteit van brokstukken

Er lopen parallellen ondanks de gradaties van pijn in de beleving van echt levensbedreigende oorlogssituaties en tot waanzin leidende psychische problemen en gewoon een dipje in het alledaagse leven. Maar ‘in de grond’, ‘au fond’ wekt elk leed vanuit angst de hunker op naar de geborgenheid van een moeder of een geliefde. Zo kunnen wij ook enigszins begrijpen wat de impact was van niets ontziend geweld op de psyche van hen die het willens nillens maanden- of jarenlang moesten ondergaan. Het leidde tot wat men in het Engels ‘shellshock’ is gaan noemen en waar men nu het etiket ‘posttraumatische stress’ op kleeft: stuiptrekkingen, huilbuien, hallucinaties, verlammingen zonder fysieke oorzaak.

Ook hier heeft de kunstenaar mogelijkheden om over de grenzen van onze rationele controle heen te stappen, contact te maken met de waanzin, met het voordeel dat er hier in de kunst nog een weg terug is. Een uitweg die een tot waanzin gedreven soldaat niet had en die in dat geval vaak als deserteur gefusilleerd werd.

Uitgangspunt is elke fragiele jongeling, die zichzelf in de maatschappij wil bewijzen en toen aan het front verzeild geraakte in een zielenstrijd, een gevecht tussen razernij en het verlangen naar evenwicht en zuiverheid. Zo kan je bij wijze van voorbeeld de opstelling van ‘Bad man’ van Edward Lipski begrijpen op de zolder van de lagere school in Geluveld. In een oorlogscontext neig je om in dat grote, afschrikwekkende hoofd ‘den Duits’ te zien, die zomaar binnenvalt in je huis. Maar hij is algemeen-menselijker dan je denkt. Zo wordt hij een universele indringer, de boeman, waar elk kind wel eens mee bedreigd wordt, va, de duivel tot Dutroux, van het spook onder het bed tot de vreemde man op straat.

De strijd van onze geest met een vaak vijandige omgeving, om onze ziel te vrijwaren, gebeurt door heen deze kunst, is reden tot kunst en meteen ook het punt dat deze tentoonstelling wil maken.

OPENING
De kunstwerken worden van 4 juni tot 25 september gepresenteerd op en nabij de weg van Ieper naar Menen, in 19 verrassende binnenlocaties en in open lucht.
Openingsuren: woensdag tot zondag, van 10.00 tot 18.00 u.

Instappunten:
Ieper: toeristische dienst / IFFM, Grote Markt 34
Menen: toeristische dienst / Stadsmuseum ’t Schippershof, Rijselstraat 77,
Onthaalpunten:
Geluwe: oud-gemeentehuis, Sint-Denijsplaats
Geluveld: schoolhuis, Oude Zandvoordestraat

De officiële opening met receptie achteraf vindt plaats op zaterdag 4 juni om 15.00 u. in de Sint-Margarethakerk van Geluveld in aanwezigheid van Geert Bourgeois, minister-president van de Vlaamse Regering. Tussen de toespraken door zijn er intermezzi door Robbert&Frank/ Frank&Robbert en Peter Verhelst.

Dit project is een samenwerking tussen de gemeenten Ieper, Zonnebeke, Wervik en Menen, het In Flanders Fields Museum en MMP17, met de steun van Toerisme Vlaanderen en GoneWest.

woensdag 11 mei 2016

Geloven met handen en voeten


 ‘In mei legt elke vogel een ei’, zegt het spreekwoord. Mei is ook de maand, waar nogal wat gelovigen hun ei kwijt willen. In deze periode krijgt het volksgeloof immers een immense opstoot. Het is dan wel niet zo massaal meer als vroeger, maar toch … in mei viert de (maria)devotie hoogtij. Er wordt hier plaatselijk, wekelijks verzameld aan menig kappeleke om een heuse rozenkrans te bidden. Er zijn in landbouwmiddens de vieringen rond ‘de vruchten der Aarde’. Bedevaartsplaatsen, groot en klein, halen nog eens alles uit de kast om de pelgrims te verwelkomen. Processies trekken uit. Novenen her en der met bijhorende rituelen en gebruiken. En niet te vergeten een vloed aan eerste communie- en vormselvieringen. Want ook die mag je feitelijk onder die noemer scharen. In de onmiddellijke omgeving denken we aan het Maria-oord in Dadizele, de Westhoekkapel, de Heilig Bloedprocessie in Voormezele, de noveen van Sint-Rita in Kruiseke …

