De kloosterregel van Augustinus is uitgangspunt voor veel kloosterordes – mannelijk en vrouwelijk – in ons religieuze landschap. Natuurlijk zijn er de Augustijnen zelf, die na de harde klappen van de Franse revolutie, nog minimaal vertegenwoordigd zijn in ons land (Gent, Heverlee, Bouge). Beter gesteld is het nog met de Augustinessen. In de onmiddelijke omgeving hebben we het dan over de Zwartzusters, De Roesbrugge-Dames in Ieper en de zusters van Ten Bunderen hier in Zonnebeke. De Ursulinen en de Birgittinessen leven volgens dezelfde inspiratie. De regel wordt ook gevolgd door de Norbertijnen, de Dominicanen, de Alexianen, de Kruisheren, … we spreken dan vaak over reguliere kanunniken of koorheren die vanuit een leven in gemeenschap vooral werkzaam zijn of waren in parochies en het onderwijs. Tot die laatste groep behoorden ook de monniken die hier meer dan zevenhonderd jaar (1072-1796) de Augustijnenabdij hebben bevolkt. Zij waren de de aanleiding om in 2004 ook onze kerkgemeenschap in Groot-Zonnebeke naar Augustinus te vernoemen en zo met een betekenisvolle, eeuwenouwde traditie her aan te knopen.
Het
duurde echter nog enkele jaren vooraleer het gedachtengoed van
Augustinus hier opnieuw werd opgespit. Zo hadden we in 2012 en 2013
een Augustinusdag in Zonnebeke met medewerking van de FAN (Familia
Augustiniana Nederland). Dat is een Nederlandse lekenbeweging die met
de steun van de Augustijnen in parochies, lees-, bezinnings- en
andere groepen de spiritualiteit van Augustinus in deze tijd beleven
en gestalte geven. Inmiddels zijn we als federatie heel bescheiden de
Vlaamse poot geworden van FAN en hebben we ook zitting in het
bestuur. De FAN organiseert in het voor- en het najaar telkens een
ontmoetingsdag voor haar leden. Laatst was dat het geval in de
Augustinusparochie aan de Postjesweg in Amsterdam. We hoorden er o.a.
een lezing van Brian
Heffernan
(foto) over z'n boek 'Een
kleine orde met allure. De Augustijnen in Nederland 1886-2006'. Het
boek is uitgegeven bij uitgeverij Verloren in Hilversum en
verkrijgbaar voor de prijs van 49,00 euro.
Eind
negentiende eeuw bestond deze toen kloosterloze religieuze
gemeenschap slechts uit een handvol parochiepriesters. In de
twintigste eeuw bleven zij ondanks een gestage groei een relatief
kleine orde. Vooral hun inzet voor het middelbaar onderwijs gaf de
Augustijnen aanzien in katholiek Nederland. Heffernan bespreekt in
z'n boek zowel hun externe werkzaamheden als hun interne
gemeenschapsleven. Ook de schaduwkanten van hun optreden komen aan
bod. De augustijnen zijn een kleine orde met allure. Zij waren
zielzorgers en strijders voor de katholieke zaak, maar voelden zich
op grond van hun oude traditie ook kloosterling en eremiet. In de
jaren zestig beschouwden zij zich, zoals veel religieuzen, als
brengers van vernieuwing, tegenwoordig vooral als dragers van de
spiritualiteit van Augustinus. Deze verschuivende en soms botsende
opvattingen vormen een kapstok voor het verhaal, waarin de
voortdurende heruitvinding van de Augustijnse identiteit centraal
staat. Zoals het ook met andere religieuze organisaties is gegaan, is
de betekenis van de Augustijnen voor de samenleving afgenomen. De rol
van 'drager zijn van spiritualiteit' staat nu voorop. In de jaren '80
en '90 was er een heroplevingvan die spiritualiteit. De oprichting
van lekengroepen, nu verenigd in de Familia Augustiniana Nederland
(FAN), was een vrucht van deze ontwikkeling.