En toch lijkt het er op alsof het geloof aan het verdampen is. Sommigen leggen de oorzaak voor het verminderd kerkbezoek bij het Tweede Vaticaans Concilie. “Ze hebben onze godsdienst veranderd”, hoor je ze zeggen. Eerbied en sacraliteit in de liturgie boetten in voor een overdaad aan woorden en een gebrek aan stilte: teveel gepraat en te weinig ruimte voor het mysterie. Omgekeerd evenredig kennen bedevaartplaatsen een blijvende toeloop. Het is alsof mensen hun heil voor hun geloof vinden in handen en voeten: rituele handelingen stellen, het zogenaamde ‘dienen’. Liever niet teveel nadenken of palaveren maar flink doorstappen. Mensen blijven de Moeder Gods of de heiligen, zelfs recentere als Theresia van Lisieux of hedendaagse als Pater Pio, trouw opzoeken. Waarom is dat? En kunnen niet-traditionele gelovigen daar iets van oppikken dat hun geloof te goede komt?

Het concilie
heeft ervoor gezorgd dat Gods Woord rijker aan bod kwam in de Liturgie. Het was hoognodig dat de kerkelijke rituelen er door geschrankt werden, geloofwaardiger overkwamen. Gods Woord is een woord dat 'doet' wat het zegt. Geloven zonder engagement is een lege doos, hoe mooi ook versierd. Het was ook nodig om de figuur van Christus zelf opnieuw centraal te stellen in ons geloof. Maria en de heiligen vormen de erewacht rond Hem en niet omgekeerd. Sentiment en gevoel in de liturgie in de liturgie zijn goed, maar niet ten koste van inzicht en begrijpen. Maar als de liturgie echter verhuist van het hart naar het hoofd en ze louter onderricht dan loopt ze het gevaar eerder kil te worden en is er ook geen plaats meer voor ontroering.

Liturgie was vroeger vaak teveel een ‘allerindividueelst’ gebeuren. Het was ieder voor zich met z'n paternoster en z'n missaaltje. Het smekende, vragende ‘ik’ primeerde op het delende, solidaire ‘wij’, het samen God biddend loven en danken. Maar als de ‘gemeenschap’ te sterk benadrukt wordt, als je alles altijd samen moet doen is er ook geen ademruimte meer om jezelf te zijn. Wordt spreken ook belangrijker dan zwijgen. En juist die stilte is nodig om schroomvol binnen te treden in het mysterie van Gods alles overtreffende liefde. Traditie en creativiteit, oud en nieuw gaan samen als teelaarde en zaad. Hoe kan het geloof anders vruchtbaar zijn?

Daarom is ook de volksreligie niet verschraald tot een reliek uit het verleden. Het christendom is geen filosofische overtuiging maar een religie. En een religie is totaal verweven met het leven: hoofd, hart, buik, handen en voeten. Volksreligie is van nature levensnabij: ze moet niet ‘bij het leven gebracht worden’ zoals de ‘geleerde’ liturgie.



De volksreligie steunt op de familie
Het is een misvatting te denken dat de volksmens een traditionalist zou zijn. Integendeel ook hij profiteert met de nodige haast en veel ongeduld graag mee van al het goede en de luxe die de moderne tijd biedt. En al uit het zich maar sporadisch, onderhuids is hij met ups en downs gelovig. Dat geloof uit zich familiaal bij geboorte, opgroeiende kinderen, huwelijk, lijden en dood. Zeg maar in de gang van het leven. Hij blijft evenzeer gefascineerd door heilige plaatsen, bronnen en grotten en met de heilige tijden van het jaar: Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Maria Hemelvaart, Allerheiligen en Allerzielen.

Misschien meer op de ‘droom’ ervan dan op de rauwe ‘werkelijkheid’ van telkens weer vallen en opstaan. Daarom richt ze zich ook naar de Kerk. Niettegenstaande al het negatieve dat over de Kerk de ronde doet, vindt ze in de Kerk die droom verwoord. Daarom doet het ook zo veel pijn als het daar misloopt. Maar de Kerk als familie biedt zekerheid en geborgenheid, begrip en vergiffenis, aanmoediging en troost en bovenal ze houdt de moraal hoog bij leven en sterven, zelfs over de dood heen.

Gewone christenen trekken zich ook op aan feestelijke tijden. In de eentonige sleur van de dagen zijn het rustpunten, ogenblikken van verdichting. Bij die feesten hoort altijd een ritus. Dat is een manier van doen die telkens onveranderd gehandhaafd blijft. Het is een moment om vast te leggen en in te lijsten. Het feest in de volksreligie begint steevast in de kerk. Vaak wordt daarbij smalend gezegd dat die kerkdienst maar bijzaak is. Dat zij een alibi verschaft voor een feestmaal en cadeautjes. Dat is niet zo. De kerkdienst is dan wel korter dan het feest dat erop volgt en dat lang en overvloedig kan uitlopen maar het is als het ware de bron waar alles overvloedig opborrelt. Het kadert het gebeuren en het verwijst naar de (O)orsprong. Daar groeit het besef: ‘Hier moet (I)ets zijn, hier is (M)eer, hier is Iemand’.

Omwille van het feest schikt men zich in de meeste gevallen ook graag naar de ritus. Overgeleverde rituelen mag men trouwens ook niet zomaar veranderen omwille van een ‘creatieve’ vondst van het ogenblik of ‘over-personaliseren’. Men komt liefst thuis en herkent zich in ‘wat altijd zo geweest is’. Ook al evolueren cultuur en levensstijl heel snel, de nood blijft aan ‘iets blijvends’ in herkenbare rituelen op vastgestelde tijden en plaatsen, bv. een doopsel aan de doopvont in de parochiekerk en niet thuis in de achterkeuken... omdat de feesttafel al gedekt stond.

Het oog onthoudt langer dan het oor.
Kenmerkend voor de volksreligie is dat wat gebeurt beeldend en gevoelsmatig wordt ingeprent. Ze kan niet zonder beelden. “Van mijn huwelijkspreek heb ik niets onthouden. Maar het samen ontsteken van de huwelijkskaars vergeet ik nooit”. Zelfs taal beklijft langer wanneer die beeldrijk is zoals in uitdrukkingen, spreuken, al of niet op rijm, parabels en vertellingen. Ook plaatsen blijven bij omwille van hun sfeer, ambiance en typische architectuur: Lourdes, Lisieux, Rome, Assisi,... Scherpenheuvel, Oostakker, Banneux, Beauraing, Dadizele... of hun typische muziek, de refreinen van Taizé. Men komt er graag terug omdat men er zich thuis voelt.

De volkskatholiek heeft zo z'n eigen kijk op de Moraal van de Kerk.
Ook al kan hij die boodschap vaak niet beamen of waarmaken in z'n eigen leven, vind hij ze te hoog gegrepen, dan nog leeft in hem overwegend het besef dat het in die Kerk uiteindelijk nog zo slecht niet is. Hij ervaart dat er in diezelfde veeleisende Kerk ondanks alles veel vrijheid te vinden is. Dat is een levenswijze die hij ook zijn kinderen niet wil onthouden. Hij vertrouwt ze dan ook graag toe aan de hoede van een katholieke school of een catechist in het officiëel onderwijs omdat hij weet dat daar van hen een grote opvoedkundige kracht van uitgaat. Ooit werd het geloof afgedaan als ‘opium van het volk’. Maar is dit wel zo? In het christelijk geloof is een weg te vinden naar een geluk dat wetenschap en techniek niet hebben kunnen geven. In het geloof woont de hoop. Dat blijkt ook uit de vertrouwdheid met de dood en de zorg voor de overledenen. In de gebruiken wordt duidelijk dat ze bij het leven horen. Men bezoekt ze, praat met hen en houdt de herinnering levendig. Ze horen er onzichtbaar, onmisbaar bij.



De volksreligie is heel direct.
Al haar onbevredigde verlangens, soms laag-bij-de-grondse behoeften, terechte kommer, zorg en pijn werpt ze schaamteloos bedelend voor God, al dan niet door bemiddeling van Christus, Maria en de heiligen. Voor haar hoeft geen priester tussen te komen. Het is een beetje als het verhaal van de specialist en de huisdokter. Sterker nog, God is een dokter maar met een patiënt die zelf de diagnose én het voorschrift aanreikt: “Dit is mijn probleem God, en zo los je het best op!” Het minste wat je daar kan over zeggen is dat er een onnoemelijk vertrouwen uit blijkt: “Al ken ik Je amper, ik weet wie Je bent: Iemand die mij heel graag ziet.” Het feit dat een smeekgebed dan niet verhoord wordt, kan zeer confronterend zijn maar anderzijds zuivert het misschien wel de kwaliteit van onze behoeften en gaat men minder geneigd zijn, zijn heil te zoeken in magische riten of onmiddellijke steun, want zo kom je ook niet echt tot geloof. God laat zich ook niet manipuleren, anders was Hij niet God maar een afgod.