De
studie van de evolutie van het religieuze leven van de laatste 120
jaar is heel interessant. Iedere generatie gaat de confrontatie aan
met z'n tijd en legt vaak om de dertig jaar, duidelijk andere
accenten, die dan weer verlaten worden maar ook nooit helemaal
verdwijnen. Dat is niet alleen het geval voor de Nederlandse context
maar ook voor onze parochies. De traditie is taai maar geleidelijk
zie je onder invloed van de tijdsgeest nieuwe invloeden ingang
vinden. Wat je als gelovige in je jeugd meekreeg, blijkt nog steeds
sterk bepalend te zijn voor je latere geloofsbeleving. Denk bij ons
aan de invloed van Cardijn met z'n kajotters, kanunnik Dubois met de
Katholieke Actie, AVV-VVK, de invloeden van het Tweede Vaticaans
Concilie, de Bevrijdingstheologie, ... Mariale en andere devoties ...
Al die echo's klinken nog steeds door in hoe mensen vandaag hun
geloof willen uiten ... en die ze niet altijd van mekaar begrijpen of
smaken.
In
1889 overleed pastoor Hoorneman, verbonden aan de Amsterdamse
parochie De Star. De katholieken van zijn tijd probeerden liturgische
en andere zaken die protestanten niet begrepen, zoveel mogelijk
binnenshuis te houden. De Amsterdammer Prosper Jansen bestreed deze
neiging toen hij in 1890 kapelaan van de parochie werd. Jansen was
sinds 1886 Augustijn. In de 15 jaar dat hij voor De Star werkte,
maakte hij zich sterk voor de emancipatie van de katholieken, die
niet bang moesten zijn om uit hun schuilkerken tevoorschijn te komen.
Samen met andere geestelijken stimuleerde hij de oprichting van
katholieke verenigingen, vakbonden en standsorganisaties. En
katholieken moesten vaker naar de kerk komen niet zozeer in gelovig
opzicht maar om zich als groep te confirmeren. De Orde zag hij als
een leger dat geharnast ten strijde trok, met Augustinus aan het
hoofd. In 1909 was Jansen lid van het provinciebestuur, toen dat
besloot om het middelbaar onderwijs te ondersteunen. De Augustijnen
hadden al ca. 10 jaar een middelbare school in Eindhoven. Volgens
Jansen moesten de Augustijnen 'gehoorzame jongelieden scholen, die in
tucht en ootmoed opgevoed, in naam van Jezus de wereld moesten gaan
herwinnen'. Jansen en zijn Augustijnse tijdgenoten wilden ook de
devotie rond de icoon van de 'Onze Lieve Vrouw van Goede Raad'
stimuleren. Op zijn hoogtepunt telde die ruim 10.000 leden. Maar rond
1930 nam de belangstelling van de Augustijnen voor de Mariaverering
weer af. De goed opgeleide jonge Augustijnen, door de provincie vaker
naar de universiteit gestuurd, zagen niet veel meer in de massale, op
gehoorzaamheid gerichte devoties die ze maar vrouwelijk en
sentimenteel vonden. Ze zagen meer in een authentieke, op verdieping
gerichte geloofsbeleving, die meer mannelijk was, heroïsch en
radicaal. De sentimentele Mariadevotie moest wijken voor de
objectieve spiritualiteit van de kerkelijke liturgie.
Pas
50 jaar later, toen de maatschappelijke rol van de orde al vrijwel
was uitgespeeld door overheidsinitiatief allerhande, zou ook de
eigenlijke spiritualiteit van Augustinus zelf meer op de voorgrond
komen. Hij werd herontdekt als de pastor, de
gemeenschapsstichter, degene die God zocht in zijn naasten.
De laatste generatie Augustijnen, gevormd in de jaren vijftig en
zestig, werden door hun leermeesters ingelepeld dat de overgeleverde
structuren, tradities en denkwijzen achterhaald waren en nodig
afgeschaft moesten worden. Begin jaren zestig deed het Tweede
Vaticaans Concilie de verwachting rijzen dat dit ook spoedig zou gaan
gebeuren. De wens van de Augustijnse jonge radicalen was zonder
verwijzing naar het verleden, nieuwe waarden zelf uit te vinden en te
beproeven. Voor velen was dat een verademing, die hun leven nieuwe
zin en oriëntatie gaf. Het legde de nadruk op persoonlijk geraakt
worden, op verrijking van het spirituele leven en niet op de naleving
van regels en plichten. Het maakte ook verschillende succesvolle
initiatieven mogelijk. Bijvoorbeeld de Boskapelgemeenschap
en de Werkhofgemeenschap en uiteindelijk de FAN. Maar wat de toekomst
gaat brengen, hoe de uitstraling van Augustinus spiritualeit kan
doorgaan, blijft ook voor de lekengemeenschappen een heikel punt.
Ook daar slaat de vergrijzing toe!