Heel wezenlijk in de volksvroomheid is de plaats van Maria en de heiligen.
Hoog verheven maar zo dichtbij. De fascinatie voor spectaculaire genezingen, wenende Mariabeelden en meer van dat, kunnen mensen zodanig ‘inpakken’ dat Maria en de heiligen geen vensters meer zijn op God, maar een wand waar men niet meer doorheen kan. Men gaat dan voorbij aan de nood tot de eigen bekering en vervalt in passiviteit of een eindeloos wachten op verhoring van bovenaf. En dat is nu juist alles waar Maria ‘niét’ voor staat. Net als Jezus zelf was Maria een en al een ‘JA’, een toonbeeld van geloof, hoop en liefde, armoede en zuiverheid, luisterbereidheid en dienstbaarheid. Het is dan ook niet te verwonderen dat mariale en andere bedevaartplaatsen ankerplaatsen zijn van volksreligiositeit. Je vindt er alles terug wat ze zo kenmerkt: heilige plaatsen en tijden, feesten, riten, taal, gebaren, liederen en muziek, teksten en gebeden, familiesfeer, geborgenheid in de anonimiteit en toch met velen samenzijn, gebondenheid en toch grote vrijheid, kijken en voelen tegelijk, en het diepe ervaren van: 
‘Hier is Iets, Iemand, hier is God zelf …’

(Aanbevolen lectuur: Volksreligie / Kardinaal Danneels/ Persdienst Aartsbisdom 2008)

woensdag 4 mei 2016

Mondiaal café

Geef me een hand … en dans

Samen met 11.11.11, Wereldhuis, Vredeswake Langemark en Moeders voor Vrede organiseerden de Noord-Zuiddienst en de Jeugddienst van Zonnebeke een Mondiaal Café op vrijdagavond 29 april in Jeugdhuis De Moane. Centraal thema was vrouwenkracht is vredesmacht. In het Westen mag daar min of meer principieel een consensus over bestaan, wereldwijd liggen vrouwenrechten en de gelijkwaardigheid van de seksen – of dat je dat nu leuk vind of niet – nog altijd uiterst gevoelig. Nog complexer wordt het wanneer dat streven in directe confrontatie als gevolg van decennialange immigratie en acute vluchtelingenstromen bemoeilijkt wordt. Hoe reageer je bijvoorbeeld als vrouw wanneer een allochtone man je weigert een toegestoken hand te drukken? Op dezelfde manier, verontwaardigd en afwijzend, of eerder met een minimum aan begrip, pragmatisch en geduldig … om uiteindelijk samen te gaan dansen.


Gastvrouw was VRT-journaliste Dominique de Graaf. Onder haar regie tastten de gasten vanaf verschillende invalshoeken de kracht en de moeilijkheden van vrouwen in conflictgebieden, opvangcentra en lokale gemeenschappen af. Gasten waren Houzan Mahmoud, Leen Vermeulen en Caroline De Meester en niet in het minst het publiek zelf.

Iedereen komt met eigen verwachtingen naar zo’n avond en wil vanuit z’n gedrevenheid of overtuiging het liefst ook z’n standpunt bevestigd zien. Maar zoals gauw blijkt is samenleven hoe dan ook niet eenvoudig. Vaak wordt vanuit hooggestemde en gerechtvaardigde principes gedacht en worden die vanuit een ook al ‘voorondersteld respect’, al zomaar voor werkelijkheid genomen. Maar zo werkt het niet.

Van iemand-op-de-vlucht, die uit een totaal andere cultuur en vaak getraumatiseerd hier terecht komt, mag je niet meteen verwachten dat die zich eensklaps als een volmaakt geïntegreerde, westerling gaat gedragen. Dergelijke mensen zijn daarom niet per definitie respectloos. Met ze te veroordelen kom je geen stap verder. En bedenk alleen maar, hoe moeilijk wij het zelf hebben met de minste verandering.


HOUZAN MAHMOUD
Over alle taboes heen
is een in Londen verblijvende Koerdische vrouwenrechtenactiviste, schrijfster en vertegenwoordigster van ‘Women’s Freedom in Iraq’. Zij is een vrijgevochten vrouw, die radicaal met de taboes uit haar thuisland heeft gebroken. In haar getuigenis betreurde ze o.a. dat situatie van de vrouwen in Irak na de val van Saddam Houssein alleen maar verslechterd is. Verre van zijn bewind goed te praten, integendeel, maar onder zijn regime waren de basisrechten van vrouwen tenminste nog vastgelegd in de grondwet. Vrouwen konden uit werken gaan of studeren en zich laten scheiden voor een burgerrechtbank. Nu hebben vrouwen bijna al hun rechten verloren. Ze worden weer naar de haard gedreven. Naarmate geweld en terrorisme het leven meer en meer – niet in het minst door toedoen van I.S., gaan beheersen, zullen steeds meer vrouwen het slachtoffer worden van ontvoeringen, verkrachtingen, ere- en andere moorden. Ook de situatie in het Westen met z’n radicalisering van Moslimjongeren, het fenomeen van de Syriëstrijders en de permanente terreurdreiging verontrust haar zeer. De problematiek is inderdaad wijdverbreid, niet meteen eenvoudig te begrijpen en daarom ook niet onmiddellijk beheersbaar.


CAROLINE DE MEESTER
Aan de praat
woont in Roeselare in een multiculturele buurt en werkt voor ORBIT. Een vzw die in de 13 Vlaamse centrumsteden focust op een effectieve aanpak van racisme, interlevensbeschouwelijke ontmoeting, een rechtvaardig migratiebeleid en samenwerking in diversiteit. In haar persoonlijke omgang met mensen met een migratie-achtergrond spiegelt zij zich graag aan televisiemaakster Lidewij Nuitten die voor het één-programma ‘Iedereen Beroemd’ haar straat in Schaarbeek gaat verkennen.

Ze had al vaak op haar balkon staan mijmeren over de levens achter de raampjes van de huizen in haar straat. Ze besloot op een dag de honderden familienamen van de deurbellen af te schrijven, vastberaden om elke buur achter de façades te leren kennen. Wie haar cameralens in het vizier krijgt, benadert Lidewij met enkele routinevragen “Kent u de buren? Hoe lang woont u hier al? Vindt u het hier aangenaam wonen?” Lidewij staat er versteld van hoe openhartig de meeste buren antwoorden. “Het is geen eenrichtingsverkeer. Ik ben ook hun buur, dus zijn mensen ook geïnteresseerd in mij. Het wordt snel een gesprek en mensen beschouwen me verrassend snel als een vriendin.”

Zo ook bij Caroline. Het is helemaal niet evident en de ene mens is al communicatiever dan de ander. Wij zijn het ook wat verleerd. Maar een praatje slaan met mensen uit de buurt is op zich niet zo moeilijk, een beetje aandacht maakt gelukkig. Het is een uitstekend recept om vooroordelen en angst te lijf te gaan en het mag niet ontbreken naast alle noodzakelijke structurele ingrepen.


LEEN VERMEULEN
Dansen tegen geweld
afkomstig uit Zonnebeke, werkt al jarenlang als arts in een groepspraktijk van ‘Geneeskunde voor het volk’ in Molenbeek. Zo heeft ze dag in, dag uit contact met mensen van minstens tientallen origines en verschillende geloofsovertuigingen. Leen is niet meteen voorstander van een doorgedreven integratie en assimilatie waarbij de ‘allochtone ander’ zijn eigenheid moet opgeven om aanvaardbaar te zijn voor de ‘mensen-van-hier’.

Mensen hebben vaak schrik van van elkaars anders-zijn, zien het te vaak als een bedreiging dan als een verrijking. Angst is nooit een goede raadgever, wekt wantrouwen, polariseert en drijft tegenstellingen gauw op de spits. Zo ontmoet en win je niemand voor wat je zelf uiterst waardevol vindt. Dat betekent natuurlijk niet dat je blind of laks moet zijn voor elke vorm van extremisme, dat je zomaar alles kunt laten passeren. We moeten er vooral samen voor zorgen dat ieder kind van welk geslacht of origine ook in vrede en veiligheid kan opgroeien en alle kansen krijgt om z’n talenten te ontwikkelen en aan te wenden.


In Molenbeek heerste na de aanslagen globaal een klimaat van angst en verslagenheid. Zowel om het blinde geweld tegen onschuldige burgers als om het beeld dat wereldwijd via de media van z’n bewoners werd opgehangen. Dat deed pijn en voor de meesten helemaal geen reden om daar op te gaan dansen. Van de weeromstuit gaan ze het toch doen op zaterdag 14 mei op een groot volksfeest ‘Allen voor Molenbeek’ met o.a. de flashmob ‘One Billion Rising’. Dit is een internationale actie van duizenden vrouwen overal ter wereld die samen dansen tegen geweld. Het project startte in de Filippijnen en loopt nu al in meer dan 30 landen.